Overheid wil dat zzp’ers beleggen voor hun pensioen, maar box 3 straft juist dat gedrag af

Geplaatst op
Zelfstandige berekent met laptop en rekenmachine wat de nieuwe box 3-regels betekenen voor haar beleggingen
Beeld: Microsoft 365 (Unsplash), redactie ZZP Nieuws © 2026

Beleggen voor je pensioen klinkt als gezond verstand, en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) moedigde het begin mei nog actief aan. Maar wie als zelfstandige zonder personeel dat advies klakkeloos opvolgt en in box 3 gaat beleggen, loopt aan tegen een belastingstelsel dat precies dat gedrag afremt. De nieuwe box 3-regels roomen een fors deel van het rendement jaarlijks af, nog voordat die winst is gerealiseerd. Tegelijk bestaat er voor zzp’ers een fiscaal veel gunstiger route. Die wordt alleen nauwelijks benut.

De AFM stelde begin mei dat ruim 800.000 huishoudens tussen de 35 en 67 jaar genoeg spaargeld hebben om te beleggen, maar dat niet doen. Tegelijk bouwen ze in de eerste en tweede pensioenpijler te weinig op om hun levensstandaard na pensionering vast te houden. Voor zelfstandigen weegt dat zwaar: zij bouwen geen pensioen op via een werkgever en moeten hun oudedag zelf regelen. De mogelijkheden om dat fiscaal voordelig te doen zijn er wel, maar de praktijk blijft daarbij achter.

Toch speelt dit nadrukkelijk niet voor elke zzp’er. Wie maandelijks de eindjes aan elkaar moet knopen, en dat is in sectoren als de bouw, schoonmaak en zorg een grote groep, komt aan beleggen niet eens toe. Maar wie al wat langer voor zichzelf werkt, heeft over de jaren vaak wél een spaar- of beleggingspotje opgebouwd. Denk aan de buffer voor mindere maanden, of het appeltje voor de dorst dat niet tegen de schrale spaarrente moet wegteren terwijl de inflatie eraan knaagt. Juist voor die zelfstandige, die zijn geld laat renderen zonder het vast te zetten in een pensioencontract waar hij niet meer bij kan, zijn de nieuwe box 3-regels direct relevant.

Van belasting op een fictief rendement naar belasting op je echte winst

De kern van de verandering zit in waarover je wordt belast. In het huidige stelsel rekent de Belastingdienst met een fictief rendement: de fiscus gaat uit van een verondersteld rendement op je vermogen en heft daarover, ongeacht wat je werkelijk verdiende. Je wordt dus niet belast op je werkelijke koerswinst, maar op een aanname die gekoppeld is aan je vermogen op de peildatum van 1 januari. Of je aandelen dat jaar nu stegen of daalden, voor de heffing maakt dat in beginsel niet uit. Sinds het zogenoemde Kerstarrest geldt wel een tegenbewijsregeling: kun je aantonen dat je werkelijke rendement lager was, dan mag je dat lagere bedrag aanhouden. Bovendien blijft een deel van je vermogen onbelast door het heffingvrije vermogen. Dat is in 2026 vastgesteld op 57.684 euro per persoon, en het dubbele voor fiscale partners.

Vanaf 2028 verdwijnt dat fictieve rendement. De Wet werkelijk rendement box 3 belast je werkelijke rendement: de rente, het dividend en de huur die je ontvangt, plus de waardestijging van je vermogen. Het voorgestelde tarief is opnieuw 36 procent, maar het heffingvrije vermogen verdwijnt en wordt vervangen door een veel kleiner heffingvrij resultaat van 1.800 euro per persoon. Het tarief verandert dus niet, maar de grondslag wel ingrijpend.

Wat dat betekent, laat zich het best in de orde van grootte zien. Wie nu belegt, betaalt belasting over een verondersteld rendement, en door het heffingvrije vermogen blijft die aanslag bij een vermogen van rond een ton relatief beperkt. Vanaf 2028 wordt de werkelijke winst de grondslag, terwijl de vrijstelling fors kleiner wordt. In een gemiddeld beursjaar kan de aanslag daardoor ruwweg verdubbelen, en in een topjaar met een rendement van vijftien of twintig procent loopt het verschil veel verder op. Het oude stelsel belastte in zo’n goed jaar immers nog steeds maar een verondersteld rendement, hoe hoog je winst ook was. Andersom geldt: in een slecht jaar biedt de tegenbewijsregeling nu juist verlichting. De precieze bedragen hangen af van de geldende forfaits, je persoonlijke situatie en het uiteindelijke wetsontwerp. Wat telt is het mechanisme, en dat verschuift onmiskenbaar in het nadeel van wie voor de lange termijn belegt.

Hoe de afroming op de lange termijn doorwerkt

Het pijnpunt voor wie voor zijn pensioen belegt, zit niet alleen in dat ene jaar. De nieuwe systematiek is een vermogensaanwasbelasting: ook de waardestijging van beleggingen die je nog helemaal niet hebt verkocht, wordt jaarlijks belast. Je betaalt dus belasting over winst die alleen op papier bestaat. Voor langetermijnbeleggen, precies wat de AFM aanraadt, knaagt die jaarlijkse heffing aan het rente-op-rente-effect dat dit soort beleggen zo krachtig maakt.

Financieel expert Kapé Breukelaar van FiscAlert rekende voor wat dat over een mensenleven kan betekenen. In zijn voorbeeld, uitgaande van een ton aan vermogen, een beleggingshorizon van twintig jaar en een rendement van 8 procent, trekt de fiscus onderweg naar de pensioendatum ruim 45 procent weg van het rendement op de inleg. De Belastingdienst haalt in dat voorbeeld zo’n 31.000 euro meer op dan onder het huidige stelsel. Tel je het misgelopen rendement over die extra heffing mee, dan loopt het verschil in opgebouwd eindkapitaal op tot ongeveer 70.000 euro. Het gaat om één berekening met eigen aannames, maar de richting is duidelijk: hoe verder je van je pensioen af zit, hoe zwaarder de jaarlijkse afroming aantikt.

Pensioenadviseur en advocaat Theo Gommer noemde de systematiek strijdig met goed koopmansgebruik: de Belastingdienst rekent af voordat de winst binnen is. Belastingadviseur Cor Overduin, die sprak tijdens een deskundigenbijeenkomst in de Eerste Kamer, wees op de tegenstrijdigheid dat de overheid wil dat mensen zichzelf financieel beter redden, maar beleggen vervolgens fiscaal afstraft.

De vraag die zzp’ers zich nu stellen: is het risico nog de moeite waard?

Daarmee dringt zich een vraag op die je in steeds meer ondernemerskringen hoort. Beleggen brengt risico met zich mee: koersen kunnen dalen, en in een slecht jaar verlies je een deel van je inleg. Dat risico nam je als belegger altijd voor lief, omdat het verwachte rendement op de lange termijn ertegenop weegt. Maar als de fiscus straks een aanzienlijk groter deel van dat rendement afroomt, verschuift de verhouding tussen risico en opbrengst. Het risico blijft volledig bij jou, terwijl een grotere hap van de winst naar de Belastingdienst gaat.

Voor een zelfstandige die zijn oudedag zelf moet regelen, is dat geen abstracte som. Het is de afweging of het de moeite waard is om spaargeld bloot te stellen aan beursrisico, wanneer het netto wat overblijft fors lager uitvalt dan een paar jaar geleden. Juist die afweging maakt de keuze tussen beleggen in box 3 en een fiscaal beschermde route belangrijker dan ooit.

De fiscaal slimme route bestaat al, maar wordt nauwelijks benut

Want de gunstige uitweg ligt voor de hand. Werknemers bouwen verplicht pensioen op via hun werkgever, waarbij de omkeerregel geldt: de inleg is onbelast en pas de latere uitkering wordt in box 1 belast, doorgaans tegen een lager tarief. Zzp’ers kunnen diezelfde route bewandelen via een lijfrente of pensioenbeleggen. De inleg is dan aftrekbaar in box 1, het opgebouwde vermogen telt niet mee in box 3, en je rekent pas af bij uitkering. Hoeveel je jaarlijks met belastingvoordeel mag inleggen, hangt af van je zogenoemde jaarruimte. Toch laten zzp’ers daarmee jaarlijks duizenden euro’s belastingvoordeel liggen, omdat ze die ruimte niet benutten. Beleggen via box 1 is voor de oude dag fiscaal voor de meeste zelfstandigen voordeliger dan beleggen in box 3.

Toch kiest maar een minderheid voor zo’n product. Slechts één op de vier zzp’ers heeft een echt pensioenproduct afgesloten, en een nog kleinere groep stort daadwerkelijk premie. De redenen zijn bekend: het aanbod is ondoorzichtig, de fiscale regels zijn onduidelijk, en veel zelfstandigen stellen de keuze daarom uit. Sommige pensioenaanbieders nuanceren de ophef over box 3 dan ook. Volgens Sjaak Zonneveld van pensioenaanbieder BrightPensioen, dat naar eigen zeggen begin dit jaar fors meer ondernemersklanten kreeg, komt de boosheid vooral van opiniemakers. Ondernemers die zich in pensioen verdiepen weten dat beleggen in box 1 slimmer is, en dan speelt de box 3-heffing nauwelijks een rol.

Het echte probleem is dus niet alleen de heffing, maar dat de gunstige uitweg te weinig wordt gevonden. En aan die uitweg zit een prijs: het ingelegde geld zit jarenlang vast en is niet vrij opneembaar. Emeritus hoogleraar en fiscalist Peter Kavelaars wees erop dat juist kleinere ondernemers en zzp’ers die middelen vaak niet kunnen missen, of hun geld beschikbaar willen houden voor investeringen. Box 3 biedt die flexibiliteit wel, maar geniet vrij vermogen niet de bescherming die een lijfrente in veel gevallen tegen schuldeisers wel biedt. De zelfstandige kiest zo tussen flexibiliteit zonder fiscaal voordeel en fiscaal voordeel zonder flexibiliteit, een afweging die een werknemer met een collectief pensioen nooit hoeft te maken.

De regels zelf staan nog niet vast

Wat de keuze extra ongemakkelijk maakt, is dat de spelregels niet eens vaststaan. De Tweede Kamer nam de Wet werkelijk rendement box 3 op 12 februari 2026 aan, met als beoogde ingangsdatum 1 januari 2028. Maar daarna kondigde het kabinet aan het voorstel te willen aanpassen, omdat het vreesde dat de Eerste Kamer het in deze vorm zou verwerpen. Tijdens de deskundigenbijeenkomsten in de Eerste Kamer op 19 mei 2026 bleek een meerderheid van de senatoren weinig te voelen voor het jaarlijks belasten van papieren winsten. De commissie voor Financiën leverde op 26 mei haar schriftelijke inbreng voor het tweede verslag; een stemming heeft nog niet plaatsgevonden. De plenaire behandeling staat voorlopig met potlood gepland voor 23 juni, al groeit in de senaat de twijfel of behandeling vóór de zomer wel zinvol is. Het kabinet houdt vast aan invoering per 2028, maar wil het stelsel daarna verder ontwikkelen richting een volledige vermogenswinstbelasting, waarbij pas wordt afgerekend bij verkoop.

Voor een zzp’er die nu nadenkt over de oude dag betekent dat het volgende: het advies om te beleggen komt van de toezichthouder, maar de fiscale prijs van dat advies hangt af van een wet die nog kan kantelen. Dat de onvrede diep zit, blijkt uit de toon van het debat: in ondernemerskringen valt zelfs af en toe het woord emigratie. Voor de doorsnee zzp’er is dat geen realistische route, maar het tekent hoe zwaar de combinatie van onzekerheid en hogere heffing voelt. De keuze tussen box 1 en box 3, tussen vastzetten en flexibel houden, moet hoe dan ook worden gemaakt terwijl de bodem onder het stelsel beweegt.

Voor de zzp’er met een buffer is de boodschap intussen niet dat beleggen onverstandig is, maar dat de vorm waarin je het doet zwaarder weegt dan de vraag óf je het doet. Wie overweegt zijn oudedag deels via de beurs op te bouwen, doet er goed aan eerst de eigen situatie te laten doorrekenen, het verschil tussen box 1 en box 3 scherp te krijgen en pas daarna te kiezen. Want ook stilzitten en afwachten tot het stelsel is uitgekristalliseerd is een keuze, en ook die kost rendement.

Bron: Autoriteit Financiële Markten · Rijksoverheid · Eerste Kamer · FiscAlert

Redactie ZZP Nieuws
Over de auteur:
Redactie ZZP Nieuws – Redactie ZZP Nieuws publiceert sinds 2014 dagelijks nieuws, duiding en achtergronden voor zelfstandig ondernemers in Nederland. De redactie werkt vanuit primaire bronnen — Rijksoverheid, rechtspraak, Kamerstukken en CBS — en plaatst ontwikkelingen waar mogelijk in de context van eerdere wetgeving en beleid. Onafhankelijkheid van overheid, vakbonden en commerciële partijen staat voorop. Lees meer over deze auteur.
Deel dit bericht via:

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in