Home Blog

De BV als wondermiddel tegen schijnzelfstandigheid? Twee rechters laten zien dat het zo niet werkt

Magazijnmedewerker draagt een doos in een loods — kwalificatie arbeidsrelatie zzp via BV
Beeld: Tiger Lily (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Een eigen BV als oplossing voor schijnzelfstandigheid — het wordt zzp’ers met enige regelmaat aangeraden door adviseurs en tussenpersonen die er een dienst of constructie bij verkopen. Twee verse rechtszaken laten zien dat die belofte niet houdbaar is. In 2025 daalde het aantal zzp’ers bovendien voor het eerst in jaren, met 62.000 volgens het CBS, deels doordat zelfstandigen verdergingen als werknemer nadat de Belastingdienst de handhaving op schijnzelfstandigheid per januari 2025 aanscherpte. Juist in dat klimaat is de vraag wat een BV-constructie werkelijk waard is, voor veel zelfstandigen actueel.

Voor veel zelfstandigen voelt die BV als een buffer: een juridische laag tussen henzelf en de opdrachtgever. Twee rechters bogen zich kort na elkaar over de vraag wat die laag waard is. De Rechtbank Limburg oordeelde op 2 december 2025 dat een opdracht via een BV een echte opdracht was; het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zag op 18 mei 2026 juist een verkapt dienstverband. Wie daar tegenstrijdigheid in leest, kijkt naar de verkeerde laag. Beide rechters passen exact hetzelfde kader toe — de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad. Het verschil zit niet in het recht, maar in de feiten.

Magazijnwerk in bedrijfskleding, en toch geen werknemer

In de Limburgse zaak had een man vanaf januari 2023 werk verricht voor logistiek dienstverlener Humby, op basis van een managementovereenkomst tussen Humby en zijn eigen BV. De afspraak was commercieel werk, maar in de praktijk stond hij vooral in de loods — in bedrijfskleding met het Humby-logo en met een visitekaartje van Humby. Op papier de klassieke kenmerken van een dienstverband.

Toch oordeelde de kantonrechter: geen arbeidsovereenkomst. De doorslag gaf het ondernemerschap. De man bezat 25 procent van de aandelen in Humby, gekocht voor 230.000 euro. Hij was daarnaast bestuurder en aandeelhouder bij een tweede vennootschap, Indexica, waarvoor hij ook daadwerkelijk werkte. Hij bracht via zijn BV btw in rekening en droeg die af. En hij had jarenlang een onderneming in Azië gedreven. Dat hij in feite maar één opdrachtgever had, woog daar niet tegenop. De kantonrechter hechtte er bovendien gewicht aan dat de contractspartij de BV was en niet de man zelf — en dat arbeid nu eenmaal alleen door een natuurlijk persoon kan worden verricht. Wie zich naar buiten toe, en richting de Belastingdienst, als ondernemer gedraagt, bouwt daarmee een verdedigingslinie op.

Een accountant via zijn BV: wél werknemer

De zaak bij het hof in Leeuwarden liep precies omgekeerd af. Een registeraccountant ging per januari 2025 aan de slag bij een accountantskantoor, via een opdrachtovereenkomst met zijn persoonlijke BV. Hij werkte er vrijwel voltijds — drie dagen op kantoor, twee dagen elders of thuis — aan kernwerk van het kantoor, kon niet zonder toestemming voor anderen werken, kreeg een vaste maandvergoeding ongeacht het aantal uren, en trad naar binnen en buiten op onder de vlag van het kantoor. Geen tweede opdrachtgever, geen eigen bedrijfsmiddelen, geen ondernemersrisico.

Het hof keek dwars door de constructie heen. Waar de Limburgse rechter het BV-argument liet meewegen in het voordeel van de opdracht, veegde het hof het hier juist van tafel: de BV-tussenlaag was, in de woorden van de rechter, “enkel vanuit fiscaal aantrekkelijk oogpunt” opgezet en stond herkwalificatie naar een arbeidsovereenkomst niet in de weg. Dat partijen op papier hadden afgesproken géén arbeidsovereenkomst te willen, en dat de accountant zich daar later niet op zou beroepen, maakte niets uit. Artikel 7:610 BW is dwingend recht: de feiten bepalen de kwalificatie, niet de wens van partijen.

Je hoge tarief telt na herkwalificatie niet zomaar als loon

Dan komt een tweede vraag, en die raakt de portemonnee. Blijkt een opdracht achteraf een dienstverband, welk loon geldt dan? Het hof noemde het gedrag van de accountant “weinig sympathiek en opportunistisch”: hij koos welbewust voor de fee-constructie vanwege het fiscale voordeel, en riep pas de arbeidsbescherming in toen het kantoor de samenwerking eerder beëindigde dan hem uitkwam. Toch kreeg hij die bescherming, want dwingend recht laat de rechter geen keuze. Dat de rechter hard oordeelt over zijn draai, laat tegelijk zien hoe een systeem dat zelfstandigen in zulke constructies duwt zich uiteindelijk tegen henzelf kan keren.

Maar bij het loon trok het hof een streep. De maandfee van 13.445 euro werd níét één-op-één vertaald naar arbeidsloon. Een zzp-tarief is een all-in beloning, waarin de zelfstandige het ontbreken van ontslagbescherming, doorbetaling bij ziekte en verzekeringen meeprijst. Dat tarief klakkeloos als brutoloon overnemen en er vervolgens nog vakantiegeld en toeslagen bovenop stapelen, hoeft niet redelijk te zijn. Artikel 7:618 BW bepaalt dat bij gebrek aan een afgesproken loon het gebruikelijke, en anders een billijk loon geldt. In die fee van 13.445 euro zat volgens het hof ook een vergoeding voor diezelfde zaken die bij een dienstverband wegvallen. Die waarde schatte het hof op 2.500 euro per maand en haalde het van de fee af. Zo resteerde een all-in arbeidsloon van 10.945 euro per maand — de basis voor de transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Rechters kiezen hierin niet steeds dezelfde route. Het Hof Amsterdam, naar wiens rechtspraak de Leeuwarder uitspraak verwijst, verwierp eveneens het zzp-tarief als loonmaatstaf, maar greep terug op het laatst verdiende uurloon uit een eerder dienstverband, gecorrigeerd met cao-verhogingen. De rode draad is identiek: het verschil tussen fee en loon — de premie voor het zelf dragen van risico’s, voor arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioen — verdampt bij herkwalificatie. De zzp’er krijgt de werknemersbescherming, maar niet het bijbehorende hogere bedrag. Het tarief beschermt dus niet tegen herkwalificatie; het wordt er juist deels door teruggerekend.

Waarom dit telt in het handhavingstijdperk

De twee uitspraken samen tekenen een patroon dat al jaren door de rechtspraak loopt en met de actuele handhaving alleen scherper wordt. Sinds januari 2025 handhaaft de Belastingdienst schijnzelfstandigheid weer actief, en het wettelijk kader is volop in beweging. In dat klimaat is de management-BV of persoonlijke holding geen schild. Rechters kijken naar de feitelijke verhouding, niet naar de juridische verpakking.

Daarbij past één nuance die zzp’ers scherp moeten houden: een civiele uitspraak over de vraag of er een arbeidsovereenkomst is, bindt de Belastingdienst niet automatisch. Civiele kwalificatie en fiscale behandeling zijn aparte sporen. Dat een rechter een relatie civielrechtelijk als opdracht ziet, sluit een andere fiscale beoordeling niet op voorhand uit — en omgekeerd. De Humby-uitkomst betekent dus niet dat daarmee elke fiscale vraag is beslecht.

Het verschil tussen de twee zaken zat niet in de slimheid van het contract, maar in de werkelijkheid erachter. Dat is precies wat het Uber-arrest van februari 2025 als gezichtspunt versterkte. Voor de zzp’er die zich afvraagt hoe stevig hij staat, ligt daar ook de enige echte houvast: niet de rechtsvorm, maar het ondernemerschap erachter. Wie meerdere opdrachtgevers heeft, eigen risico draagt, zelf investeert en zich naar buiten en richting Belastingdienst zichtbaar als ondernemer gedraagt, bouwt een verdediging op die een contract of een BV nooit alleen kan bieden. Wie alleen op de structuur leunt en verder als werknemer functioneert, staat zwak. De accountant verloor zijn zelfstandigheid ondanks de constructie, niet dankzij. De ondernemer bij Humby behield die dankzij echt ondernemerschap, niet dankzij de BV. Voor wie een kant-en-klare oplossing zoekt is dat geen prettige boodschap, maar het is wel waar de rechtspraak op uitkomt.

Bron: Rechtbank Limburg · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Hof Amsterdam · CBS

Deel dit bericht via:

Aartsen belooft de zzp’er ruimte, de intermediairs prijzen Aartsen — en innen de marge

Paneldiscussie aan een vergadertafel met microfoon en documenten
Beeld: Emre Gokceoglu (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie) was maandag 1 juni hoofdgast van ArbeidsmarktPoort in perscentrum Nieuwspoort in Den Haag. Het thema van de middag was “duidelijke arbeidsmarktregelgeving” — een breed arbeidsmarktdebat waarin het zzp-dossier een van de hoofdonderwerpen was, naast arbeidsmigratie en de krapte op de markt. Aanwezigen beschrijven de sfeer eensgezind als positief en energiek. Volgens deelnemers noemde de minister “politieke lef” als de beslissende factor om de arbeidsmarkt te hervormen, en benadrukte hij dat investeren in mensen cruciaal wordt.

Dat de boodschap goed viel, is geen toeval. ArbeidsmarktPoort is een initiatief van ONL voor Ondernemers, de Bovib (branchevereniging voor intermediairs en brokers) en de VvDN (Vereniging van Detacheerders Nederland). In de paneldiscussie, geleid door voormalig ONL-voorman Hans Biesheuvel, zat Aartsen aan tafel met ONL-voorman Erik Ziengs, Saskia Kapper (Bovib) en Edwin van den Elst (VvDN). Het is, met andere woorden, een podium van en voor de partijen die tússen de opdrachtgever en de zzp’er staan: detacheerders, bemiddelaars en brokers.

Wie claimt hier het belang van de zzp’er?

En daar wringt het. Want vrijwel iedereen op dat podium spreekt namens “de zelfstandige” — maar bijna niemand ís het. Aartsen presenteert zijn koers als bescherming en ruimte voor de zzp’er. De brancheverenigingen van intermediairs scharen zich er enthousiast achter, omdat duidelijkheid over de status van de zzp’er hun markt voorspelbaarder maakt. Verslagen van aanwezige detacheerders en interimbemiddelaars spreken van “voorzichtig optimisme” en een markt die “langzaam loskomt”. Het tegengeluid kwam niet van het podium, maar van een buitenstaander in de zaal: het Comité ZZP, dat naar eigen zeggen aanwezig was, herhaalde in reactie op de middag zijn oproep om de handhaving stop te zetten — met het argument dat zolang er geen heldere, stabiele regels zijn, streng handhaven onverstandig is. Volgens het comité raakt de handhaving in de praktijk niet de schijnconstructie, maar de bewuste zelfstandige zelf.

Dat contrast is veelzeggend. De partijen die het meest tevreden naar buiten kwamen, zijn de partijen die verdienen aan de bemiddeling tussen zzp’er en opdrachtgever. De zelfstandige die rechtstreeks factureerde en nu via een tussenpartij moet werken, ervaart vooral één ding: een hap uit het tarief.

De ruimte verdwijnt precies bij de partijen die haar bejubelen

Dit is het patroon dat in de feestelijke framing van ArbeidsmarktPoort onzichtbaar blijft. De strengere handhaving op schijnzelfstandigheid, die sinds 1 januari 2025 doorloopt en sinds 1 januari 2026 vergrijpboetes kent bij opzet of grove schuld, drijft opdrachtgevers en zzp’ers steeds vaker richting een tussenpersoon. Uit eerder onderzoek dat ZZP Nieuws besprak blijkt dat ongeveer 40 procent van de zzp’ers inmiddels via een tussenpartij werkt, terwijl ruim de helft dat liever anders zou zien. Zij accepteren het uit noodzaak, niet uit keuze.

Die noodzaak heeft een prijskaartje. In haar inbreng voor het commissiedebat schetst de Vereniging Zelfstandigen Nederland het voorbeeld van een software-architect die drie jaar rechtstreeks voor een gemeente werkte en onder de WTTA — die per 1 januari 2027 ingaat — gedwongen zou zijn via een erkend detacheringsbureau te werken, tegen een marge van 18 procent. Het is een illustratie, geen voldongen feit, maar het mechanisme is nu al zichtbaar: hoe strenger de handhaving op directe zzp-inhuur, hoe groter de duw richting bemiddelaars die een deel van het tarief afromen zonder dat de zzp’er daar inhoudelijk iets voor terugkrijgt. En de uitweg die adviseurs en tussenpersonen daartegen aanprijzen — werken via een eigen BV — biedt juridisch geen bescherming: twee recente uitspraken laten zien dat de BV-constructie de toets op schijnzelfstandigheid niet tegenhoudt. De Belastingdienst erkent die dynamiek zelf: in het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 staat expliciet dat onderzoek wordt gedaan naar de hele keten van opdrachtgever, intermediair en zzp’er.

Daarmee ontstaat de scherpe tegenstelling die op 1 juni grotendeels onbesproken bleef. De minister belooft ruimte voor de zelfstandige. Het beleid dat hij verdedigt, knijpt die ruimte juist dicht bij de groep zzp’ers die geen sterke onderhandelingspositie heeft — en sluist een deel van hun inkomen door naar precies de schakels die zijn boodschap het luidst toejuichen. De intermediairs zijn niet de slachtoffers van het handhavingsbeleid; ze zijn er de structurele begunstigden van.

De overheid maakt voor zichzelf weer ruimte

Veelzeggend is een aankondiging die meerdere aanwezigen optekenden. Volgens deelnemers kondigde Aartsen aan dat er binnen enkele weken een nieuwe leidraad komt voor de inhuur van zelfstandigen bij de overheid, ter vervanging van de huidige leidraad die nog op het ingetrokken wetsvoorstel VBAR is gebaseerd. Het signaal dat aanwezigen daaruit oppikten: overheidsorganisaties moeten zzp’ers niet langer categorisch weigeren.

Die boodschap legt de tegenstelling bloot. Terwijl de private markt onder de handhavingsdruk juist terughoudender werd met directe inhuur — met de gang naar tussenpersonen als gevolg — wil de overheid voor haar eigen inkoop de directe deur weer openzetten. De Rijksoverheid heeft het aantal potentieel schijnzelfstandigen in eigen huis het afgelopen jaar fors teruggebracht, juist omdat zij het goede voorbeeld wilde geven. Nu lijkt diezelfde overheid op zoek naar een route terug. Wat voor de overheid als werkbare flexibiliteit wordt gepresenteerd, blijft voor de zzp’er op de private markt een risico waarvoor opdrachtgevers terugschrikken.

Wat verandert er nu echt na 1 juni?

Voor de praktijk van de zzp’er verandert er na deze middag niets. Er is geen nieuw wetsvoorstel, geen gewijzigde datum, geen aangepast handhavingskader uit voortgekomen. De Zelfstandigenwet blijft beoogd voor 1 januari 2028, de handhaving loopt onveranderd door op het kader van de Deliveroo- en Uber-criteria, en de aanpassing van de webmodule beoordeling arbeidsrelaties die Aartsen op 9 april aankondigde verandert niets aan dat kader. Wie ruim boven de 38 euro per uur werkt en een aantoonbaar zelfstandige praktijk runt, hoeft op korte termijn weinig te vrezen. De aangekondigde inhuur-leidraad voor de overheid moet zich nog bewijzen; tot publicatie is het een toezegging, geen regel.

Wat 1 juni wel liet zien, is wie het podium krijgt in het Haagse debat over zzp-beleid — en wie niet. Zolang de minister “ruimte voor de zzp’er” vooral bespreekt met de brancheverenigingen die aan dat tarief verdienen, en niet met de zelfstandigen die de marge betalen, blijft de meest fundamentele vraag onbeantwoord: voor wie is die ruimte eigenlijk bedoeld?

Bron: Nieuwspoort · ONL voor Ondernemers · Rijksoverheid · Belastingdienst

Deel dit bericht via:

Overheid wil dat zzp’ers beleggen voor hun pensioen, maar box 3 straft juist dat gedrag af

Zelfstandige berekent met laptop en rekenmachine wat de nieuwe box 3-regels betekenen voor haar beleggingen
Beeld: Microsoft 365 (Unsplash), redactie ZZP Nieuws © 2026

Beleggen voor je pensioen klinkt als gezond verstand, en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) moedigde het begin mei nog actief aan. Maar wie als zelfstandige zonder personeel dat advies klakkeloos opvolgt en in box 3 gaat beleggen, loopt aan tegen een belastingstelsel dat precies dat gedrag afremt. De nieuwe box 3-regels roomen een fors deel van het rendement jaarlijks af, nog voordat die winst is gerealiseerd. Tegelijk bestaat er voor zzp’ers een fiscaal veel gunstiger route. Die wordt alleen nauwelijks benut.

De AFM stelde begin mei dat ruim 800.000 huishoudens tussen de 35 en 67 jaar genoeg spaargeld hebben om te beleggen, maar dat niet doen. Tegelijk bouwen ze in de eerste en tweede pensioenpijler te weinig op om hun levensstandaard na pensionering vast te houden. Voor zelfstandigen weegt dat zwaar: zij bouwen geen pensioen op via een werkgever en moeten hun oudedag zelf regelen. De mogelijkheden om dat fiscaal voordelig te doen zijn er wel, maar de praktijk blijft daarbij achter.

Toch speelt dit nadrukkelijk niet voor elke zzp’er. Wie maandelijks de eindjes aan elkaar moet knopen, en dat is in sectoren als de bouw, schoonmaak en zorg een grote groep, komt aan beleggen niet eens toe. Maar wie al wat langer voor zichzelf werkt, heeft over de jaren vaak wél een spaar- of beleggingspotje opgebouwd. Denk aan de buffer voor mindere maanden, of het appeltje voor de dorst dat niet tegen de schrale spaarrente moet wegteren terwijl de inflatie eraan knaagt. Juist voor die zelfstandige, die zijn geld laat renderen zonder het vast te zetten in een pensioencontract waar hij niet meer bij kan, zijn de nieuwe box 3-regels direct relevant.

Van belasting op een fictief rendement naar belasting op je echte winst

De kern van de verandering zit in waarover je wordt belast. In het huidige stelsel rekent de Belastingdienst met een fictief rendement: de fiscus gaat uit van een verondersteld rendement op je vermogen en heft daarover, ongeacht wat je werkelijk verdiende. Je wordt dus niet belast op je werkelijke koerswinst, maar op een aanname die gekoppeld is aan je vermogen op de peildatum van 1 januari. Of je aandelen dat jaar nu stegen of daalden, voor de heffing maakt dat in beginsel niet uit. Sinds het zogenoemde Kerstarrest geldt wel een tegenbewijsregeling: kun je aantonen dat je werkelijke rendement lager was, dan mag je dat lagere bedrag aanhouden. Bovendien blijft een deel van je vermogen onbelast door het heffingvrije vermogen. Dat is in 2026 vastgesteld op 57.684 euro per persoon, en het dubbele voor fiscale partners.

Vanaf 2028 verdwijnt dat fictieve rendement. De Wet werkelijk rendement box 3 belast je werkelijke rendement: de rente, het dividend en de huur die je ontvangt, plus de waardestijging van je vermogen. Het voorgestelde tarief is opnieuw 36 procent, maar het heffingvrije vermogen verdwijnt en wordt vervangen door een veel kleiner heffingvrij resultaat van 1.800 euro per persoon. Het tarief verandert dus niet, maar de grondslag wel ingrijpend.

Wat dat betekent, laat zich het best in de orde van grootte zien. Wie nu belegt, betaalt belasting over een verondersteld rendement, en door het heffingvrije vermogen blijft die aanslag bij een vermogen van rond een ton relatief beperkt. Vanaf 2028 wordt de werkelijke winst de grondslag, terwijl de vrijstelling fors kleiner wordt. In een gemiddeld beursjaar kan de aanslag daardoor ruwweg verdubbelen, en in een topjaar met een rendement van vijftien of twintig procent loopt het verschil veel verder op. Het oude stelsel belastte in zo’n goed jaar immers nog steeds maar een verondersteld rendement, hoe hoog je winst ook was. Andersom geldt: in een slecht jaar biedt de tegenbewijsregeling nu juist verlichting. De precieze bedragen hangen af van de geldende forfaits, je persoonlijke situatie en het uiteindelijke wetsontwerp. Wat telt is het mechanisme, en dat verschuift onmiskenbaar in het nadeel van wie voor de lange termijn belegt.

Hoe de afroming op de lange termijn doorwerkt

Het pijnpunt voor wie voor zijn pensioen belegt, zit niet alleen in dat ene jaar. De nieuwe systematiek is een vermogensaanwasbelasting: ook de waardestijging van beleggingen die je nog helemaal niet hebt verkocht, wordt jaarlijks belast. Je betaalt dus belasting over winst die alleen op papier bestaat. Voor langetermijnbeleggen, precies wat de AFM aanraadt, knaagt die jaarlijkse heffing aan het rente-op-rente-effect dat dit soort beleggen zo krachtig maakt.

Financieel expert Kapé Breukelaar van FiscAlert rekende voor wat dat over een mensenleven kan betekenen. In zijn voorbeeld, uitgaande van een ton aan vermogen, een beleggingshorizon van twintig jaar en een rendement van 8 procent, trekt de fiscus onderweg naar de pensioendatum ruim 45 procent weg van het rendement op de inleg. De Belastingdienst haalt in dat voorbeeld zo’n 31.000 euro meer op dan onder het huidige stelsel. Tel je het misgelopen rendement over die extra heffing mee, dan loopt het verschil in opgebouwd eindkapitaal op tot ongeveer 70.000 euro. Het gaat om één berekening met eigen aannames, maar de richting is duidelijk: hoe verder je van je pensioen af zit, hoe zwaarder de jaarlijkse afroming aantikt.

Pensioenadviseur en advocaat Theo Gommer noemde de systematiek strijdig met goed koopmansgebruik: de Belastingdienst rekent af voordat de winst binnen is. Belastingadviseur Cor Overduin, die sprak tijdens een deskundigenbijeenkomst in de Eerste Kamer, wees op de tegenstrijdigheid dat de overheid wil dat mensen zichzelf financieel beter redden, maar beleggen vervolgens fiscaal afstraft.

De vraag die zzp’ers zich nu stellen: is het risico nog de moeite waard?

Daarmee dringt zich een vraag op die je in steeds meer ondernemerskringen hoort. Beleggen brengt risico met zich mee: koersen kunnen dalen, en in een slecht jaar verlies je een deel van je inleg. Dat risico nam je als belegger altijd voor lief, omdat het verwachte rendement op de lange termijn ertegenop weegt. Maar als de fiscus straks een aanzienlijk groter deel van dat rendement afroomt, verschuift de verhouding tussen risico en opbrengst. Het risico blijft volledig bij jou, terwijl een grotere hap van de winst naar de Belastingdienst gaat.

Voor een zelfstandige die zijn oudedag zelf moet regelen, is dat geen abstracte som. Het is de afweging of het de moeite waard is om spaargeld bloot te stellen aan beursrisico, wanneer het netto wat overblijft fors lager uitvalt dan een paar jaar geleden. Juist die afweging maakt de keuze tussen beleggen in box 3 en een fiscaal beschermde route belangrijker dan ooit.

De fiscaal slimme route bestaat al, maar wordt nauwelijks benut

Want de gunstige uitweg ligt voor de hand. Werknemers bouwen verplicht pensioen op via hun werkgever, waarbij de omkeerregel geldt: de inleg is onbelast en pas de latere uitkering wordt in box 1 belast, doorgaans tegen een lager tarief. Zzp’ers kunnen diezelfde route bewandelen via een lijfrente of pensioenbeleggen. De inleg is dan aftrekbaar in box 1, het opgebouwde vermogen telt niet mee in box 3, en je rekent pas af bij uitkering. Hoeveel je jaarlijks met belastingvoordeel mag inleggen, hangt af van je zogenoemde jaarruimte. Toch laten zzp’ers daarmee jaarlijks duizenden euro’s belastingvoordeel liggen, omdat ze die ruimte niet benutten. Beleggen via box 1 is voor de oude dag fiscaal voor de meeste zelfstandigen voordeliger dan beleggen in box 3.

Toch kiest maar een minderheid voor zo’n product. Slechts één op de vier zzp’ers heeft een echt pensioenproduct afgesloten, en een nog kleinere groep stort daadwerkelijk premie. De redenen zijn bekend: het aanbod is ondoorzichtig, de fiscale regels zijn onduidelijk, en veel zelfstandigen stellen de keuze daarom uit. Sommige pensioenaanbieders nuanceren de ophef over box 3 dan ook. Volgens Sjaak Zonneveld van pensioenaanbieder BrightPensioen, dat naar eigen zeggen begin dit jaar fors meer ondernemersklanten kreeg, komt de boosheid vooral van opiniemakers. Ondernemers die zich in pensioen verdiepen weten dat beleggen in box 1 slimmer is, en dan speelt de box 3-heffing nauwelijks een rol.

Het echte probleem is dus niet alleen de heffing, maar dat de gunstige uitweg te weinig wordt gevonden. En aan die uitweg zit een prijs: het ingelegde geld zit jarenlang vast en is niet vrij opneembaar. Emeritus hoogleraar en fiscalist Peter Kavelaars wees erop dat juist kleinere ondernemers en zzp’ers die middelen vaak niet kunnen missen, of hun geld beschikbaar willen houden voor investeringen. Box 3 biedt die flexibiliteit wel, maar geniet vrij vermogen niet de bescherming die een lijfrente in veel gevallen tegen schuldeisers wel biedt. De zelfstandige kiest zo tussen flexibiliteit zonder fiscaal voordeel en fiscaal voordeel zonder flexibiliteit, een afweging die een werknemer met een collectief pensioen nooit hoeft te maken.

De regels zelf staan nog niet vast

Wat de keuze extra ongemakkelijk maakt, is dat de spelregels niet eens vaststaan. De Tweede Kamer nam de Wet werkelijk rendement box 3 op 12 februari 2026 aan, met als beoogde ingangsdatum 1 januari 2028. Maar daarna kondigde het kabinet aan het voorstel te willen aanpassen, omdat het vreesde dat de Eerste Kamer het in deze vorm zou verwerpen. Tijdens de deskundigenbijeenkomsten in de Eerste Kamer op 19 mei 2026 bleek een meerderheid van de senatoren weinig te voelen voor het jaarlijks belasten van papieren winsten. De commissie voor Financiën leverde op 26 mei haar schriftelijke inbreng voor het tweede verslag; een stemming heeft nog niet plaatsgevonden. De plenaire behandeling staat voorlopig met potlood gepland voor 23 juni, al groeit in de senaat de twijfel of behandeling vóór de zomer wel zinvol is. Het kabinet houdt vast aan invoering per 2028, maar wil het stelsel daarna verder ontwikkelen richting een volledige vermogenswinstbelasting, waarbij pas wordt afgerekend bij verkoop.

Voor een zzp’er die nu nadenkt over de oude dag betekent dat het volgende: het advies om te beleggen komt van de toezichthouder, maar de fiscale prijs van dat advies hangt af van een wet die nog kan kantelen. Dat de onvrede diep zit, blijkt uit de toon van het debat: in ondernemerskringen valt zelfs af en toe het woord emigratie. Voor de doorsnee zzp’er is dat geen realistische route, maar het tekent hoe zwaar de combinatie van onzekerheid en hogere heffing voelt. De keuze tussen box 1 en box 3, tussen vastzetten en flexibel houden, moet hoe dan ook worden gemaakt terwijl de bodem onder het stelsel beweegt.

Voor de zzp’er met een buffer is de boodschap intussen niet dat beleggen onverstandig is, maar dat de vorm waarin je het doet zwaarder weegt dan de vraag óf je het doet. Wie overweegt zijn oudedag deels via de beurs op te bouwen, doet er goed aan eerst de eigen situatie te laten doorrekenen, het verschil tussen box 1 en box 3 scherp te krijgen en pas daarna te kiezen. Want ook stilzitten en afwachten tot het stelsel is uitgekristalliseerd is een keuze, en ook die kost rendement.

Bron: Autoriteit Financiële Markten · Rijksoverheid · Eerste Kamer · FiscAlert

Deel dit bericht via:

Defensie trekt zzp’ers aan met tarieven boven de markt, terwijl inhuur elders krimpt

Brett Sayles (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026
Brett Sayles (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Terwijl de markt voor zzp-inhuur krimpt, trekt het ministerie van Defensie juist actief zelfstandigen aan — en betaalt daarvoor tarieven boven het marktniveau. Vooral in IT en cybersecurity vinden zelfstandigen hun weg naar Defensie, dat de komende jaren fors uitbreidt. Volgens HR-techbedrijf HeadFirst Group, dat het signaal afgaf in een interview met BNR, maakten bijna achthonderd zelfstandigen recent de overstap, waarvan meer dan de helft uit de publieke sector of de zakelijke dienstverlening kwam.

Datamanager Ton Sluiter van HeadFirst stelt dat de tarieven die Defensie aan zelfstandigen betaalt het afgelopen jaar met ongeveer 8 procent stegen, tegen zo’n 2 procent in de rest van de markt, en dat opdrachten er bijna twee keer zo lang duren als in het bedrijfsleven. Die cijfers komen van HeadFirst zelf en zijn niet onafhankelijk vastgesteld. Wel sluiten ze aan op een controleerbaar feit: Defensie zette begin 2026 een nieuwe raamovereenkomst voor ICT-inhuur in de markt met een geraamde waarde van rond de één miljard euro over vier jaar, gegund aan tien intermediairs.

Een uitzondering tegen de markttrend in

Het contrast met de rest van de inhuurmarkt maakt dit relevant. In het eerste kwartaal van 2026 nam het totale aantal opdrachten voor zelfstandigen met 12 procent af, en het aantal zzp’ers daalt voor het eerst in jaren — mede door de hervatte handhaving op schijnzelfstandigheid sinds begin 2025. Een grote opdrachtgever die juist méér zelfstandigen aantrekt en daar hogere tarieven voor neerlegt, is dan een uitgesproken uitzondering. De keerzijde: het talent dat naar Defensie schuift, vertrekt grotendeels uit sectoren die zelf al kampen met tekorten. De schaarste wordt zo niet opgelost, maar verplaatst.

Het Defensie-tarief is niet wat de zzp’er overhoudt

Voor een zelfstandige met schaarse digitale expertise is Defensie een serieuze optie, maar het tarief dat het ministerie betaalt is niet het tarief dat bij de zzp’er terechtkomt. Opdrachten lopen vrijwel altijd via de gegunde intermediairs, en tussen het bedrag dat Defensie afrekent en het uurtarief van de zelfstandige zit een marge voor de bemiddelende partij. De Vereniging Zelfstandigen Nederland signaleerde eerder dit jaar dat marges van 15 tot 25 procent in constructies met tussenpartijen gangbaar zijn. Een tariefstijging van 8 procent aan de inkoopkant vertaalt zich dus niet één op één naar het inkomen: wie het werkelijke rendement wil weten, kijkt naar wat er ná die marge overblijft.

Daarmee illustreert Defensie hoe groot de verschillen binnen de zzp-markt zijn geworden. Zelfstandigen met schaarse, hoogwaardige expertise zien hun positie verstevigen, terwijl het bredere middenveld de gevolgen voelt van krimpende inhuur en strengere handhaving — een arbeidsmarkt die in twee richtingen tegelijk beweegt.

Bron: HeadFirst Group · BNR Nieuwsradio · Vereniging Zelfstandigen Nederland · TenderNed

Deel dit bericht via:

Tweede Kamer stelt commissiedebat zzp-beleid opnieuw uit — nu naar 24 juni

Lege parlementaire vergaderzaal — illustratiebeeld bij artikel over uitstel commissiedebat zzp-beleid van 28 mei naar 24 juni 2026
Beeld: Jess Chen (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Het commissiedebat over zzp-beleid van donderdag 28 mei 2026 gaat niet door. Officieel heet de bijeenkomst commissiedebat Arbeidsmarktbeleid en arbeidsmarktdiscriminatie, met op de agenda zestien brieven waarvan acht direct of indirect over zzp gaan. De Tweede Kamer heeft het debat verplaatst naar woensdag 24 juni 2026, 18:00 tot 22:00 uur. Dat blijkt uit de herziene convocatie die de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op dinsdag 27 mei publiceerde.

Het is de tweede keer dat dit debat wordt uitgesteld. De oorspronkelijke datum was 15 april 2026; toen werd de bijeenkomst doorgeschoven naar 28 mei vanwege overlap met een plenair debat. Het verzoek tot het tweede uitstel kwam van PVV-Kamerlid Edgar Mulder. De besluitenlijst met de motivering is op moment van publicatie nog niet openbaar.

Op de agenda van 24 juni staan zestien brieven, waarvan acht direct of indirect over zzp-beleid gaan. Daaronder de Kamerbrief Kabinetskoers van rust en duidelijkheid onder zelfstandigen van minister Aartsen van 9 april 2026, de voortgangsbrief werken met en als zelfstandigen, de gedeeltelijke verlenging van de zachte landing bij handhaving op schijnzelfstandigheid, en het wetsvoorstel voor de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. De spreektijd per fractie bedraagt vijf minuten.

De aanwezige bewindspersonen blijven dezelfde: minister Vijlbrief (SZW), minister Aartsen (Werk en Participatie) en staatssecretaris Eerenberg (Financiën).

In de praktijk verandert er voor zzp’ers en opdrachtgevers door dit uitstel niets. De handhaving op schijnzelfstandigheid loopt sinds 1 januari 2025 onveranderd door, met sinds 1 januari 2026 vergrijpboetes bij opzet of grove schuld. De toetsingscriteria zijn niet gewijzigd. Het uitstel betreft alleen het politieke debat — niet de regels waar zzp’ers en hun opdrachtgevers zich vandaag aan moeten houden.

Bron: Tweede Kamer · Rijksoverheid

Deel dit bericht via:

Campagne ‘Toelating Uitleenmarkt’ van start: bemiddelaars hebben gemiddeld 18 verbeterpunten te gaan

Twee personen doorlopen documenten en administratie ter voorbereiding op een Wtta-inspectierapport
Beeld: Pavel Danilyuk (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Zzp’ers die via een detacheerder, payrollbureau of consultancybedrijf werken, krijgen vanaf 2027 indirect met de Wtta te maken. Hun bemiddelaars hebben dan een verplichte toelating nodig van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). Bij bedrijven die nu al een inspectierapport laten opstellen worden gemiddeld achttien grote verbeterpunten geconstateerd. De NAU is op 27 mei 2026 een rijksoverheidscampagne gestart die uitleners en hun opdrachtgevers oproept nog vóór de zomer met de voorbereiding te beginnen.

Voor zzp’ers die direct factureren aan hun opdrachtgever heeft de Wtta zelf geen directe gevolgen. Het toelatingsstelsel treedt op 1 januari 2027 in werking; de Nederlandse Arbeidsinspectie begint een jaar later met handhaven.

Wat dit kan betekenen voor jouw netto-tarief

Voor de toelating moeten loon- en personeelsadministratie volledig op orde zijn, er is een Verklaring Omtrent het Gedrag voor de rechtspersoon nodig en er moet een waarborgsom worden gestort van €100.000 (€50.000 voor starters). Die kosten — plus periodieke inspecties en leges — kunnen deels worden doorberekend aan inleners. Dat raakt de marges van bemiddelaars en daarmee het netto-tarief van zzp’ers die via hen werken. De Vereniging Zelfstandigen Nederland signaleerde in april al dat marges van 15 tot 25 procent in detacheringsconstructies gangbaar zijn.

Tegelijk kan de Wtta opdrachtgevers richting directe zzp-samenwerking duwen — een mogelijk waterbedeffect dat advocaat Joost van Ladesteijn vorig jaar al benoemde. Het Koninklijk Besluit met de definitieve ingangsdatum verschijnt eind juni 2026. Meer achtergrond, tijdlijn en eisen staan in de kennisbank: Wat betekent WTTA?. De campagne zelf en de stappen voor uitleners staan op toelatinguitleenmarkt.nl.

Bron: Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt · Rijksoverheid

Deel dit bericht via:

Kabinet wil oudedagsreserve zzp’ers opheffen om EU-geld veilig te stellen

Calculator op financiële grafieken met euro-biljetten op tafel, illustratief bij de aangekondigde uitfasering van de fiscale oudedagsreserve
Beeld: Jakub Zerdzicki (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Het kabinet wil de fiscale oudedagsreserve van IB-ondernemers versneld uitfaseren. Niet om de regeling zelf, maar als wisselgeld richting Brussel. Zonder die ingreep dreigt Nederland honderden miljoenen euro’s uit het Europese coronaherstelfonds mis te lopen, omdat een hervorming die het kabinet zelf heeft toegezegd niet op tijd af komt.

Dat blijkt uit een brief die minister Eelco Heinen (Financiën, VVD) in de week van 11 mei aan de Tweede Kamer stuurde en die op 18 mei door Het Financieele Dagblad werd onthuld. Heinen meldt daarin dat hij eind deze maand een gewijzigd pakket hervormingen indient bij de Europese Commissie. Een van de wisselstukken in dat pakket: het uitfaseren van de oudedagsreserve, die voor nieuwe toevoegingen al sinds 1 januari 2023 dicht zit.

Een Nederlandse keuze, geen Brussels dictaat

De €5,4 miljard waar Nederland aanspraak op kan maken uit het Herstel- en Veerkrachtplan is grotendeels Nederlands belastinggeld dat via Brussel terugvloeit. Maar de mijlpalen waaraan die uitkering hangt, heeft het kabinet-Rutte IV in 2021 zelf geformuleerd. Brussel heeft het plan beoordeeld en goedgekeurd, niet opgelegd. Per gemiste mijlpaal kan de Europese Commissie ruim €600 miljoen korten op de uitkering, op basis van een kortingsmethodologie die Heinen vorig jaar nog uitvoerig aan de Tweede Kamer heeft toegelicht.

Vier dossiers leveren nu problemen op: de regiewet voor volkshuisvesting, de wet die zzp-schap afbakent, de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers, en het versnellingsbesluit voor elektriciteitsprojecten. Heinen heeft de Tweede Kamer in januari al uitvoerig geïnformeerd over welke mijlpalen nog openstaan en welke financiële risico’s daarbij horen. Voor de BAZ-mijlpaal — de verplichte AOV — heeft het kabinet begin mei al een vervanger op tafel gelegd: de Wet meer zekerheid flexwerkers, die de Tweede Kamer op 12 mei aannam. De FOR-uitfasering komt daar nu bij, als aanvullende maatregel waarmee Heinen Brussel hoopt te overtuigen om akkoord te gaan.

Hoe de oudedagsreserve werkt — en wat verandert

De oudedagsreserve (FOR) was tot 2023 een fiscale aftrekpost voor zzp’ers en andere IB-ondernemers. Wie aan het urencriterium voldeed, mocht jaarlijks een deel van de winst boekhoudkundig opzij zetten als reserve voor later. Het bedrag bleef in de onderneming en de inkomstenbelasting erover werd uitgesteld tot het moment van staking, pensionering of overlijden — tenzij het tegen die tijd werd omgezet in een lijfrente, waarna de belasting pas bij uitkering verschuldigd was.

Per 1 januari 2023 ging de regeling dicht voor nieuwe opbouw. Bestaande standen mochten op de balans blijven staan en werden volgens het overgangsrecht (artikel 10a.29 Wet IB 2001) afgewikkeld onder de oude regels. Dat overgangsrecht zou volgens de wet pas in 2037 vervallen — ruim de tijd dus om een lopende FOR netjes af te bouwen.

Dat is precies wat het kabinet nu wil verkorten. Hoe ver, wanneer en met welke fiscale gevolgen — verplichte vrijval over een vaste periode, een nieuwe einddatum, een gefaseerde belastingheffing — staat niet in de Kamerbrief zoals die nu via het FD bekend is. De uitwerking volgt in een wetsvoorstel.

Wel staat vast dat het om aanzienlijke bedragen kan gaan. Het FOR-maximum was in 2022 €9.632 per jaar; wie meerdere jaren maximaal heeft gereserveerd, heeft tienduizenden euro’s aan uitgestelde belastingschuld op de balans. Een ondernemer die vijf jaar het maximum opzij heeft gezet, heeft bijvoorbeeld bijna €48.000 staan. Bij vrijval valt dat bedrag in één keer bij de winst, en wordt er — afhankelijk van het overige inkomen — al snel €18.000 tot €23.000 belasting over geheven. Tenzij er liquide middelen zijn om een lijfrente mee te financieren, want dat is de enige route om de heffing alsnog uit te stellen. En liquide middelen zijn er bij de FOR per definitie niet, want dat geld is in de onderneming achtergebleven.

Derde fiscale klap in vier jaar tijd

Voor zzp’ers is dit niet het eerste fiscale verlies in korte tijd. De zelfstandigenaftrek is afgebouwd van €6.310 in 2022 naar €1.200 in 2026, en gaat in 2027 verder omlaag naar €900. De FOR werd in 2023 dichtgezet voor nieuwe opbouw. In april 2026 maakte het kabinet bekend dat de startersaftrek per 2027 wordt afgeschaft en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek versoberd. En nu komen ook de bestaande FOR-standen alsnog op het Brusselse onderhandelingsbord.

Maar er is een verschil met eerdere ingrepen. De zelfstandigenaftrek, de startersaftrek en de FOR-stop raakten allemaal toekomstige fiscale ruimte: minder aftrekken, geen nieuwe opbouw, lagere drempels. Voorspelbaar, en met overgangstermijnen waarop ondernemers konden plannen. De FOR-uitfasering werkt anders. Die treft een bedrag dat ondernemers in de jaren tot 2023 hebben opgebouwd op basis van regels die het kabinet zelf heeft vastgesteld — mét een wettelijke overgangsregeling die tot 2037 zou doorlopen. Die regeling wordt nu opengebroken, niet vanwege fiscale heroverweging, maar omdat een andere wet niet op tijd af komt.

Brussel als breekijzer

Het Herstel- en Veerkrachtplan was in 2020 bedoeld om Europese economieën te ondersteunen na de coronapandemie. Vijf jaar later is het in Nederland steeds vaker de stok waarmee zzp-dossiers door de Kamer worden geduwd. Eerst werd het verduidelijkingsdeel van de VBAR geschrapt en vervangen door het rechtsvermoeden bij laag uurtarief, met spoed door beide Kamers gejaagd onder verwijzing naar de EU-deadline. Toen werd de Wet meer zekerheid flexwerkers ingeruild voor de verplichte AOV-mijlpaal. En nu wordt een fiscale regeling die helemaal niets met arbeidsmarktbeleid te maken heeft — de afwikkeling van de FOR — onder diezelfde deadline gebracht.

Dat de Commissie naar verwachting akkoord gaat, is geen vergezicht. Andere lidstaten hebben hun plan al eens herzien, soms meerdere keren, en de Commissie hanteert daar in de praktijk een ruime opstelling bij zolang er een aantoonbaar alternatief is. Heinen rekent op die ruimte. Maar het politieke ongemak ligt niet in Brussel. Het ligt in Den Haag, waar het kabinet de Eerste en Tweede Kamer moet uitleggen waarom een fiscale belofte uit 2023 alsnog wordt teruggedraaid — als wisselgeld voor een arbeidsmarktwet die het zelf niet op tijd kon afmaken.

Wat zzp’ers met een FOR nu kunnen doen

Voor zzp’ers met een FOR op de balans is het verstandig om niet te wachten tot het wetsvoorstel publiek wordt. De huidige regels staan vrijwillige omzetting in een lijfrente nog toe, fiscaal neutraal: tegenover de afname van de FOR staat een aftrekbare lijfrentepremie, waardoor er per saldo geen heffing plaatsvindt op het moment van omzetting. De belasting wordt dan pas geheven op de uitkeringen, doorgaans op een moment dat het inkomen — en dus het belastingtarief — lager is.

Heinen stuurt zijn wijzigingsverzoek eind mei naar Brussel. Een principeakkoord is volgens hem ambtelijk al rond. De uitwerking in een wetsvoorstel komt pas daarna. Tot die tijd geldt het overgangsrecht uit 2023, en de keuzeruimte die daarmee samenhangt. Een gesprek met een fiscalist of boekhouder — over wat de FOR-stand precies is, welk deel zinvol is om alvast in een lijfrente om te zetten, en welke route bij de eigen leeftijd en pensioenplanning past — kan op dit moment meer opleveren dan na publicatie van een nieuwe wet.

Bron: Het Financieele Dagblad · BNR Nieuwsradio · Rijksoverheid · Tweede Kamer

Deel dit bericht via:

Wtta-invoeringsdatum definitief: 1 januari 2027, handhaving vanaf 2028

Het Binnenhof in Den Haag, gezien vanaf de Hofvijver — waar minister Vijlbrief de Tweede Kamer informeerde over de invoering van de Wtta per 1 januari 2027
Beeld: Julien Lambert (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Minister Hans Vijlbrief (SZW) houdt vast aan 1 januari 2027 als datum van invoering van de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta). Dat schrijft hij in een brief aan de Tweede Kamer van 18 mei 2026. Het Koninklijk Besluit met de definitieve ingangsdatum verschijnt eind juni. De Nederlandse Arbeidsinspectie begint een jaar later, op 1 januari 2028, met handhaving.

De Wtta voert een verplicht toelatingsstelsel in voor bedrijven die arbeidskrachten ter beschikking stellen — uitzendbureaus, detacheerders, payrollbedrijven en in veel gevallen ook consultancy- en IT-dienstverleners die personeel uitlenen aan opdrachtgevers. Voor zelfstandige zzp’ers die direct factureren aan opdrachtgevers heeft de wet geen directe gevolgen. Wie via een bemiddelaar werkt, krijgt er wel indirect mee te maken. Meer achtergrond staat in de kennisbank: Wat betekent WTTA?

Risico’s bekend, maar volgens minister geen reden voor uitstel

Vijlbrief noemt in zijn brief vier risico’s rond de invoering: de tijdige beschikbaarheid van de ICT-infrastructuur bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU), de operationele gereedheid van die organisatie, de gegevensuitwisseling met partijen als de Belastingdienst en de Nederlandse Arbeidsinspectie, en de vraag of er voldoende private inspectiecapaciteit beschikbaar is. De minister noemt de doorlooptijd “krap” maar ziet geen aanwijzingen dat de planning niet wordt gehaald.

Uitstel zou volgens Vijlbrief juist een remmend effect hebben op de voorbereidingen in de markt. “De urgentie van het tegengaan van de misstanden in de uitzendsector weegt zwaarder dan het geringe profijt van uitstel”, aldus de minister. Onderzoeksbureau Regioplan voert nu een herijkingsonderzoek uit naar het te verwachten aantal aanvragen; die resultaten volgen voor de zomer.

Wat verandert er voor zzp’ers via een bemiddelaar

Zzp’ers die hun opdrachten via een detacheerder, payrollbureau of consultancybedrijf lopen, kunnen indirect met de Wtta te maken krijgen. Die bemiddelaars hebben vanaf 2027 een toelating nodig om personeel ter beschikking te stellen. Vanaf 1 januari 2028 mogen opdrachtgevers geen zaken meer doen met bemiddelaars zonder toelating.

De kosten van toelating en periodieke controles kunnen deels worden doorberekend aan inleners. Advocaat Joost van Ladesteijn waarschuwde vorig jaar al voor een waterbedeffect richting zzp-schap als de inhuur via uitleners duurder wordt. De Wtta valt bovendien samen met de intensievere handhaving op schijnzelfstandigheid die de Belastingdienst sinds januari 2026 voert.

Volgende stappen

Eind juni 2026 publiceert het kabinet het Koninklijk Besluit met de definitieve invoeringsdatum. Bureau Gateway voert in het najaar een ‘health check’ uit op de voortgang van de invoering. Eind 2026 stuurt Vijlbrief een nieuwe Stand van de invoering NAU naar de Tweede Kamer.

Bron: Tweede Kamer · Rijksoverheid

Deel dit bericht via:

Waarom de overheid het zzp-schap moeilijker maakt — en zelf de prijs betaalt

Leraar geeft les voor een schoolbord met geometrische formules — illustratiebeeld bij artikel over zzp in het onderwijs en de positie van zelfstandige leerkrachten in het Nederlandse sociale stelsel.
Beeld: Immo Wegmann (Unsplash), redactie ZZP Nieuws © 2026

Vanuit zzp’ers in het onderwijs klinkt steeds vaker dezelfde vraag: waarom mag iemand wel lesgeven, maar alleen in loondienst? Het onderwijs kampt met een hardnekkig lerarentekort, terwijl bevoegde leerkrachten zich als zelfstandige beschikbaar stellen — vaak parttime, vanuit expertise, naast ander werk. Toch wordt hun positie steeds smaller. De aangescherpte handhaving op schijnzelfstandigheid raakt de hele sector, ook zzp’ers die overduidelijk ondernemer zijn. In zorg en onderwijs raken zo precies de mensen buiten beeld waar die sectoren het hardst om zitten te springen.

De verklaring die in dit debat het meest klinkt is een korte: de overheid wil meer belastinggeld binnenkrijgen. Bij loondienst gaan werkgeverslasten automatisch via vaste systemen — premies voor WW, WIA, Zvw en sectorale pensioenfondsen zoals het ABP. Bij zzp komt daar niets van automatisch binnen. Vanuit dat frame is de handhaving op schijnzelfstandigheid een poging om de fiscale derving te beperken.

Dat klopt deels. Maar het mist de helft van het verhaal — en het is precies die andere helft die verklaart waarom de patstelling in het onderwijs en de zorg zo moeilijk te doorbreken is.

Miljarden derving via fiscale ondernemersregelingen — maar afbouw is al jaren gaande

De fiscale kant is concreet. Het CPB raamde in eerder onderzoek dat de aftrekposten voor ondernemers — waaronder zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling en kleinschaligheidsinvesteringsaftrek — de schatkist samen miljarden euro’s per jaar kosten. Specifiek de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling betekenen dat een gemiddelde zzp’er minder belasting betaalt over hetzelfde inkomen dan een werknemer in loondienst.

Het kabinet bouwt die voordelen al jaren versneld af. De zelfstandigenaftrek is sinds 2022 teruggebracht van €6.310 naar €1.200 in 2026, en gaat in 2027 verder naar €900. De Nederlandsche Bank pleitte op 7 mei 2026 voor verdere beperking van fiscale voordelen voor zzp’ers zonder personeel. Maar de fiscale derving is in dit dossier niet het hardste argument. Want dat is in theorie nog op te lossen door tarieven aan te passen — bij zzp’ers of bij werknemers. Het tweede probleem zit dieper.

Het stelsel-argument: sociale zekerheid is gebouwd op één arbeidsvorm

Het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid — WW, WIA, AOW, collectieve pensioenopbouw — is in de jaren vijftig en zestig ontworpen op basis van één uitgangspunt: dat de meerderheid van de werkende bevolking in loondienst zou werken. Werkgevers en werknemers dragen samen premies af, fondsen vullen zich automatisch, en het collectieve risico van ziekte, ouderdom en werkloosheid wordt gespreid.

Zzp’ers passen daar niet in. Niet omdat ze niets afdragen — ze betalen inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw — maar omdat ze niet meedoen aan de premies voor werknemersverzekeringen en niet automatisch pensioen opbouwen. Volgens de CBS-cijfers van januari 2026 zijn er ruim 1,5 miljoen mensen met een hoofdbaan als zelfstandige. Hoe meer zzp’ers, hoe meer mensen buiten de premiekring vallen. En hoe brozer het collectieve stelsel wordt — niet alleen voor de overheid, ook voor de zzp’er zelf bij arbeidsongeschiktheid of ouderdom.

Hoogleraar arbeidsrecht Evert Verhulp formuleerde het in NU.nl scherp: de overheid probeert het belasting- en sociale zekerheidsstelsel te beschermen. Dat is een bredere claim dan alleen “meer belasting willen”, en hij verklaart waarom het kabinet zo vasthoudt aan de huidige koers — ook in sectoren waar het pijn doet.

Onderwijs als testcase: ABP heeft geen vakje voor de zzp-leraar

In het onderwijs zit deze spanning extra strak. Het ABP — het sectorpensioenfonds voor overheid en onderwijs — is historisch gebouwd op het uitgangspunt dat iedereen die voor de klas staat in loondienst werkt. Een zzp-leerkracht die een paar uur per week op een school werkt valt buiten die opbouw. Niet omdat hij niets reserveert voor zijn oude dag — veel zzp’ers doen dat wel, maar via lijfrente, banksparen, een eigen pensioenproduct, beleggingen op de beurs of via aankoop en verhuur van vastgoed — maar omdat het collectieve systeem die afdrachten niet kan verwerken.

Tegelijk worden die alternatieve routes minder vanzelfsprekend. De Wet werkelijk rendement box 3 — op 12 februari 2026 aangenomen door de Tweede Kamer en deze maand bij de Eerste Kamer in behandeling — gaat per 2028 ook ongerealiseerde koerswinsten op aandelen jaarlijks belasten tegen 36%. Voor vastgoed geldt een mildere regeling: pas afrekenen bij verkoop. Maar voor zzp’ers die hun oudedagsvoorziening opbouwen via een beleggingsportefeuille buiten een sectorpensioen om, worden de alternatieven smaller. Uit eerder Knab-onderzoek bleek al dat veel zelfstandigen hun fiscale pensioenruimte onbenut laten — en juist wie nu via beleggingen opbouwt, krijgt straks een ingewikkelder verhaal.

Voor het kabinet is dit precies waar de spanning zit. Een groeiende groep onderwijsprofessionals die buiten het ABP opereert, betekent minder premie-instroom voor het fonds — en dat is wat de overheid wil voorkomen. Niet omdat de zzp’er iets verkeerd doet, maar omdat het collectieve systeem niet is ingericht op andere arbeidsvormen. De keuze om je oudedagsvoorziening zelf in te richten is een kerneigenschap van het ondernemerschap — dat het stelsel daar geen plek voor heeft, is een probleem van het stelsel.

Toch is die vrijheid niet voor elke zzp’er even aantrekkelijk. De Zelfstandigen Enquête Arbeid 2025 liet zien dat 23% van de zzp’ers in pedagogische beroepen liever in loondienst zou werken — ruim twee keer zo hoog als het gemiddelde van 11%. Dat zegt iets over de positie waarin onderwijs- en zorgzelfstandigen zich bevinden: vaak werkend voor één opdrachtgever, met beperkte tariefonderhandeling, in sectoren waar de collectieve arbeidsvoorwaarden historisch sterk verankerd zijn. Voor sommigen is zzp-schap een bewuste keuze, voor anderen een afgedwongen oplossing in een sector waar vaste banen schaars zijn — of juist een tijdelijke route waar ze liever weer uit zouden willen.

De cijfers laten ook de andere kant zien. In het vierde kwartaal van 2025 daalde het aantal zzp’ers in het onderwijs (inclusief particulier en privaat) met 8,8% op jaarbasis. Opdrachtgevers worden voorzichtiger, ook waar dat juridisch niet hoeft. De handhaving werkt — alleen wel breder dan de bedoeling was.

De keuze die het kabinet ontwijkt

De echte vraag in dit dossier is fundamenteel: past het stelsel zich aan aan moderne werkvormen, of past de werkende zich aan aan het stelsel? Tot nu toe kiest het kabinet voor het tweede. De aangescherpte handhaving, de voorbereiding van de Zelfstandigenwet en het rechtsvermoeden van werknemerschap onder 38 euro per uur sturen feitelijk dezelfde kant op: maak zzp moeilijker, krijg meer mensen in loondienst, herstel de premie-instroom.

Een derde optie wordt zelden hardop besproken: zzp’ers een eigen, verplicht afdrachtenstelsel geven dat aansluit op het bestaande sociale zekerheidsstelsel. Een variant daarvan ligt al op tafel met de kabinetsplannen voor een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Daarnaast werkt het kabinet aan een verplichting voor zelfstandigen om ‘adequaat’ pensioen op te bouwen. Maar zolang er geen serieuze hervorming komt van het bredere belasting- en sociale zekerheidsstelsel rond zelfstandigen, blijft het systeem grotendeels op loondienst gericht.

Het gevolg daarvan: in sectoren als onderwijs en zorg blijven opdrachtgevers uit voorzorg afhaken, blijven zzp’ers die overduidelijk ondernemer zijn zich onterecht buitengesloten voelen, en blijft het lerarentekort groter dan nodig. Niet omdat er per se geen leraren beschikbaar zijn — die zijn er ook — maar omdat het stelsel een groot deel van hen niet kan plaatsen. Zolang het kabinet die keuze niet maakt, blijft de patstelling waar Nederland nu in zit. Met of zonder Zelfstandigenwet.

Door Marco Weeber, uitgever en eindredacteur ZZP Nieuws — volgt het zzp-dossier sinds 2014.

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek · De Nederlandsche Bank · Rijksoverheid · NU.nl

Deel dit bericht via:

Verplichte AOV schuift naar achter in EU-plan, Wet rechtsvermoeden krijgt nu spoed

Europese vlaggen bij het Berlaymont-gebouw in Brussel, hoofdkwartier van de Europese Commissie
Beeld: Marco (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

De verplichte AOV voor zzp’ers (BAZ) gaat er nog steeds komen, maar wordt formeel later ingevoerd dan eerder gepland. Dat blijkt uit een Kamerbrief van minister Vijlbrief aan de Eerste Kamer van 12 mei 2026, geschreven op dezelfde dag dat de Tweede Kamer instemde met de Wet meer zekerheid flexwerkers. Tegelijk vraagt minister Aartsen voor Werk en Participatie aan de senaat om spoedbehandeling van de Wet rechtsvermoeden bij laag uurtarief — een wet die zzp’ers met een uurtarief onder 38 euro een nieuw juridisch instrument geeft.

Wat er aan de hand is

Nederland heeft met de Europese Commissie afspraken gemaakt over hervormingen in ruil voor geld uit het Europese Herstel- en Veerkrachtplan. Per mijlpaal die niet wordt gehaald, dreigt een korting van maximaal ruim 600 miljoen euro op de Europese uitkering. Het gaat hierbij in feite om Nederlands belastinggeld dat via Brussel terugvloeit — Nederland is nettobetaler aan de EU en heeft deze hervormingen zelf in het Herstel- en Veerkrachtplan opgenomen. Drie van die mijlpalen hangen samen met zzp-wetgeving: de invoering van de verplichte AOV (BAZ), het rechtsvermoeden bij laag uurtarief, en wetgeving rond schijnzelfstandigheid.

De BAZ-mijlpaal blijkt niet langer haalbaar binnen de EU-deadline. Na ambtelijk overleg is een principeakkoord met de Commissie bereikt: deze mijlpaal kan worden vervangen door de Wet meer zekerheid flexwerkers — mits die wet uiterlijk 31 augustus 2026 in het Staatsblad staat en het onderdeel gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten uiterlijk 31 december 2026 ingaat. Dat is de reden voor de spoed.

Wet rechtsvermoeden: drempel 38 euro per uur

De Wet rechtsvermoeden bij laag uurtarief is op 21 april 2026 aangenomen door de Tweede Kamer en ligt nu bij de Eerste Kamer. De wet introduceert een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst voor zzp’ers met een uurtarief onder 38 euro. Wie onder die grens werkt en zich werknemer wil noemen, kan dat bij de rechter eenvoudiger afdwingen. De opdrachtgever moet vervolgens bewijzen dat er wél sprake is van zelfstandig ondernemerschap.

Minister Aartsen vraagt de senaat ook deze wet vóór het zomerreces te behandelen — om dezelfde reden als de flex-wet: het bewaken van de EU-mijlpalen.

Wat dit betekent voor zzp’ers

De verplichte AOV gaat er komen, maar invoering vóór 2030 was sowieso onwaarschijnlijk volgens uitvoerders. Het wegvallen van de EU-deadline verandert daar in de praktijk weinig aan. Voor zzp’ers met een tarief boven 38 euro per uur verandert ook de Wet rechtsvermoeden weinig: zij vallen buiten de drempel. Voor wie structureel onder 38 euro werkt — vooral in de zorg, schoonmaak en delen van de bouw — biedt de wet na publicatie in het Staatsblad een nieuwe mogelijkheid. Zzp’ers kunnen dan zelf bij de rechter werknemersstatus opeisen; de opdrachtgever moet bewijzen dat sprake is van zelfstandig ondernemerschap.

De Eerste Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid bespreekt op 19 mei 2026 de procedure voor de flex-wet. De behandeltermijn voor de Wet rechtsvermoeden staat los daarvan.

Bron: Rijksoverheid · Tweede Kamer · Eerste Kamer · ZZP Nieuws-archief

Deel dit bericht via:

Flex-wet aangenomen door Tweede Kamer: dit betekent het voor zzp’ers

Het Binnenhof in Den Haag, waar de Tweede Kamer op 12 mei 2026 instemde met de Wet meer zekerheid flexwerkers
Beeld: Valentin Ivantsov (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

De Tweede Kamer heeft dinsdag 12 mei 2026 met ruime meerderheid ingestemd met de Wet meer zekerheid flexwerkers. Voor zzp’ers verandert er door deze wet inhoudelijk niets. De wet beperkt nulurencontracten, draaideurconstructies met tijdelijke contracten en versterkt de positie van uitzendkrachten. De nieuwe regels gelden uitsluitend voor werknemers en uitzendkrachten.

Wat de wet wel regelt

Nulurencontracten worden vervangen door bandbreedtecontracten met een minimum- en maximumaantal uren. Het maximum mag niet meer dan 130 procent boven het minimum liggen. De ketenregeling — maximaal drie tijdelijke contracten in drie jaar — blijft bestaan, maar de tussenpoos waarna een werkgever opnieuw met een tijdelijk contract mag beginnen wordt verlengd van zes maanden naar 36 maanden. Een amendement van Tweede Kamerlid Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) verkortte deze termijn van de oorspronkelijk voorgestelde vijf jaar. Uitzendkrachten en gedetacheerden krijgen recht op minimaal gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden als reguliere werknemers bij de inlener. De minister krijgt daarnaast de bevoegdheid om per algemene maatregel van bestuur specifieke arbeidsvoorwaarden aan te wijzen waarvan in cao’s niet mag worden afgeweken.

Waarom dit zzp’ers niet raakt

De wet wijzigt het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen — kaders die uitsluitend van toepassing zijn op werknemers en uitzendkrachten. Wie als zelfstandige werkt via een opdrachtovereenkomst valt buiten deze regelgeving. Het juridische onderscheid tussen zzp’er en werknemer blijft bestaan zoals het is. De eis op gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten geldt expliciet niet voor zelfstandigen.

Eerste Kamer behandelt op 19 mei

Het wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. De commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid bespreekt op 19 mei 2026 de procedure. Het onderdeel gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten moet bij goedkeuring uiterlijk 1 januari 2027 in werking treden; de overige onderdelen — bandbreedtecontract, ketenregeling, kortere uitzendfasen — gaan in op 1 januari 2028. Minister Vijlbrief heeft de senaat verzocht het wetsvoorstel vóór het zomerreces van 2026 te behandelen. De spoedbehandeling hangt samen met afspraken in het Europese Herstel- en Veerkrachtplan.”

Bron: Rijksoverheid · Tweede Kamer · Eerste Kamer

Deel dit bericht via:

Einde aan ongevraagde verkooptelefoontjes per 1 juli — ook naar zzp’ers

Geërgerde zzp'er schreeuwt in vintage telefoonhoorn, illustratie bij verbod op ongevraagde verkooptelefoontjes per 1 juli 2026
Beeld: Moose Photos (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Bedrijven mogen vanaf 1 juli 2026 hun bestaande klanten en oud-klanten niet meer ongevraagd bellen voor commerciële aanbiedingen. Dat geldt ook voor het benaderen van zzp’ers met een eenmanszaak, VOF, CV of maatschap. De wijziging van de Telecommunicatiewet is definitief: bij Koninklijk Besluit van 31 maart 2025 is in Staatsblad 2025, 89 vastgelegd dat artikel 7.8 van de Energiewet — waarin de wijziging is verwerkt — op 1 juli 2026 in werking treedt.

Wat verandert er precies

Sinds 1 juli 2021 mogen Nederlandse bedrijven natuurlijke personen alleen nog telefonisch benaderen voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden als zij daarvoor expliciet toestemming hebben gegeven. Op dit opt-in-systeem geldt nu nog één belangrijke uitzondering: bestaande en voormalige klanten mogen wel ongevraagd worden gebeld voor “eigen gelijksoortige producten of diensten” — de zogenoemde soft opt-in of klantrelatie-uitzondering. Per 1 juli 2026 vervalt die uitzondering. Toestemming wordt dan in vrijwel alle gevallen verplicht, ongeacht of iemand klant is geweest of niet.

Drie praktische gevolgen

Wat dit in de praktijk betekent

Servicegesprekken mogen wel, commerciële aanbiedingen daarin niet. Een lopend contract beheren, een storing afhandelen, een levertijd doorgeven of een klanttevredenheidsonderzoek doen blijft gewoon toegestaan zonder opt-in. Zodra de medewerker in datzelfde gesprek overstapt op een aanbieding (“we hebben trouwens een nieuw pakket”), valt dat tweede deel onder het opt-in-regime. De ACM heeft dit expliciet bevestigd.

De bewijslast ligt bij het bellende bedrijf. Wordt er een klacht ingediend, dan moet het bedrijf aantonen dat geldige toestemming is verkregen. Niet de gebelde. De zzp’er die wordt gebeld hoeft dus niet te bewijzen dat hij of zij géén toestemming gaf — het bedrijf moet bewijzen dat dit wél is gebeurd.

CRM-systemen moeten vóór 1 juli grondig opgeschoond. Voor elk telefoonnummer in een belbestand moet een verifieerbare opt-in vastliggen, met datum, kanaal en exacte formulering. Nummers waarvoor die registratie ontbreekt — ook van klanten die er al jaren in staan — mogen na 1 juli 2026 niet meer gebeld worden voor commerciële doeleinden.

Voor wie geldt dit

De wet beschermt “natuurlijke personen”. In de praktijk omvat dat consumenten én zelfstandigen die werken via een rechtsvorm zonder rechtspersoonlijkheid: eenmanszaak, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap en maatschap. Daarmee valt het overgrote deel van de Nederlandse zzp’ers onder de bescherming. Werk je via een besloten vennootschap, dan val je als rechtspersoon buiten de nieuwe regels. Zie ook ons overzicht van het verschil tussen zzp’er en freelancer voor de rechtsvormen.

De Autoriteit Consument & Markt heeft de boodschap richting de markt expliciet gemaakt. In een bericht van 28 maart 2025 stelt de toezichthouder dat de regels van toepassing zijn op alle bedrijven die telemarketing inzetten om consumenten of zzp’ers te benaderen. Een recente publicatie van de ACM van 24 april 2026 bevestigt dat audits doorlopen en dat de toezichthouder na 1 juli 2026 actief gaat handhaven op de nieuwe regels.

Uitzonderingen

De Tweede Kamer heeft drie groepen uitgezonderd van het verbod. Goede doelen (ANBI-instellingen), loterijen die afdragen aan goede doelen, sport, cultuur of welzijn, en uitgevers van dagbladen, weekbladen en tijdschriften mogen na 1 juli 2026 nog wel hun bestaande en oud-klanten of donateurs bellen. Voor alle andere sectoren — energie, telecom, verzekeringen, financiële dienstverlening, abonnementsdiensten — geldt het verbod volledig.

Wat het voor zzp’ers betekent

De wijziging raakt zelfstandigen op twee manieren. Wie zelf telemarketing inzet om diensten of producten aan particulieren of andere zzp’ers te verkopen — denk aan trainers, coaches, fotografen, kleine adviesbureaus of dienstverleners die met een belscript werken — moet vóór 1 juli 2026 voor elk contact in het klantenbestand expliciete, aantoonbare toestemming hebben. Wie zonder geldige opt-in belt, riskeert een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom. Ook ketenaansprakelijkheid speelt: een opdrachtgever blijft verantwoordelijk voor wat een ingehuurd callcenter doet.

Voor zzp’ers als ontvanger geldt het omgekeerde. Energieleveranciers, telecombedrijven en andere commerciële partijen mogen je vanaf 1 juli 2026 alleen nog bellen als je daarvoor uitdrukkelijk toestemming hebt gegeven. Ook bij een lopend contract. Voor wie regelmatig wordt gebeld met aanbiedingen waar je niet op zit te wachten, biedt de nieuwe regel een duidelijkere juridische basis om een einde te eisen aan ongevraagd zakelijk telefoonverkeer. Klachten kunnen worden gemeld bij ConsuWijzer of rechtstreeks bij de ACM.

Bron: Staatsblad 2025, 89 · Telecommunicatiewet artikel 11.7 · Autoriteit Consument & Markt · Rijksoverheid

Deel dit bericht via:

DNB noemt afbouw zelfstandigenaftrek “verstandig” — en wil verder

Aflopende stapels euromunten — DNB pleit voor verdere afbouw zelfstandigenaftrek
Beeld: Eleonora Vokueva (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

De Nederlandsche Bank pleit in een nieuwe analyse voor verder afbouwen van fiscale voordelen voor zzp’ers. De zelfstandigenaftrek is sinds 2022 al teruggebracht van €6.310 naar €1.200 — een daling van 81 procent. Volgens DNB is dat “een verstandige stap”. Het rapport verscheen woensdag, en de timing valt op. Het aantal zzp’ers krimpt op dit moment vijf kwartalen op rij.

De analyse Gezonde markten, gezonde groei van DNB-onderzoekers Guus Brouwer en Jasper de Winter onderzoekt waarom de Nederlandse productiviteitsgroei stokt. De diagnose: te veel kapitaal en arbeid blijven hangen bij kleine bedrijven die nauwelijks doorgroeien. Een belangrijke oorzaak volgens DNB zijn de fiscale voordelen voor zelfstandigen zonder personeel. Die zouden “keuzes op de arbeidsmarkt verstoren en doorgroei ontmoedigen”.

Aftrek al fors gekrompen, volgens DNB nog niet genoeg

De getallen die DNB aandraagt zijn op zichzelf bekend. Hun gewicht zit in hoe de centrale bank ze nu inzet. Van de 2,3 miljoen ondernemingen in de Nederlandse marktsector heeft 85 procent geen werknemers — in de EU-27 is dat 62 procent. Bij nieuwe oprichtingen ligt het verschil nog scherper: 97 procent van de Nederlandse starters begint zonder personeel, tegen 82 procent EU-breed. Een eenpitter groeit nauwelijks. Vijf jaar na oprichting telt zo’n onderneming gemiddeld 1,2 werkenden — inclusief de ondernemer zelf.

Op basis van die cijfers concludeert DNB dat fiscale faciliteiten voor zelfstandigen “vaker fungeren als inkomensondersteuning dan als aanjager van doorgroei, investeringen of innovatie van bedrijven”. De centrale bank verwijst naar drie eerdere evaluaties: het IBO Zelfstandigen (2015), en SEO-rapporten van Witteman (2017) en Schwartz (2024). Daarmee positioneert DNB zich in een onderzoekslijn die zzp-faciliteiten al jaren kritisch bekijkt.

Eén zin verandert dat van analyse in stellingname: “In dat licht is de ingezette afbouw van de zelfstandigenaftrek een verstandige stap.” Het woord “verstandig” is geen technocratie meer. Het is een politieke positie.

Voor 2026 staat de aftrek op €1.200, voor 2027 zakt die naar €900. Per 2027 verdwijnt ook de startersaftrek — als dekking voor het energiepakket van het kabinet. Wie in 2022 nog €6.310 kon aftrekken, houdt vijf jaar later €900 over. Een krimp van 86 procent in vijf jaar.

Markt krimpt al, DNB wil meer

De DNB-analyse landt op een markt die al onder druk staat. Volgens CBS-cijfers over het eerste kwartaal van 2026 waren er ongeveer 15 duizend zelfstandigen minder dan een kwartaal eerder. Het aantal gewerkte uren door zelfstandigen daalde met 1,0 procent. De daling kwam volledig voor rekening van zzp’ers. Het is het vijfde kwartaal op rij dat het aantal zzp’ers afneemt.

De Belastingdienst handhaaft sinds 1 januari 2025 weer volledig op schijnzelfstandigheid. Per 1 januari 2026 zijn daar vergrijpboetes bij opzet of grove schuld bijgekomen.

DNB wil daar bovenop meer fiscale druk. In de samenvatting van de analyse staat: “Bij zelfstandigen zonder personeel is daarnaast handhaving op schijnzelfstandigheid van belang.” Twee instrumenten, in dezelfde alinea: minder fiscale ruimte én strenger toezicht. Dat de aantrekkelijkheid van zelfstandig ondernemerschap daarmee structureel kleiner wordt, is voor DNB blijkbaar geen tegenargument.

Wat DNB zelf erkent maar niet uitwerkt

Eén nuance in de analyse blijft in de algemene berichtgeving onderbelicht. DNB constateert namelijk dat zelfstandigen die mét werknemers starten, tot de Europese top behoren qua doorgroei. Letterlijk: “Vijf jaar na oprichting behoren ondernemingen die bij start werknemers in dienst hadden, gemeten naar de groei van het aantal werknemers, gemiddeld tot de Europese top 3.”

Dat is een opmerkelijke vaststelling. Het Nederlandse ondernemingsklimaat werkt blijkbaar prima — zodra er personeel in beeld komt. Het probleem dat DNB beschrijft, ligt niet bij ondernemerschap als zodanig. Het ligt bij eenpitters die niet doorgroeien.

Maar veel van die eenpitters wíllen niet doorgroeien. Een zorgprofessional die als zzp’er werkt, een freelance journalist, een ICT’er die voor verschillende opdrachtgevers werkt, een kapper aan huis — deze mensen kozen niet voor zelfstandigheid als opstap naar werkgeverschap. Voor hen is zzp-schap de bestemming. DNB koppelt hun fiscale positie aan een productiviteitsdebat waar ze geen onderdeel van wilden zijn.

Bekend frame, scherper toon

Het is niet de eerste keer dat DNB hierop aanstuurt. In het rapport Toekomst van de Arbeidsmarkt (2021) deed de centrale bank een vergelijkbare oproep. Toen werd de zzp’er ingebed in de bredere “flexschil” en draaide het om institutionele schotten tussen contractvormen. Nu is de inkleding anders: productiviteit, bedrijfsdynamiek, misallocatie van kapitaal en arbeid. De boodschap is in de kern dezelfde.

Het verschil zit in wat er sindsdien is gebeurd. Toen DNB in 2021 voor afbouw pleitte, lag de zelfstandigenaftrek nog ruim drie keer hoger dan vandaag. Inmiddels is 80 procent daarvan weg. De FOR is sinds 2023 gesloten voor nieuwe opbouw. De mkb-winstvrijstelling daalde naar 12,7 procent. Het wetsvoorstel BAZ moet zzp’ers verplicht verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. Het beleid waar DNB om vraagt, is grotendeels al in gang gezet of in de Kamer onderweg.

Wat DNB niet bespreekt

In de analyse blijft één kant van het verhaal onbelicht: de werkgeverskant. Veel zzp’ers nemen geen personeel aan omdat ze dat niet willen — dat is DNB’s eigen vaststelling. Maar er is ook een andere reden. De stap naar werkgeverschap is in Nederland duur en juridisch riskant. Twee jaar loondoorbetaling bij ziekte. Ontslagbescherming. Transitievergoeding. En sinds 1 januari 2025 boetes bij schijnzelfstandigheid die ook door kunnen werken in inhuur via tussenpersonen.

Wie als eenmanszaak eens iemand wil aannemen, kijkt tegen een wirwar van verplichtingen aan die in andere EU-landen veel lichter zijn. DNB constateert dat eenpitters niet doorgroeien — maar laat de drempel om dat wél te doen onbesproken.

Politieke ruimte beperkt

Of de DNB-analyse het politieke debat verschuift, valt te bezien. De Tweede Kamer is op dit moment in meireces. De afgelopen maanden bleek bovendien dat een Kamermeerderheid kritisch is op nieuwe maatregelen die zzp’ers raken — getuige onder meer de afgewezen verlenging van de zachte landing en de discussie rond het rechtsvermoeden bij laag uurtarief.

Tegelijk zit veel van wat DNB wil al in de pijplijn. De aftrek krimpt. De startersaftrek verdwijnt. De handhaving is hervat. Voor zzp’ers zelf is de boodschap simpel: de centrale bank van Nederland vindt hun fiscale positie nog steeds een macro-economisch probleem. En de afbouw die al loopt, is volgens DNB een eerste stap. Niet de laatste.

Bron: De Nederlandsche Bank · CBS · Centraal Bureau voor de Statistiek · Rijksoverheid

Deel dit bericht via:

Een dashcam, een klodder kauwgom, en de Deliveroo-toets in de knel

Amsterdamse taxi met daklicht — rechtbank Amsterdam oordeelt over arbeidsrelatie taxichauffeur Schiphol Taxi Network
Beeld: Kai Pro (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Op 20 november vorig jaar reed een taxichauffeur op Schiphol een paar uur lang met een afgeplakte dashcam. Een stuk kauwgom, opzettelijk over de lens. Diezelfde middag werd zijn samenwerkingsovereenkomst met Schiphol Taxi Network per direct opgezegd.

De zaak die daaruit volgde, leverde een beschikking op die voor zzp’ers in heel andere sectoren relevant kan zijn. De rechtbank Amsterdam loopt de negen Deliveroo-gezichtspunten één voor één langs, komt tot een gemengd beeld, en laat de balans uiteindelijk doorslaan op iets wat in dat lijstje niet voorkomt: het feit dat taxichauffeurs van oudsher binnen een zelfstandigenmarkt opereren.

Negen punten, geen winnaar

De chauffeur in kwestie is geen toevallige zzp’er. Hij heeft sinds 2009 een eigen taxibedrijf onder de naam Taxi Mijdrecht, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, sinds 2020 ook in het KIWA-register voor taxivergunninghouders. Eigen wagen, eigen website, luchthavenvervoer naar Nederland, België en Duitsland, daarnaast een tweede handelsnaam voor trouwvervoer. Voor STN reed hij eerder al voor een andere Schiphol-concessiehouder.

Eind oktober 2025 sloot hij met STN een samenwerkingsovereenkomst voor de duur van een jaar. Hij kon zich inschrijven op tijdslots van minimaal negen uur, hij mocht zich laten vervangen, en hij betaalde STN een gebruiksvergoeding van 135 euro per tijdslot plus commissie op de ritprijs. Drie weken later was de samenwerking voorbij.

De kantonrechter loopt vervolgens het inmiddels bekende rijtje af dat de Hoge Raad in 2023 in het Deliveroo-arrest formuleerde. Een aantal punten wijst richting werknemerschap. Het taxivervoer is de kern van wat STN doet, dus de chauffeur is duidelijk ingebed in de organisatie. De samenwerkingsovereenkomst is door STN voorgelegd zonder ruimte om te onderhandelen — een gegeven dat volgens de rechter “meer past bij een arbeidsovereenkomst dan bij een overeenkomst van opdracht”.

Andere punten wijzen de andere kant op. Het vervangingsrecht noemt de rechter een “sterke aanwijzing” tegen werknemerschap. De chauffeur bepaalde zelf of en wanneer hij werkte. En hij gedraagt zich, gezien de hele constructie van zijn bedrijf, onmiskenbaar als ondernemer. Bij weer andere punten — de aard van de werkzaamheden, de manier waarop de beloning tot stand komt — kan het volgens de rechter alle kanten op.

De zin die de zaak kantelt

Wie de overwegingen optelt, ziet geen heldere uitkomst. Dat is ook de ruimte die het Deliveroo-arrest laat: alle omstandigheden in onderling verband bezien, geen rangorde tussen de gezichtspunten. Die regel heeft de Hoge Raad in het Uber-arrest van 21 februari 2025 nog eens bevestigd. De rechtbank haalt het zelf ook expliciet aan.

Toch hakt de kantonrechter een knoop door. In de slotoverweging staat hoe. De gezichtspunten zijn in onderling verband gewogen, schrijft de rechter, “mede bezien tegen de achtergrond dat taxichauffeurs opereren binnen een (van oudsher) zelfstandigenmarkt”. Geen onderdeel van de Deliveroo-lijst, geen tiende criterium dat de Hoge Raad heeft erkend, maar wel het zinnetje dat de balans laat doorslaan.

Advocaat-belastingadviseur Boris Emmerig wees daar op LinkedIn op. Volgens hem laat deze beschikking zien dat de Deliveroo-lijst in de praktijk minder uitputtend en minder rangorde-loos is dan op papier het geval lijkt. Voor andere sectoren met een lange ondernemerstraditie — Emmerig noemt zelf de mediasector — zou eenzelfde redenering kunnen opgaan.

Voor wie geldt dit signaal

Voor deze chauffeur, die zijn eigen onderneming al ruim zestien jaar runt en voor meerdere partijen heeft gereden, pakt de uitkomst gunstig uit. Voor een chauffeur die vorige maand zijn KvK-inschrijving regelde om bij STN aan de slag te kunnen, ligt het anders. De rechter doet geen uitspraak over de sector als geheel, alleen over deze ene samenwerking met deze ene chauffeur.

Wat het signaal wel is: zichtbaar en aantoonbaar ondernemerschap telt. Niet alleen op papier in de overeenkomst, maar in alles wat de werkende daarbuiten doet. Een eigen klantenkring, een eigen wagen, meerdere opdrachtgevers, een tweede handelsnaam — het zijn de feiten die in deze beschikking de doorslag geven. Sinds 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst weer op schijnzelfstandigheid, met naheffingen die teruggaan tot die datum. Per 1 januari 2026 zijn daar vergrijpboetes bijgekomen voor gevallen van opzet of grove schuld; verzuimboetes blijven tot 1 januari 2027 achterwege. Hoe rechters dat kader invullen wanneer de gezichtspunten geen winnaar opleveren, is na deze beschikking iets minder voorspelbaar geworden.

Correctie 5 mei 2026: in een eerdere versie van dit artikel werd geschreven dat boetes “voorlopig nog niet” worden opgelegd. Dat is niet helemaal juist. Sinds 1 januari 2026 kan de Belastingdienst bij opzet of grove schuld vergrijpboetes opleggen; verzuimboetes blijven tot 1 januari 2027 achterwege. Met dank aan Boris Emmerig voor de correctie.

Bron: Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2026:3639) · Hoge Raad (Deliveroo, ECLI:NL:HR:2023:443) · Hoge Raad (Uber, ECLI:NL:HR:2025:319) · LinkedIn-analyse Boris Emmerig

Deel dit bericht via:

Aartsen wil zzp-dossier ‘normaliseren’, maar voor zzp’ers is het al lang normaal

Een zzp'er werkt thuis aan administratie — CBS-cijfers tonen krimp zzp-markt
Beeld: Pexels (Shvets Production), redactie ZZP Nieuws © 2026

Minister Thierry Aartsen (VVD) van Werk en Participatie wil dat het zzp-dossier binnen vier jaar uit de politieke gevarenzone is. Hij noemt het ‘normaliseren’ en ‘pacificeren’. Maar voor de ruim 1,1 miljoen Nederlandse zzp’ers ís hun werkvorm al lang normaal — en uit nieuwe CBS-cijfers blijkt dat juist het beleid van de overheid de markt al een jaar doet krimpen. Brancheorganisatie Bovib reageert enthousiast op de ambitie van de minister, de Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) plaatst stevige kanttekeningen, en het Comité ZZP gaat de straat op met de eis dat de Belastingdienst stopt met handhaven.

Wie heeft het abnormaal gemaakt?

De ambitie van de minister is helder: na zijn termijn moet werken met zzp’ers geen politiek hoofdpijndossier meer zijn. “De reden waarom we het er nu over hebben, is omdat het niet goed geregeld is in de wet en dat het dus bijzonder is geworden”, aldus Aartsen. Met die formulering erkent hij impliciet wat zzp’ers al jaren weten: het is niet hun werkvorm die het probleem is, maar het wettelijk kader dat de overheid eromheen heeft gebouwd.

VZN-voorzitter Connie Maathuis legt de vinger op die zere plek. “Voor ruim één miljoen werkenden ís zelfstandig ondernemerschap al de norm”, aldus VZN in een reactie op de plannen. “De abnormaliteit zit niet bij hen; die zit in een wettelijk kader dat onvoldoende duidelijk maakt wanneer iemand zelfstandig ondernemer is.” Met andere woorden: het is de Wet DBA, het zigzaggende handhavingsbeleid en de hervatting van de handhaving op schijnzelfstandigheid per 1 januari 2025 die de markt onrustig hebben gemaakt — niet de zzp’er zelf.

De cijfers spreken Aartsen tegen

Terwijl de minister werkt aan zijn ‘normaliseringsagenda’, laat het CBS in zijn cijfers over het eerste kwartaal van 2026 een ander beeld zien. Het aantal zzp’ers daalt nu vijf kwartalen op rij. In Q1 2026 zijn er 116.000 minder zzp’ers dan in het laatste kwartaal van 2024. Het aantal banen van zelfstandigen daalde met 124.000 ten opzichte van een jaar eerder. Het aantal zzp’ers dat alleen eigen arbeid levert, ligt op 1,1 miljoen — een afname van 18.000 in één kwartaal.

Tegelijk groeit het aantal flexwerknemers in loondienst met 67.000 ten opzichte van een jaar eerder, vier kwartalen op rij. Dat is veelzeggend: opdrachtgevers haken af van zzp-inhuur, maar kiezen niet voor vaste banen als alternatief. Ze schalen op met interne flex. Het beleid dat schijnzelfstandigheid moet bestrijden, leidt in de praktijk dus niet tot meer vaste banen, maar tot een verschuiving binnen de flexschil — precies wat het beleid niet beoogde.

Dat staat in scherp contrast met Aartsens campagne ‘Zo kan zzp wel’, die ergens vóór de zomer moet starten. Een boodschap aan opdrachtgevers dat werken met zzp’ers wél kan, komt op een moment dat de cijfers iets anders laten zien. Voor zzp’ers die nu opdrachten verliezen, is twee maanden wachten op een communicatiecampagne een lange tijd.

Vier jaar tijd, maar de praktijk is weerbarstiger

Aartsen zet meerdere sporen tegelijk in. Het wetsvoorstel rechtsvermoeden van werknemerschap is door de Tweede Kamer aangenomen en moet per 1 januari 2027 ingaan. De Zelfstandigenwet gaat eind dit jaar voor advies naar de Raad van State en moet per 1 januari 2028 in werking treden.

De minister heeft een operationele denkrichting voor de Zelfstandigenwet: een lijst van tien à elf criteria, waarbij iemand die aan zeven punten voldoet als ondernemer wordt aangemerkt. Dat onthulde ONL-voorman Erik Ziengs na een gesprek met de minister. Ziengs noemt Aartsen ‘een bourgondische verbinder’ die werkt via rondetafelgesprekken en hands-on resultaat zoekt. Maathuis adviseert de minister daarbij om niet ‘met een stel ambtenaren een hok in te duiken’ om de Zelfstandigenwet uit te vogelen, maar iedereen mee te nemen.

‘De 38 euro zegt niets over zelfstandigheid’

De wet rechtsvermoeden geldt straks voor zzp’ers die onder 38 euro per uur werken. Wie minder verdient, kan bij de rechter eenvoudiger werknemersrechten claimen. De opdrachtgever moet dan bewijzen dat het wél om echte zelfstandigheid gaat. Aartsen herhaalt nadrukkelijk dat dit geen minimumtarief is. “De 38 euro zegt helemaal niets over of je wel of geen zelfstandige bent”, aldus de minister. Ook onder dat tarief kun je volgens hem prima zelfstandig werken, mits de samenwerking goed is georganiseerd.

VZN waarschuwt voor een ander effect. “We zien nu al dat opdrachtgevers €38 gaan gebruiken als feitelijke ondergrens om risico’s te vermijden”, schrijft de koepelorganisatie. “Daarmee ontstaat via de achterdeur een minimumtarief, zonder dat dit expliciet zo is bedoeld of democratisch is vastgesteld. Dat raakt onevenredig sectoren en groepen zoals zorg, cultuur, toerisme, parttime ondernemers en startende zzp’ers — juist groepen waar de minister zegt voor op te willen komen.”

Zij-aan-zij werken kan wél — een opmerkelijke verschuiving

Een minder opgemerkte maar inhoudelijk belangrijke verschuiving zit in de uitspraak van Aartsen dat zij-aan-zij werken na het Uber-arrest gewoon mogelijk is voor zzp’ers. Onder eerdere ministers werd dit categorisch uitgesloten. De Hoge Raad heeft in de Uber-zaak bevestigd dat extern ondernemerschap een prominentere plek krijgt in de holistische beoordeling van een arbeidsrelatie. Aartsen herhaalt deze boodschap bewust — een minister die dit hardop zegt, geeft opdrachtgevers houvast.

VZN noemt deze expliciete bevestiging een belangrijke stap vooruit. De koepelorganisatie wijst erop dat de overheid jarenlang zelf onduidelijkheid creëerde door zij-aan-zij werken als problematisch te framen.

Geen handhavingspauze: hier botst Aartsen met zijn doelgroep

Op één punt botst de koers van Aartsen frontaal met een groot deel van zijn doelgroep: het stopzetten van de handhaving. Veel zzp’ers en intermediairs pleiten voor een moratorium tot de Zelfstandigenwet er is, omdat opdrachtgevers volgens hen massaal terughoudend zijn geworden. Aartsen wil daar niet aan. Hij ziet dat als ‘zigzagbeleid’ en verwijst naar ‘schrijnende gevallen’ van schijnzelfstandigheid die hij niet wil laten lopen.

Het Comité ZZP tuigde er een protest voor op met als boodschap dat het te lang duurt en de handhaving moet stoppen. VZN legt de vinger op een interne tegenstrijdigheid in het beleid: de minister erkent dat opdrachtgevers categorisch zzp’ers weigeren omdat ze de regels niet begrijpen, en kondigt tegelijk aan dat de duidelijkheid pas in 2028 komt — terwijl de Belastingdienst onverminderd handhaaft op een kader dat de minister zelf onvoldoende duidelijk vindt. “Een tijdelijk moratorium tot de nieuwe wet er is”, aldus VZN, “is iets fundamenteel anders dan structureel niet handhaven.”

Daar zit de kern van het ongemak. Het ‘normaliseren’ staat of valt bij wat zzp’ers de komende twee jaar in de praktijk meemaken. De CBS-cijfers tonen al wat dat betekent: een markt die kwartaal na kwartaal krimpt, terwijl het aantal flexwerknemers in loondienst juist groeit.

Bovib enthousiast — maar niet onomstreden

Bart Smals, directeur van branchevereniging Bovib voor inhuur-intermediairs, noemde de koerswijziging ‘een verademing’. Volgens Smals ‘waait er echt een andere wind’ en is ‘zzp’ niet langer ‘een vies woord’ aan de Haagse onderhandeltafel. Hij wijst erop dat ruim negentig procent van de zzp’ers bewust kiest voor het ondernemerschap en dat erkenning daarvan logisch is.

Bovib heeft bij die positieve reactie wel een direct commercieel belang: meer ruimte voor zzp-inhuur betekent meer marktvolume voor intermediairs. De bredere kritiek vanuit de markt is dat ook intermediairs en branchekoepels niet altijd zelf voldoen aan de norm ‘geheel zelfstandig werken’ die zij verkondigen. De norm ‘zo kan zzp wél’ biedt nog altijd ruimte voor zeer uiteenlopende interpretaties — ook binnen het kamp dat de minister enthousiast steunt.

Geen kant-en-klare oplossing, wel een richtingverandering

Voor zzp’ers verandert er op de korte termijn weinig. De handhaving op schijnzelfstandigheid gaat door op het bestaande kader, gebaseerd op de Deliveroo- en Uber-criteria. Wie ruim boven 38 euro per uur werkt en een aantoonbaar zelfstandige praktijk runt, hoeft op korte termijn weinig te vrezen. Voor wie eronder zit of in een grijs gebied opereert, blijft het oppassen tot er meer duidelijkheid is.

Wat wél verandert is de toon. Voor het eerst in tien jaar haalt een zzp-wet de Tweede Kamer. Een minister stelt expliciet dat zij-aan-zij werken kan. En de Rijksoverheid past haar eigen leidraad inhuur aan. Of die belofte van breed draagvlak ook wordt waargemaakt, blijkt pas als de Zelfstandigenwet eind dit jaar bij de Raad van State ligt.

Tot die tijd is ‘normaliseren’ vooral een politiek frame voor wat in de praktijk al lang normaal was — voordat de overheid het ingewikkeld maakte.

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek · Vereniging Zelfstandigen Nederland · ONL voor Ondernemers · De Ondernemer

Deel dit bericht via:

Nog een week: zo doe je de belastingaangifte als zzp’er vóór 1 mei

Zzp'er controleert documenten voor de belastingaangifte over 2025
Beeld: RDNE Stock project (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

De deadline voor de aangifte inkomstenbelasting over 2025 is vrijdag 1 mei 2026. Voor zzp’ers die de aangifte nog niet hebben ingediend, resteert nog precies een week. Komend weekend is voor veel zelfstandigen het moment om eindelijk te beginnen — en dit jaar spelen er bovenop de vaste aftrekposten twee actuele ontwikkelingen die elke zzp’er moet kennen.

Mis je 1 mei zonder dat je uitstel hebt aangevraagd, dan riskeer je een verzuimboete van minimaal €385. Bovendien kan de Belastingdienst een ambtshalve aanslag opleggen op basis van een schatting — doorgaans nadelig voor de ondernemer. Wil je uitstel, dan moet je dat vóór 1 mei aanvragen via Mijn Belastingdienst. Bij toewijzing krijg je tijd tot 1 september 2026.

Wat heb je nodig voor de aangifte?

De aangifte doe je via Mijn Belastingdienst met DigiD. Veel gegevens staan al vooraf ingevuld — denk aan bankrente en eventuele loonheffingen — maar als zzp’er vul je je eigen winst- en verliesrekening in. Daarvoor heb je minimaal nodig: je omzet en zakelijke kosten over 2025, een overzicht van investeringen, je btw-aangiften als referentie, en eventuele jaaropgaven als je ook inkomsten uit loondienst had.

Gebruik je boekhoudsoftware? Dan kun je de meeste gegevens direct overnemen. Doe je de boekhouding handmatig, zorg dan dat je facturen, bonnen en bankafschriften over heel 2025 beschikbaar zijn.

De aftrekposten die je niet mag missen

Voor zzp’ers gelden specifieke aftrekposten die de belastbare winst fors kunnen verlagen. De bekendste is de zelfstandigenaftrek: in 2025 was dat €2.470, mits je minimaal 1.225 uur aan je onderneming hebt besteed. Let op: in 2026 daalt dit bedrag naar €1.200, maar voor de aangifte over 2025 geldt nog het hogere bedrag.

Naast de zelfstandigenaftrek telt de MKB-winstvrijstelling: 12,7 procent van de winst na ondernemersaftrek. Dat percentage was in 2024 nog 13,31 procent. De Belastingdienst past deze vrijstelling automatisch toe — je hoeft er niets voor in te vullen. Ben je in 2025 gestart, of zit je nog in je eerste vijf jaar als ondernemer? Dan heb je mogelijk ook recht op de startersaftrek van €2.123 bovenop de zelfstandigenaftrek.

Verder zijn aftrekbaar: pensioenpremies en lijfrenteinleg (mits binnen de jaarruimte), premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zakelijke kosten zoals abonnementen en apparatuur, en investeringen boven €2.901 via de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA).

Groot nieuws voor starters: benut de aftrek nú

Wie dit jaar voor het eerst aangifte doet als ondernemer, heeft extra reden om alle aftrekposten zorgvuldig te controleren. Het kabinet heeft op 20 april 2026 bekendgemaakt de startersaftrek per 1 januari 2027 volledig af te schaffen — zonder overgangsregeling. Starters die in 2025 recht hadden op de aftrek en die nu opgeven in hun aangifte, profiteren nog van €2.123 extra belastingvoordeel. Samen met de zelfstandigenaftrek van €2.470 kunnen starters over belastingjaar 2025 nog €4.593 aftrekken van hun winst. Vanaf 2027 resteert voor starters — als de plannen doorgaan — alleen nog de gewone zelfstandigenaftrek van €900.

Tegelijk wordt ook de KIA per 2027 versoberd. Voor de aangifte over 2025 gelden de huidige regels echter ongewijzigd.

Veelgemaakte fouten

Uit eerder onderzoek van Knab onder zzp’ers blijkt dat zeven op de tien starters minstens één aftrekpost over het hoofd ziet. De KIA wordt het vaakst gemist: wie in 2025 investeerde in bedrijfsmiddelen van meer dan €450 per stuk en in totaal meer dan €2.901 investeerde, kan daar mogelijk aanspraak op maken. Ook pensioeninleg en AOV-premies worden regelmatig niet opgevoerd, terwijl ze wél aftrekbaar zijn.

Een andere veelgemaakte fout is het niet controleren van vooraf ingevulde gegevens. De Belastingdienst baseert die op aangeleverde informatie van derden, maar die kan afwijken van de werkelijkheid. Controleer altijd je eigen cijfers. Twijfel je aan de juistheid van je aangifte of mis je de kennis om bepaalde posten correct in te vullen? Schakel dan een boekhouder of fiscalist in — dat voorkomt fouten die later tot naheffingen en belastingrente leiden.

Gebruik de kennisbank

ZZP Nieuws heeft een uitgebreide jaaraangifte checklist beschikbaar in de kennisbank, met een stapsgewijs overzicht van wat je nodig hebt en welke aftrekposten voor jou van toepassing kunnen zijn — bijgewerkt met de meest recente cijfers. Kom je er niet uit, overweeg dan een boekhouder of fiscalist in te schakelen. Die kan via het zogeheten becon-uitstelregime bovendien langere uitsteltermijnen aanvragen dan je zelf kunt regelen.

Eén ding is zeker: wachten tot de laatste dag is nooit slim. Een technische storing of een ontbrekend document op 30 april kost je direct een boete.

De informatie in dit artikel is met zorg samengesteld op basis van officiële bronnen. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend. Raadpleeg voor je persoonlijke situatie altijd een belastingadviseur of belastingdienst.nl.

Bron: Belastingdienst · KVK · Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok (Ministerie van Financiën, 20 april 2026)

Deel dit bericht via:

Kabinet schrapt startersaftrek per 2027 — starters betalen mee aan energiepakket

Startersaftrek afgeschaft per 2027 — startende zzp'er aan het werk met contract en laptop
Beeld: Karola G (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Het kabinet heeft de startersaftrek afgeschaft per 1 januari 2027. Startende zzp’ers verliezen daarmee een fiscale aftrekpost van €2.123 per jaar. Ook de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) wordt versoberd. Beide maatregelen dienen als dekking voor een pakket van bijna een miljard euro waarmee het kabinet de gevolgen van hoge energie- en brandstofprijzen voor burgers en bedrijven wil opvangen.

Dat maakte het kabinet-Jetten bekend in een Kamerbrief van 20 april 2026. Minister Eelco Heinen (Financiën, VVD) presenteerde het pakket dat €627 miljoen aan uitgavenmaatregelen en €340 miljoen aan lastenmaatregelen voor 2026 omvat, gekoppeld aan de economische gevolgen van de onrust in het Midden-Oosten.

Wat is de startersaftrek ook alweer?

De startersaftrek is een extra fiscale aftrekpost bovenop de zelfstandigenaftrek. Ondernemers die in de afgelopen vijf jaar minimaal één jaar geen ondernemer waren voor de inkomstenbelasting, mogen de aftrek maximaal drie keer toepassen. De aftrek bedraagt €2.123 en verlaagt het belastbaar inkomen. Daardoor betalen startende zzp’ers in de eerste jaren minder inkomstenbelasting — in de praktijk een belastingvoordeel van enkele honderden tot ruim duizend euro per jaar, afhankelijk van het belastingtarief.

Samen met de zelfstandigenaftrek van €1.200 in 2026 kunnen starters dit jaar nog €3.323 aftrekken van hun winst. Vanaf 2027 resteert alleen de zelfstandigenaftrek van €900. Voor starters betekent dat een halvering van het fiscale startersvoordeel in één jaar tijd.

Starters dekken pakket voor energieprijzen

De afschaffing van de startersaftrek is expliciet opgenomen als dekkingsmaatregel. In het persbericht staat dat het kabinet “een aantal andere belastingregelingen aanpast” om de lastenmaatregelen te betalen. Daarbij worden drie regelingen genoemd: de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek wordt versoberd door het maximale investeringsbedrag te verlagen, de startersaftrek wordt per 2027 afgeschaft, en de alcoholaccijns wordt vanaf 2027 geïndexeerd.

Het geld dat hiermee vrijkomt wordt onder meer besteed aan €195 miljoen voor het Noodfonds Energie, een verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding naar €0,25 per kilometer en een tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s en vrachtwagens. Met andere woorden: starters en kleine investerende ondernemers betalen mee aan een lastenverlichting waar werknemers met auto van de zaak, huishoudens met een hoge energierekening en de transportsector vooral van profiteren.

Tweede fiscale aderlating in korte tijd

Voor zzp’ers is de afschaffing niet de eerste fiscale tegenvaller. De zelfstandigenaftrek wordt al jaren stapsgewijs afgebouwd van €6.310 in 2022 naar €900 in 2027. Daarnaast staat de mkb-winstvrijstelling onder politieke druk en werd de oudedagsreserve (FOR) per 2023 geschrapt voor nieuwe opbouw.

De verlaging van het maximale investeringsbedrag in de KIA raakt daarnaast zzp’ers die investeren in bedrijfsmiddelen zoals apparatuur, voertuigen of softwarelicenties. De exacte nieuwe grens moet nog blijken uit de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok en het wetsvoorstel dat volgt.

Startersaftrek afgeschaft: evaluatie wees op beperkte doeltreffendheid

De startersaftrek stond al langer onder kritiek. Uit de evaluatie van fiscale ondernemerschapsregelingen — gepubliceerd in bijlage 10 van de Miljoenennota 2025 — blijkt dat deze regelingen “(zeer) beperkt doeltreffend” zijn in relatie tot het overkoepelende doel: het stimuleren van ondernemerschap met maatschappelijke spill-overs. Het argument daarbij: wie toch al van plan is te starten, doet dat ook zonder aftrekpost. En wie door de aftrek over de streep wordt getrokken, is vaak juist een starter met een zwakke businesscase. Dat argument wordt nu gebruikt om de afschaffing te motiveren.

Voor starters die de afgelopen jaren wél op de aftrek rekenden in hun tariefopbouw, is dat een schrale troost. Met het verdwijnen van zowel de startersaftrek als een groot deel van de zelfstandigenaftrek wordt de fiscale aantrekkelijkheid van het zzp-schap in het startjaar fors kleiner.

Pakket moet nog door Tweede Kamer

Het pakket moet nog worden goedgekeurd door de Tweede Kamer. Gezien de eerdere brede Kamersteun voor het rechtsvermoeden bij laag uurtarief en de kritische toon van meerdere fracties op de nieuwe zzp-koers van minister Van Aartsen, kan het debat over deze dekkingsmaatregelen pittig worden. Vooral omdat startende zzp’ers een groep zijn die Kamerbreed juist op meer ondersteuning rekende, niet op een aderlating.

Wat zzp’ers die in 2025 of 2026 zijn gestart kunnen doen: uitzoeken of nog ruimte is om in belastingjaar 2026 de volledige aftrek te benutten, en tijdig met een boekhouder of fiscalist kijken naar de impact op het netto-inkomen vanaf 2027. Voor wie overweegt nog dit jaar te starten, geldt dat 2026 de laatste kans is om de startersaftrek voor het eerste jaar te claimen.

Bron: Rijksoverheid (Kamerbrief 20 april 2026) · Miljoenennota 2025 bijlage 10 · Ondernemersplein · NOS

Deel dit bericht via:

Kamer steunt rechtsvermoeden van werknemerschap: wat betekent de €38-grens voor jou als zzp’er?

Persoon ondertekent arbeidscontract — rechtsvermoeden werknemerschap zzp 2027
Beeld: Karola G (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Een brede meerderheid in de Tweede Kamer steunt het wetsvoorstel dat het rechtsvermoeden van werknemerschap voor zzp’ers met een uurtarief onder de €38 straks het recht geeft om bij de rechter werknemersstatus op te eisen. De stemming vindt plaats op dinsdag 21 april 2026. Als het wetsvoorstel ook de Eerste Kamer passeert, treedt de wet op 1 januari 2027 in werking — en dat heeft alles te maken met een Europese deadline die in de politieke berichtgeving nauwelijks wordt benoemd.

De kern van het wetsvoorstel is een omkering van de bewijslast. Nu moet een werkende zelf aantonen dat hij feitelijk werknemer is. Straks geldt het omgekeerde: wie voor minder dan €38 per uur werkt, wordt vermoed werknemer te zijn. De opdrachtgever moet dan bewijzen dat er écht sprake is van zelfstandig ondernemerschap. Belangrijk detail: het rechtsvermoeden is facultatief. Alleen de werkende zelf kan er een beroep op doen — de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie niet, althans niet via dit wetsvoorstel. De werkende kan zich daarbij laten bijstaan door een derde partij, zoals een vakbond. Het is ook geen verbod. Je mag als zzp’er gewoon voor minder dan €38 per uur blijven werken, zolang de arbeidsrelatie met je opdrachtgever goed is geregeld.

Het tarief van €38 is afgeleid van het minimumloon en groeit automatisch mee. In 2027 komt het naar verwachting uit op €39. Naar schatting 150.000 zzp’ers werken momenteel voor een tarief onder deze grens.

Rechtsvermoeden werknemerschap: drie groepen zzp’ers, drie situaties

Voor wie ruim boven de €38 werkt, is de impact van dit wetsvoorstel beperkt. Het rechtsvermoeden speelt voor hen geen rol — tenzij een opdrachtgever alsnog een discussie wil voeren over de aard van de arbeidsrelatie, maar dat staat los van dit wetsvoorstel.

Voor zzp’ers die net rond de grens zitten, wordt het relevanter. Zij moeten nauwlettend in de gaten houden hoe hun arbeidsrelatie juridisch is vormgegeven. Als een opdrachtgever hen feitelijk als werknemer behandelt — vaste werktijden, instructiebevoegdheid, exclusiviteit — dan kan straks bij de rechter een arbeidsovereenkomst worden vastgesteld. Voor hen geldt: zorg dat de afspraken met je opdrachtgever kloppen met wat er in de praktijk gebeurt. Raadpleeg bij twijfel ons overzicht van het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 om te zien hoe de Belastingdienst arbeidsrelaties beoordeelt.

De derde groep — zzp’ers ver onder de €38-grens — is tegelijk de meest kwetsbare en de groep die het rechtsvermoeden het minst actief zal inzetten. Juist wie afhankelijk is van zijn opdrachtgever, zal de drempel naar de rechter als hoog ervaren. Kamerlid Boon (PVV) wees hier al op: het rechtsvermoeden is een papieren oplossing als mensen niet naar de rechter durven stappen. BBB-Kamerlid Vermeer formuleerde het scherper: “Zodra je zegt dat mensen zelf naar de rechter moeten stappen om hun recht te halen, geef je eigenlijk al aan dat de wetgeving aan de basis niet goed in elkaar zit.” Patijn (GroenLinks-PvdA) oppert dat de Belastingdienst bestuursrechtelijk moet kunnen handhaven op het rechtsvermoeden, maar minister Aartsen wil dit onderzoeken — het wetsvoorstel regelt het vooralsnog niet.

De EU-deadline die Den Haag stil houdt

Wat in de brede pers nauwelijks aan bod komt: Nederland wordt door de EU feitelijk gedwongen dit wetsvoorstel in te voeren. Niet omdat Den Haag hier zelf op aandringt, maar omdat er serieus geld op het spel staat. De invoering van het rechtsvermoeden is een mijlpaal in het Nederlandse herstelplan dat gekoppeld is aan het Europese coronaherstelfonds (de Recovery and Resilience Facility). De deadline voor publicatie in het Staatsblad is 31 augustus 2026. Haalt Nederland die niet, dan loopt het geld mis. Op zzpnieuws.nl schreven we eerder al over de koppeling tussen Europees geld en zzp-wetgeving.

Het gaat in principe om Nederlands belastinggeld dat via Brussel terugvloeit — maar alleen als Nederland wetgeving maakt die de Europese Commissie goedkeurt. Aartsen zei daar zelf over: “Dat gaat om serieus geld. Per mijlpaal is het 600 miljoen euro. Dit zijn bij elkaar opgeteld drie mijlpalen, dus dat wil wel.” Dat verklaart waarom dit wetsvoorstel — ooit een onderdeel van het bredere en omstreden VBAR-wetsvoorstel — nu als losstaand wetsvoorstel met ongewone snelheid door het wetgevingsproces gaat. Het verduidelijkingsdeel van VBAR schrapte Aartsen in maart 2026 omdat daarvoor geen politiek draagvlak was — zie onze analyse kabinet schrapt omstreden deel VBAR. Het rechtsvermoeden hield hij over als snelste route naar de mijlpaal. Over de nieuwe zzp-koers die Aartsen daarna uitzette, publiceerden we een uitgebreide analyse van de zzp-koersbrief aan de Kamer.

Juridische waarschuwing: civiel papier of veel meer?

Fiscaal juristen plaatsen kritische kanttekeningen bij de veronderstelling dat het rechtsvermoeden puur civielrechtelijke werking heeft. In een position paper die VZN vóór het debat van 15 april naar de Kamer stuurde — zie onze berichtgeving over de VZN-inbreng voor het commissiedebat arbeidsmarkt — wees fiscaal jurist Jasper Commandeur erop dat een logisch gevolg van het aanpassen van de definitie is dat alle wetten die daarnaar verwijzen ook worden aangepast, inclusief de wetten waarop de Belastingdienst zich baseert. De verwachting van het kabinet dat de Belastingdienst zich niet op het rechtsvermoeden zal beroepen, noemt hij mogelijk naïef.

Dit raakt ook aan een praktisch probleem dat tijdens het Kamerdebat naar voren kwam: wat doe je met zzp’ers die niet met een uurtarief maar met een stuksprijs of totaalprijs werken? Bij een vaste projectprijs ligt de bewijslast anders. De werkende moet dan zelf aantonen dat het gehanteerde tarief omgerekend per uur onder de €38 uitkomt. Dat is geen simpele rekensom, en Kamerleden van VVD en JA21 waarschuwden dat dit achteraf kan worden gebruikt om alsnog een dienstverband te claimen.

Zelfstandigenwet wacht in de coulissen

Het rechtsvermoeden is nadrukkelijk een tussenstap. Tot de Zelfstandigenwet in werking treedt — beoogd op 1 januari 2028 — gelden de criteria uit het Deliveroo-arrest en de Uber-uitspraak als maatstaf bij de beoordeling van arbeidsrelaties. Een overzicht van die criteria staat in onze uitleg van de Wet DBA en de Deliveroo-criteria. De webmodule beoordeling arbeidsrelaties is overigens in april 2026 al aangepast door Aartsen, juist om de rol van extern ondernemerschap — versterkt door het Uber-arrest van de Hoge Raad — duidelijker te benoemen.

De Zelfstandigenwet, die VVD, D66, CDA en SGP als initiatiefwetsvoorstel hebben ingediend, moet structureel meer duidelijkheid geven over wanneer iemand echt zelfstandige is. Maar die wet is er voorlopig nog niet. Voor jongeren die via platforms als Temper of YoungOnes bewust voor een lager tarief werken, is er ook na 21 april geen speciale regeling. Het voorstel van SGP-Kamerlid Flach voor een leeftijdsstaffel voor onder de 21 jaar vond nauwelijks gehoor. Aartsen stelde dat jongeren ook na inwerkingtreding van de wet als zzp’er voor een lager tarief aan de slag kunnen, zolang de relatie met de opdrachtgever goed is ingericht.

Na de stemming op 21 april gaat het wetsvoorstel naar de Eerste Kamer. Bij spoedige behandeling moet publicatie in het Staatsblad voor 31 augustus 2026 haalbaar zijn. Inwerkingtreding is dan 1 januari 2027. Of het wetsvoorstel daadwerkelijk de bescherming biedt die het belooft, hangt af van één variabele die de wetgever niet in de hand heeft: de bereidheid van kwetsbare zelfstandigen om hun recht ook daadwerkelijk op te eisen.

Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal · Rijksoverheid · ZZP Nederland · Fiscaal Vanmorgen

Deel dit bericht via:

Overheid breekt eigen belofte: 650 zzp’ers bij Dienst Toeslagen vrezen naheffingen tot 10.000 euro

zzp'ers Dienst Toeslagen naheffingen overheid Den Haag
Beeld: Ivo Nederlof (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Laatst bijgewerkt: 21 april 2026, 19:34

Update 21 april 2026: Twee moties aangenomen, kabinet onder druk

Volgens een overzicht van fiscaal advocaat Boris Emmerig op LinkedIn heeft de Tweede Kamer dinsdag 21 april twee moties aangenomen die het kabinet dwingen tot een oplossing voor de zzp’ers bij Dienst Toeslagen. De motie van Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) en Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) is unaniem aangenomen en verzoekt de regering de eerder gedane belofte na te komen door de naheffingen te vergoeden, inclusief eventuele boetes met betrekking tot de werknemerspremie. De motie van Wendy van Eijk (VVD) is bijna unaniem aangenomen — alleen de SGP stemde tegen — en roept de regering op om vóór de zomer met de betrokken partijen tot een oplossing te komen die de hersteloperatie geen vertraging laat oplopen. De moties van Moinat (SP) / Van Houwelingen (FvD) en Ergin (DENK) / Dijk (SP) zijn verworpen.

Emmerig wijst op een belangrijk juridisch punt: de motie-Patijn/Westerveld spreekt over “naheffingen” zonder beperking, terwijl het kabinet in de Kamerbrief van 15 april alleen sprak over premies werknemersverzekeringen. Onder naheffingen vallen fiscaal-juridisch alle naheffingsaanslagen, dus ook loonbelasting. De eerdere raming van circa 6 miljoen euro kan daarmee een ondergrens zijn.

De staatssecretarissen Eelco Eerenberg (Belastingdienst) en Sandra Palmen (Toeslagen) stelden vorige week nog dat de regels voor iedereen gelden. Zij moeten nu alsnog tot een oplossing komen.


De Dienst Toeslagen trekt een eerder gedane toezegging in: boetes en naheffingen die zzp’ers oplopen door hun werk aan de toeslagenaffaire worden niet vergoed. Dat raakt zo’n 650 zelfstandigen die door de overheid zelf werden ingezet — en die door diezelfde overheid nu als schijnzelfstandigen worden aangemerkt. Het verhaal speelt al meer dan een jaar, maar de financiële rekening wordt nu pas concreet.

Eind 2024 vroeg de Dienst Toeslagen ruim 650 zzp’ers om door te werken aan het herstel van de toeslagenaffaire, omdat de afhandeling anders verder zou vertragen. Het ministerie van Financiën erkende daarbij al dat deze zelfstandigen waarschijnlijk als schijnzelfstandigen moeten worden beschouwd — maar koos er bewust voor hen te blijven inzetten. De staffingbureaus die hen leverden, kregen een schriftelijke garantie: eventuele naheffingen en boetes zouden door Dienst Toeslagen worden vergoed.

Die garantie werd al op 10 februari 2025 per brief ingetrokken, met ingang van 1 april 2025, zo blijkt uit de beantwoording van Kamervragen door staatssecretaris Palmen. Palmen vindt het belangrijk dat de overheid een voorbeeldrol heeft en zich houdt aan wet- en regelgeving — voor iedereen moeten dezelfde regels gelden. De toezegging om naheffingen en boetes te compenseren bleek juridisch niet houdbaar. Op de vraag waarom de eigen toezeggingen niet worden nagekomen, geeft Palmen geen antwoord.

Een jaar van vruchteloos overleg

Sindsdien hebben de betrokken bureaus geprobeerd met het ministerie van Financiën tot een oplossing te komen. Zonder resultaat. Het ministerie is volgens Wout Dekker van Vanberkel Professionals, het voornaamste zzp-bureau waarmee Dienst Toeslagen samenwerkt, “onverbiddelijk”. Nu de naheffingen daadwerkelijk dreigen te vallen, wordt de omvang van de schade voor het eerst concreet in kaart gebracht — en wordt de kwestie breed zichtbaar.

Naheffingen zzp’ers Dienst Toeslagen lopen op tot 10.000 euro

Vanberkel Professionals heeft doorgerekend dat de naheffingen per persoon kunnen oplopen tot 10.000 euro. In totaal gaat het om een bedrag van 6 miljoen euro. Dekker spreekt van zzp’ers die “zeer bezorgd” zijn. De situatie lijkt volgens hem op een “rondpompactie” van geld binnen hetzelfde ministerie van Financiën — van Dienst Toeslagen naar de Belastingdienst, over de rug van bemiddelaars en zelfstandigen. Zijn conclusie is scherp: “Leg dat maar eens uit aan hen én aan de samenleving, zeker in een dossier als dat van de toeslagenaffaire.”

Staatssecretaris Eelco Eerenberg, die over de Belastingdienst gaat, laat via een woordvoerder weten dat hij vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht niet kan zeggen hoeveel zzp’ers een naheffing kunnen verwachten of hoe hoog die zal zijn.

De overheid handhaaft bij zichzelf — maar betaalt niet

De zzp’ers bij het ministerie werden als schijnzelfstandigen aangemerkt omdat ze niet van vaste medewerkers te onderscheiden waren: de overheid bepaalde hoe ze werkten, ze gebruikten computers van het ministerie en waren ingebed in vaste teams. Dat zijn precies de criteria waaraan de Belastingdienst schijnzelfstandigheid toetst — criteria waarvan de rechter overigens niet altijd overtuigd is, zoals bleek uit een recente uitspraak over een zorgprofessional.

Fiscaal jurist Jasper Commandeur wees op LinkedIn al op de bredere implicaties: als de handhaving bij de eigen organisatie daadwerkelijk wordt doorgezet, zou de Belastingdienst zichzelf een naheffingsaanslag moeten opleggen — en mogelijk ook voor de periode vóór 1 januari 2025, als er sprake is van kwaadwillendheid.

Vertragingsrisico voor de toeslagenaffaire

Van de 2.100 medewerkers die momenteel werken aan de afhandeling van de toeslagenaffaire hebben er ongeveer 600 een zzp-constructie. De dreigende naheffingen voor zzp’ers bij Dienst Toeslagen komen op een moment dat de hersteloperatie al jaren vertraging oploopt. De verwachting is dat een groot deel van hen zal vertrekken zodra de staffingbureaus de financiële risico’s niet langer kunnen dragen, wat de afhandeling opnieuw verder zal vertragen — precies wat de overheid eind 2024 probeerde te voorkomen door de zelfstandigen te vragen te blijven.

Palmen erkent het risico, maar zegt dat Dienst Toeslagen werkt aan een afbouwplan en zzp’ers probeert over te halen een vaste aanstelling te accepteren.

Een structureel probleem, geen incident

Deze zaak is het rechtstreekse gevolg van het ontbreken van heldere wetgeving rond zelfstandigheid, gecombineerd met jarenlang uitgestelde handhaving. Toen het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 werd opgeheven, begon de Belastingdienst voor het eerst in jaren daadwerkelijk naheffingen op te leggen bij schijnzelfstandigheid. De politieke strijd over de zachte landing liet zien hoe groot de onrust daarover was — maar voor de zzp’ers bij Dienst Toeslagen bood die discussie geen uitkomst. De overheid bleek niet klaar voor de eigen regels en legt nu de rekening bij de zelfstandigen die zij bewust had ingezet.


Bron: Rijksoverheid (Kamervragen UHT, 17 maart 2025) · AD · Tweede Kamer (stemmingen 21 april 2026) · LinkedIn-bijdrage Boris Emmerig

Deel dit bericht via:

VZN aan Kamer: zzp-beleid mist samenhang en werkt marktverstorend

Laatst bijgewerkt: 7 mei 2026, 09:01

Skyline van Den Haag met het Binnenhof op de voorgrond
Beeld: Ivo Nederlof (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Voorafgaand aan het commissiedebat arbeidsmarktbeleid van 15 april heeft de Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) een position paper gestuurd naar de Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De boodschap is helder: het huidige beleid rondom zzp’ers kent onvoldoende samenhang, werkt in de praktijk marktverstorend en moet worden omgebouwd tot beleid dat uitgaat van ondernemerschap. Tegelijk reageert VZN constructief op de Kamerbrief van minister Aartsen van vorige week: de richting klopt, maar duidelijkheid op papier is één ding — het durven toepassen in de praktijk is waar het de komende tijd om draait.

VZN: verschillende wetten werken elkaar tegen

De kern van de VZN-kritiek is niet gericht op één wet of maatregel, maar op het gebrek aan samenhang tussen verschillende wetgevingstrajecten. De Zelfstandigenwet, de Wet Toelating Terbeschikkingstelling van Arbeidskrachten (WTTA), de platformregelgeving en de mededingingsregels lopen naast elkaar zonder onderlinge afstemming. In de praktijk grijpen deze regelingen op elkaar in met onbedoelde en soms tegenstrijdige effecten.

VZN illustreert dat met een concreet voorbeeld. Een zelfstandig fotograaf die via een platform werkt valt gelijktijdig onder de EU-richtlijn platformwerk, de Wet DBA, de WTTA en de mededingingsregels. Elke regeling hanteert een eigen definitie van ‘zelfstandige’. Zijn juridisch adviseur kan hem niet eenduidig adviseren over zijn rechtspositie omdat de regelingen elkaar op onderdelen tegenspreken. Het CPB en de Raad van State hebben in eerdere analyses al gewaarschuwd voor precies deze samenloop van arbeidsrechtelijke, fiscale en mededingingsrechtelijke definities. Zonder expliciete harmonisatie leidt dit tot rechtsonzekerheid voor zowel ondernemers als opdrachtgevers.

Onvoorspelbaar beleid drijft opdrachtgevers weg

Een tweede knelpunt dat VZN aankaart is het gebrek aan consistent en voorspelbaar beleid. Ondernemers krijgen te maken met regels die regelmatig veranderen of onduidelijk zijn — bij tariefdiscussies, handhaving en subsidieregelingen. In de praktijk leidt dat ertoe dat opdrachtgevers afhaken en zelfstandig ondernemers investeringen uitstellen of niet meer durven te doen.

Een IT-consultant uit Utrecht werkt met tussenpozen vijf jaar voor dezelfde opdrachtgever via een goedgekeurde modelovereenkomst. Na de aankondiging van de hervatting van handhaving besluit de opdrachtgever de samenwerking per direct te beëindigen — niet omdat er sprake is van schijnzelfstandigheid, maar louter uit voorzorg. De ondernemer verliest daarmee ruim 60 procent van zijn jaaromzet. Dit patroon — opdrachtgevers die bij voorbaat afhaken voor zzp’ers — is al langer zichtbaar in meerdere sectoren.

Recente cijfers van HeadFirst Group bevestigen dat patroon. In het eerste kwartaal van 2026 daalde het aantal aanvragen voor flexibel werkenden met 12 procent ten opzichte van het vierde kwartaal van 2025. Bij de overheid — met een aandeel van 44 procent de grootste opdrachtgever van zelfstandigen — was de daling zelfs 21 procent. Volgens Ton Sluiter, manager data bij HeadFirst Group, wijst de forse daling op een voorzichtige start van het jaar bij opdrachtgevers, gedreven door economische onzekerheid en aanhoudende onduidelijkheid rond zzp-wetgeving.

Regelgeving onvoldoende getoetst op uitvoerbaarheid

VZN signaleert ook dat regelgeving onvoldoende wordt getoetst op uitvoerbaarheid voordat die wordt ingevoerd. Een zelfstandig loodgieter in Amsterdam kan zijn werk niet meer uitvoeren in een aangewezen zero-emissiezone. Zijn dieselbus voldoet niet aan de ZE-norm, maar een elektrische vervanger kost €65.000 terwijl zijn gemiddelde jaaromzet €80.000 bedraagt. De investering verdient zich pas na acht jaar terug, terwijl de economische levensduur van het voertuig zeven jaar bedraagt.

Een bouwondernemer schakelt over op een elektrische bestelbus die door het zwaardere accupakket boven de 3.500 kg-grens uitkomt. Hierdoor is plotseling een rijbewijs C vereist, terwijl hij vijftien jaar lang probleemloos met rijbewijs B reed.

Tussenpersonen groeien ten koste van zelfstandigen

Een zorgelijke ontwikkeling die VZN expliciet benoemt is de groeiende rol van tussenpersonen en intermediairs. Zelfstandigen worden steeds vaker verplicht om via deze partijen te werken, ook bij bestaande directe relaties. Daarbij is niet altijd sprake van toegevoegde waarde, terwijl deze partijen wel een marge nemen die ten koste gaat van het tarief van de zelfstandige.

Een zelfstandig software-architect werkte drie jaar rechtstreeks voor een gemeente. Na invoering van de WTTA werd hij verplicht via een erkend detacheringsbureau te werken. Dat bureau hanteert een marge van 18 procent. Zijn effectieve uurtarief daalt van €110 naar circa €90 netto, terwijl zijn taken, verantwoordelijkheden en werkwijze volledig ongewijzigd blijven. In sectoren als de overheid, zorg en bouw rapporteren intermediairs een sterke groei van het volume na de invoering van de WTTA. Marges van 15 tot 25 procent zijn gangbaar, zonder dat er in alle gevallen sprake is van aantoonbare toegevoegde waarde voor opdrachtgever of opdrachtnemer.

Minimumtarieven werken als plafond

VZN signaleert ook een uitholling van het ondernemerschap via cao-achtige afspraken en tariefrichtlijnen. In de praktijk betekent dit dat minimumtarieven als maximum gaan werken en dat zelfstandig ondernemers minder ruimte hebben om zelf afspraken te maken. Dit beperkt het ondernemerschap en vervaagt het onderscheid tussen zelfstandig ondernemer en werknemer.

In de taxibranche publiceren brancheorganisaties richtlijnprijzen als minimumtarief voor zelfstandigen. In de praktijk gebruiken opdrachtgevers deze prijzen als maximumtarief: een zelfstandige ondernemer die hogere tarieven vraagt voor ritten buiten kantoortijden wordt systematisch gepasseerd. Een vergelijkbaar mechanisme doet zich voor in de schoonmaakbranche, waar richtlijnuurtarieven in cao-achtige afspraken zijn opgenomen. Ondernemers die kwalitatief hoogwaardiger dienstverlening aanbieden en daarvoor een premiumtarief vragen, worden in aanbestedingen systematisch benadeeld.

VZN positief over richting Aartsen, maar houdt slag om arm

Ondanks de stevige kritiek reageert VZN constructief op de Kamerbrief die minister Aartsen vorige week stuurde. In een LinkedIn-reactie noemt VZN de verschuiving van “wat mag niet” naar “wat kan wél” sterk. De beweging die Aartsen inzet — erkenning voor zelfstandigen, ruimte om te ondernemen, aanpak van schijnzelfstandigheid — sluit aan bij waar de praktijk al jaren om vraagt.

Tegelijk plaatst VZN een nadrukkelijke kanttekening: duidelijkheid op papier is één ding. Het durven toepassen in de praktijk — door opdrachtgevers, door uitvoeringsorganisaties en door de overheid zelf — is waar het de komende tijd om draait. Zoals wij vrijdag al schreven in onze analyse van de Kamerbrief van Aartsen, is ook advocaat Boris Emmerig nuchter: hij zou vandaag geen ander advies geven dan gisteren. De regels zijn niet veranderd, alleen de toon.

VNO-NCW en AWVN: steun voor rechtsvermoeden, maar risicogerichte handhaving

VZN is niet de enige organisatie die inbreng stuurt voor het debat van 15 april aanstaande. VNO-NCW en MKB-Nederland steunen in hun inbreng de snelle invoering van het rechtsvermoeden en de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (Baz). Tegelijk roepen zij op tot risicogerichte handhaving en het schrappen van Vbar-criteria die meer complexiteit en onzekerheid veroorzaken.

Achter de haast van het kabinet zit ook een financiële drijfveer die weinig aandacht krijgt. Tijdige invoering van het rechtsvermoeden en de Baz is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor geld uit het Europese coronaherstelfonds — per mijlpaal gaat het om €600 miljoen. De deadline voor de eerste mijlpaal is 31 augustus 2026, wat de haast achter het rechtsvermoeden direct verklaart. Wij schreven eerder al over de koppeling tussen Europees geld en zzp-wetgeving en over het risico dat de Kamer de coronasubsidie misloopt door uitstel.

Waar VZN de nadruk legt op samenhang en uitvoerbaarheid vanuit het perspectief van de zelfstandige, kijkt VNO-NCW vooral naar voorspelbaarheid voor werkgevers en opdrachtgevers. Beide organisaties zijn het eens over één ding: de huidige onzekerheid in de markt moet worden doorbroken.

Fiscalisten: rechtsvermoeden heeft bredere consequenties dan gedacht

Fiscaal jurist Jasper Commandeur wijst op een juridische consequentie van het rechtsvermoeden die in de discussie onderbelicht blijft. Het rechtsvermoeden heeft officieel alleen civielrechtelijke werking — het regelt de relatie tussen burger en opdrachtgever. Maar een logisch gevolg van het aanpassen van een definitie is dat alle andere wetten die daarnaar verwijzen ook worden aangepast, inclusief de wetten waar de Belastingdienst over gaat. De verwachting van het kabinet dat de Belastingdienst zich niet op het rechtsvermoeden zal beroepen is volgens Commandeur opmerkelijk — en mogelijk naïef.

Hij plaatst ook een scherpe noot bij de zorgsector: de positieve toonzetting over werken met zzp’ers in de Kamerbrief lijkt niet per se ook voor huisartsen te gelden. Voor waarnemende huisartsen op zzp-basis gold al eerder dat de inzet in bepaalde situaties niet in de rede lag — en dat standpunt lijkt niet te zijn herzien.

Oproep aan de Kamer: beleid moet uitgaan van ondernemerschap

VZN sluit haar position paper af met een duidelijke oproep aan de Kamercommissie. Zelfstandig ondernemerschap is een essentiële pijler van de Nederlandse economie en vraagt om duidelijke regels én ruimte om te ondernemen. Beleid voor zzp’ers moet uitgaan van ondernemerschap en niet van verkapt werknemerschap. Wie ondernemer is moet ook als zodanig worden behandeld — zowel in wetgeving als in uitvoering.

Het debat van 15 april brengt ministers Aartsen en Vijlbrief en staatssecretaris Eerenberg samen met de Kamercommissie. Met de position papers van VZN en VNO-NCW op tafel, de kritische analyse van fiscalisten en de recente Kamerbrief over de nieuwe zzp-koers als vertrekpunt, belooft het een stevig debat te worden.

Update 17 april 2026: debat heeft plaatsgevonden

Het commissiedebat van 15 april heeft de verwachtingen waargemaakt. Ministers Aartsen en Vijlbrief en staatssecretaris Eerenberg stonden een dag lang onder druk van een kritische Kamer. De belangrijkste uitkomst betreft niet het commissiedebat zelf, maar het plenaire debat dat er direct op volgde: de Tweede Kamer debatteerde gisteren ook over het wetsvoorstel rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief.

De uitkomst is duidelijk: een brede Kamermeerderheid steunt het voorstel. Zzp’ers met een uurtarief onder de 38 euro kunnen straks bij de rechter werknemersstatus opeisen. De bewijslast wordt omgedraaid — niet de werkende moet bewijzen dat hij werknemer is, maar de opdrachtgever moet aantonen dat er sprake is van zelfstandig ondernemerschap. De stemming over het wetsvoorstel en de ingediende moties vindt plaats op dinsdag 21 april. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2027.

Achter die datum zit ook een financiële drijfveer. Het rechtsvermoeden moet vóór 31 augustus 2026 in het Staatsblad zijn gepubliceerd om te voldoen aan een mijlpaal uit het Europese coronaherstelfonds — per mijlpaal gaat het om 600 miljoen euro. Dat verklaart de ongewone snelheid waarmee Aartsen dit wetsvoorstel door de Kamer loodst.

In de Kamer klonken wel zorgen. Over de bewijslast bij stuksprijzen en totaalcontracten, waarbij geen uurtarief is afgesproken. Over de impact op jongeren die bewust voor een lager tarief als zzp’er werken via platforms. En over de vraag of de Arbeidsinspectie ook handhavend zou moeten kunnen optreden — iets dat Aartsen nader wil onderzoeken.

Over de Zelfstandigenwet, het grotere wettelijke kader waar VZN en andere organisaties op wachten, is meer geduld vereist. Aartsen schat dat hij de wet eind 2026 naar de Raad van State kan sturen, waarna behandeling in de Tweede en Eerste Kamer volgt. Beoogde inwerkingtreding: 1 januari 2028. De zorgen van VZN over samenhang en uitvoerbaarheid blijven daarmee voorlopig onverminderd actueel.


Noot redactie 7 mei 2026: in een eerdere versie werd in de paragraaf ‘Onvoorspelbaar beleid drijft opdrachtgevers weg’ verwezen naar een AWVN-peiling. Dit cijfer is vervangen door recentere data van HeadFirst Group over Q1 2026.

Bron: Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) · VNO-NCW/MKB-Nederland · EW Magazine · LinkedIn/Jasper Commandeur · HeadFirst Group · Rijksoverheid

Deel dit bericht via:

Minister Aartsen stuurt Kamer zzp-koersbrief: campagne ‘Zo kan zzp wél’, webmodule aangepast, Vbar-verduidelijking geschrapt

Lege plenaire zaal van de Tweede Kamer der Staten-Generaal in Den Haag
Beeld: Jan van der Wolf (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie heeft op 9 april de Tweede Kamer geïnformeerd over de zzp-koers van het kabinet. De centrale boodschap: meer rust en duidelijkheid, minder onzekerheid bij opdrachtgevers. Concreet kondigt het kabinet een communicatiecampagne aan, een aanpassing van de webmodule beoordeling arbeidsrelaties en bevestigt het definitief het schrappen van het verduidelijkingsdeel van de Vbar. De handhaving op schijnzelfstandigheid verandert niet. Tegelijk klinkt er vanuit de zzp-praktijk stevige kritiek: de Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) waarschuwt dat het huidige beleid onvoldoende samenhang kent en in de praktijk tot marktverstoring leidt.

Campagne ‘Zo kan zzp wél’ moet onnodige uitsluiting van zzp’ers tegengaan

Het kabinet erkent in de brief iets wat veel zzp’ers al langer zeggen: opdrachtgevers sluiten bij voorbaat deuren voor zelfstandigen, zonder eerst het gesprek aan te gaan. CBS-cijfers die de minister in de brief aanhaalt, bevestigen de ernst van die beweging: het aantal zzp’ers daalde in 2025 met 62.000. Aartsen noemt het onnodig sluiten van deuren “zonde” en wijt het deels aan onduidelijkheid en een gebrek aan kennis over de geldende regels.

Nog voor de zomer start het kabinet de communicatiecampagne ‘Zo kan zzp wél’. De campagne richt zich op twee groepen. Opdrachtgevers worden gewezen op de aandachtspunten bij een overeenkomst van opdracht. Zelfstandigen worden bewuster gemaakt van waar zij rekening mee moeten houden bij het aangaan van een arbeidsrelatie. Waar eerdere overheidsvoorlichting — zoals de campagne ‘ZZP ja of nee’ — zich vooral richtte op de vraag wanneer inhuur van een zzp’er niet kon, verschuift de toon nu nadrukkelijk naar wanneer het wél kan.

Of die verschuiving ook doorwerkt bij voorzichtige opdrachtgevers, is de vraag. Advocaat en belastingadviseur Boris Emmerig van Holla Legal & Tax is nuchter: hij zou vandaag geen ander advies geven dan gisteren, en verwacht dat de Belastingdienst ook niet anders zal handhaven dan voorheen.

Webmodule wordt bijgewerkt: extern ondernemerschap voortaan prominent

Een concrete aanpassing betreft de webmodule beoordeling arbeidsrelaties. Op de startpagina wordt voortaan de rol van extern ondernemerschap — het ondernemerschap van de werkende buiten de specifieke opdracht — duidelijk benoemd. Dit gezichtspunt viel tot nu toe buiten het bereik van de webmodule, die zich uitsluitend richtte op de arbeidsrelatie zelf.

De aanpassing sluit aan bij de uitspraak van de Hoge Raad van 21 februari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:319), die bepaalde dat extern ondernemerschap volwaardig en zonder rangorde moet worden meegewogen bij het beoordelen van arbeidsrelaties. Ook de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2026 (ECLI:NL:GRAMS:2026:163) in de Uber-zaak speelt mee: het hof oordeelde dat zes Uber-chauffeurs geen arbeidsovereenkomst hadden, juist vanwege hun sterke mate van extern ondernemerschap.

De minister benadrukt daarbij dat extern ondernemerschap niet in alle gevallen doorslaggevend is, maar holistisch wordt meegewogen naast de acht andere gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest. Voor zzp’ers is het praktisch relevant: gedrag als ondernemer buiten de arbeidsrelatie telt mee, en het is verstandig de opdrachtgever daarover actief te informeren.

Advocaat Emmerig plaatst een kritische kanttekening: de brief zegt niets over het verwerken van de recente jurisprudentie in de modelovereenkomsten. Dat zou de praktijk direct helpen, maar blijft vooralsnog uit.

Daarnaast wordt het toetsingskader op basis van de meest recente jurisprudentie gepubliceerd op hetjuistecontract.nl en herziet het kabinet de leidraad die de Rijksoverheid intern gebruikt.

Verduidelijkingsdeel Vbar definitief geschrapt

Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie
Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie. Beeld: Wikimedia Commons

Aartsen bevestigt dat het VBA-deel van de Vbar definitief van tafel gaat. Dit onderdeel moest wettelijk vastleggen wanneer een opdrachtgever iemand als zzp’er mag inhuren. Het stuitte op breed verzet van zzp-organisaties en een groot deel van de Tweede Kamer, omdat de criteria als een verzwaring werden ervaren ten opzichte van de bestaande wet- en regelgeving. Zoals eerder beschreven in onze analyse van de nieuwe zzp-plannen na het coalitieakkoord was het schrappen van dit deel al voorzien.

Het rechtsvermoeden van werknemerschap — het R-deel van de Vbar — gaat wél door, en met hoog tempo. Voor zzp’ers die werken onder een uurtarief van €38 (peildatum 1 januari 2026) geldt straks dat de opdrachtgever moet aantonen dat er sprake is van echte zelfstandigheid. Het kabinet streeft naar publicatie in het Staatsblad uiterlijk 31 augustus 2026. Belangrijk detail: het rechtsvermoeden heeft geen fiscale werking.

Zelfstandigenwet moet structureel houvast bieden — inclusief AOV-verplichting

Als structureel alternatief voor het geschrapte verduidelijkingsdeel werkt het kabinet aan een Zelfstandigenwet, gebaseerd op het initiatiefvoorstel van VVD, D66, CDA en SGP. De wet moet vooraf meer duidelijkheid bieden over wanneer iemand geen werknemer is en als zelfstandige kan worden ingehuurd. In onze eerdere analyse van het Vbar-besluit beschreven we al hoe de wet werkt met drie toetsen: een zelfstandigentoets, een werkrelatietoets en een sectoraal rechtsvermoeden. Tegelijkertijd legt zij de bijbehorende verantwoordelijkheden vast, waaronder een arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenopbouw.

Onderdeel van dat bredere pakket is het wetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (Baz), dat op 20 maart naar de Tweede Kamer is gestuurd. De Baz garandeert zelfstandig ondernemers bij arbeidsongeschiktheid een minimuminkomen. De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de vervolgstappen rond de Zelfstandigenwet.

VZN: beleid mist samenhang en werkt marktverstorend

Terwijl het kabinet aanstuurt op rust en duidelijkheid, klinkt er vanuit de praktijk een andere toon. VZN, de koepelvereniging die ruim 130.000 zelfstandigen vertegenwoordigt, stuurde voorafgaand aan het commissiedebat van 15 april een position paper naar de Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De kern van de kritiek: verschillende wetgevingstrajecten — de Zelfstandigenwet, de WTTA, platformregelgeving en mededingingsregels — werken naast elkaar zonder voldoende samenhang, met onbedoelde en soms tegenstrijdige effecten in de praktijk.

VZN illustreert dat met concrete voorbeelden. Een zelfstandig verpleegkundige met een goedgekeurde modelovereenkomst wordt door een ziekenhuis doorverwezen naar een uitzendbureau, omdat de interne jurist onzeker is over de tariefgrenzen. Haar netto-tarief daalt met circa 15 procent en ze verliest de regie over haar eigen roosterindeling. Dit patroon — zorgorganisaties die bij voorbaat afhaken voor zzp’ers — is al langer zichtbaar in de sector. Een IT-consultant verliest meer dan 60 procent van zijn jaaromzet omdat een opdrachtgever de samenwerking per direct beëindigt — niet vanwege schijnzelfstandigheid, maar louter uit voorzorg na de hervatting van de handhaving.

VZN roept de Kamer op om in het debat van 15 april nadrukkelijk aandacht te besteden aan samenhang en uitvoerbaarheid. De centrale boodschap: beleid voor zzp’ers moet uitgaan van ondernemerschap, niet van verkapt werknemerschap.

Rijksoverheid moet zelf het goede voorbeeld geven

Aartsen benadrukt dat de overheid op twee fronten het goede voorbeeld moet geven. Het aantal schijnzelfstandigen bij departementen moet naar nul — de doelstelling was dit per 1 januari 2026 te hebben afgebouwd. Tegelijk mag er geen sprake zijn van het categorisch uitsluiten van zzp’ers. Wanneer inhuur conform wet- en regelgeving is, moet daar ruimte voor zijn. Dat principe wordt opgenomen in de herziene interne leidraad van de Rijksoverheid, en het kabinet voert hierover gesprekken met onder meer de VNG.

Opvallend gegeven uit de brief: het totale aantal zelfstandigen bij de Rijksoverheid nam in de eerste helft van 2025 juist toe, van 3.778 naar 4.039. Dat laat zien, aldus Aartsen, dat het goed regelen van zelfstandigeninhuur ook binnen de overheid gewoon mogelijk is.

Handhaving blijft, geen zigzagbeleid

Voor zzp’ers die hopen op versoepeling van de handhaving: die komt er niet. De Belastingdienst blijft onverminderd controleren en handhaven op schijnzelfstandigheid. Aartsen schrijft dat de markt niet gebaat is bij zigzagbeleid, maar bij voorspelbaarheid en duidelijke spelregels. Eerder schreven wij al over de toenemende zorgen onder zzp’ers over de gevolgen van de handhaving en over wanneer boetes bij schijnzelfstandigheid terugkeren.

Op 15 april debatteert Aartsen samen met minister Vijlbrief (SZW) en staatssecretaris Eerenberg (Belastingdienst) verder met de Kamer. Het wordt een stevig debat: de VZN-kritiek ligt nu ook officieel op tafel bij de commissieleden.

Bron: Rijksoverheid (Kamerbrief 9 april 2026) · Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) · ZiPconomy · LinkedIn/Boris Emmerig (Holla Legal & Tax)

Deel dit bericht via:

GGZ verdeeld over zzp’ers — maar de professional zelf krijgt geen podium

zzp ggz schijnzelfstandigheid arbeidsmarkt zorgprofessional
Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Kan de ggz zonder zzp’ers? De Nederlandse ggz, brancheorganisatie van ggz-instellingen, legde die vraag voor aan vier professionals. De meningen lopen uiteen — van “de ggz is beter af zónder zzp’ers” tot “wie denkt dat de ggz zonder hen kan, moet eerlijk zeggen wie er dan morgen komt werken.” Het is een interessante discussie. Maar er ontbreekt één stem: die van de zzp’er zelf.

René Dongelmans, voorzitter van Comité ZZP, wees daar in de reacties op. Er zijn honderdduizenden zorgprofessionals werkzaam in de ggz. Dat zijn de mensen die inhoudelijk iets kunnen zeggen over de meerwaarde, het nut en de noodzaak van zzp-inzet. De Nederlandse ggz laat die niet aan het woord. Bestuurders creëren zo hun eigen realiteit — en laten zorgprofessionals en hun patiënten in de kou staan.

De cijfers: tekort groeit, zzp’ers onmisbaar

De arbeidsmarktcijfers liegen er niet om. De ggz kent de hoogste vacaturegraad van de hele sector zorg en welzijn en kampt met grote tekorten in gespecialiseerd personeel. Het arbeidsmarkttekort in de ggz neemt toe van ruim 10.000 personen in 2025 tot bijna 12.000 personen in 2035. En dat terwijl het aantal medewerkers in de ggz-branche de komende tien jaar naar verwachting licht daalt — van 129.900 in 2025 naar 129.200 in 2035.

De gevolgen zijn concreet. Ggz-organisaties geven aan dat teams tijdelijk moeten sluiten wanneer een cruciale specialist — zoals een psychiater — ontbreekt: “Ook al heb je genoeg verpleegkundigen, als je die psychiater niet hebt, kan je de boel gewoon sluiten.”

In die context is de vraag of de ggz zonder zzp’ers kan allesbehalve theoretisch — ze is urgent. Het aandeel zzp’ers in de zorg als geheel groeide van 7% in 2014 naar 11% in 2024 — goed voor 157.000 zelfstandigen. Die groei is geen toeval: het is een directe reactie op krapte, wachtlijsten en de onmogelijkheid om snel genoeg vaste professionals te werven.

Vier visies, één blinde vlek

De Nederlandse ggz presenteert vier stemmen. Vakbondsbestuurder Elise Merlijn (FNV) vindt dat de ggz beter af is zonder zzp’ers en pleit voor strategische personeelsplanning en flexpools van vaste medewerkers. Eddo Spijkman, eigenaar van freelanceplatform Interim GGZ, stelt dat zzp’ers onmisbaar zijn — maar dan wel als echte zelfstandigen, niet als verkapte werknemers. Fred Paling, bestuurder van GGZ inGeest, erkent dat flexibiliteit nodig is maar ziet genoeg alternatieven: detachering, flexpools, uitzendbureaus. Sander Paas, oprichter van zorgbemiddelingsbureau PRTD, is het meest stellig: de ggz kan niet zonder zzp’ers, punt.

Wat opvalt: drie van de vier geïnterviewden zijn bestuurders of werkgevers. De zzp’er in de zorg — de professional die dagelijks op de werkvloer staat — komt niet aan het woord. Dat is een gemis, want juist die professional weet wat er in de praktijk speelt.

Wat de rechter zegt

De discussie over zzp’ers in de zorg wordt te vaak gevoerd op basis van het frame dat de Belastingdienst de afgelopen jaren heeft neergezet: intramurale inzet, gebruik van systemen van de opdrachtgever en werken voor patiënten van de organisatie zouden per definitie wijzen op schijnzelfstandigheid.

De rechter denkt daar anders over. Eerder deze week oordeelde de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een uitspraak over een zelfstandig logopedist dat er géén sprake was van een arbeidsovereenkomst — ondanks intramurale inzet, één opdrachtgever en gebruik van materialen van de praktijk. Doorslaggevend was de afwezigheid van gezag: de professional bepaalde zelf hoe de zorg werd verleend. Wkkgz-verplichtingen zijn geen gezag vanuit de werkgever, maar een nationale wettelijke verplichting voor iedere zorgprofessional.

Die uitspraak is relevant voor de ggz-discussie. Wat Fred Paling beschrijft als onvermijdelijk kenmerk van zorgverlening — werken binnen een organisatie, met protocollen, voor cliënten van de instelling — is volgens de rechter geen bewijs van schijnzelfstandigheid. Het gaat om de gezagsverhouding. Niet om de werkomgeving.

Angst als beleidsinstrument

Het probleem is dat veel ggz-instellingen niet op basis van een rechterlijk oordeel hebben besloten te stoppen met zzp-inzet, maar op basis van angst voor naheffingen. Die angst is begrijpelijk — maar leidt tot besluiten die niet noodzakelijk juridisch verplicht zijn en die de zorgcontinuïteit direct raken.

Intussen wordt de Zelfstandigenwet uitgewerkt als opvolger van het geschrapte VBAR-voorstel. Tot die wet er is, blijft de onzekerheid bestaan. En zolang die onzekerheid bestaat, blijven instellingen kiezen voor de veilige weg — ook als die veilige weg leidt tot gesloten teams, oplopende wachtlijsten en zorgprofessionals die nergens terechtkunnen.

De vraag die niet gesteld wordt

De Nederlandse ggz vraagt zich af of de sector zonder zzp’ers kan. Maar er is een andere vraag die minstens zo urgent is: wat gebeurt er met de zorgcontinuïteit als instellingen uit voorzorg alle zzp-inzet afbouwen, terwijl de rechter aangeeft dat dat helemaal niet noodzakelijk was?

Sander Paas formuleert het het scherpst: cliënten hebben geen tijd voor ideologie. Zij hebben nu zorg nodig. Die constatering geldt ongeacht de contractvorm van de professional die die zorg levert.


Bronnen: de Nederlandse ggz, maart 2026 · AZW trendrapportage GGZ 2025 · Rijksoverheid.nl


Deel dit bericht via:

Freelance of toch niet? Hoe tussenpartijen angst voor de Wet DBA verzilveren ten koste van zzp’ers

Freelance of toch niet?
Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Op Freelance.nl staat een veelzeggende opdrachtomschrijving: “Let op: deze opdracht is enkel uit te voeren via ons 70/30 model. Helaas is ZZP of een doorleenconstructie niet mogelijk.” De LinkedIn-post van Fractional Development Manager Rob Vermeulen over die advertentie groeide in twee dagen naar ruim 400 likes en meer dan 100 comments. De verontwaardiging was voelbaar — en terecht.

Vermeulen verduidelijkte zelf in de reacties dat zijn post niet specifiek tegen Freelance.nl gericht was, maar tegen het bredere fenomeen: het verdienmodel van intermediairs die gebruikmaken van het sentiment rondom de Wet DBA — over de rug van zowel freelancers en zzp’ers als opdrachtgevers. Die nuance is belangrijk, want wat hier zichtbaar wordt is geen incident. Het is een patroon.

Wat is een 70/30 model of midlance?

Midlance is juridisch gezien loondienst. De professional treedt in dienst bij een tussenpartij — een bureau, een detacheerder of een zogenaamde midlance-organisatie — en voert via die constructie opdrachten uit bij eindopdrachtgevers. De midlancer krijgt ongeveer 70% van het uurtarief, de overige 30% gaat naar het bureau. In ruil daarvoor belooft het bureau zekerheid: een basissalaris, pensioen, doorbetaling bij ziekte.

Op papier klinkt dat redelijk. Maar de werkelijkheid is grimmiger. Wie werkt via midlance is noch zzp’er noch gedetacheerde — het is feitelijk altijd loondienst, ook als het wordt aangeboden op platforms die zich profileren als freelance-marktplaatsen.

Wat kost het je concreet?

De rekensom is eenvoudig maar confronterend. Bij een eindtarief van €80 per uur verdien je als zzp’er €12.800 bruto per maand. Als midlancer ontvang je 70% van dat tarief — €8.960 bruto. Dat is een verschil van bijna €3.400 per maand.

Daar bovenop komt het risico van schijnveiligheid. Ex-midlancers geven aan dat de beloofde zekerheid in de praktijk tegenvalt. Daadwerkelijke inkomsten zitten fors onder de beloofde bedragen, omdat er geen opdrachten beschikbaar zijn voor het beoogde tarief — alleen voor een lager uurtarief. De keuze is dan genoegen nemen met minder, of helemaal geen opdracht krijgen. Dat maakt je als professional volledig afhankelijk van de opdrachtenstroom van je werkgever — en van de marges die hij hanteert.

De motor: angst voor de Wet DBA

Steeds meer partijen bieden midlance-achtige modellen aan als alternatief voor zelfstandig ondernemerschap en klassieke detachering, ingegeven door de strengere handhaving op schijnzelfstandigheid. Opdrachtgevers zijn onzeker over naheffingen, bang voor controles van de Belastingdienst. En tussenpartijen springen precies op dat sentiment in.

Dat gevoel leeft breed. In de commentaren onder de Vermeulen-post constateert Katja Steen van platform Fring dat opdrachten voor een groot deel zijn opgedroogd door de handhaving. Alireza Shahrokhi, freelance full stack tester, signaleert dat op Freelance.nl sinds het nieuwe kabinet voornamelijk opdrachten staan die niet geschikt zijn voor zzp’ers — en stelt voor de naam van het platform te veranderen naar “detachering-tussenpartij.nl”. Remko van Buuren stelt de kernvraag: waar moet de oplossing vandaan komen — bij freelancers, bij recruiters en tussenbureaus, of bij opdrachtgevers die door Wet DBA-onzekerheid allerlei constructies proberen?

Het resultaat is een markt die structureel verandert — niet omdat de wet dat vereist, maar omdat onzekerheid over de wet ruimte geeft aan partijen die hun positie willen uitbouwen. Opdrachtgevers geven steeds vaker aan dat een opdracht zich niet leent voor zzp’ers — niet op basis van een rechterlijk oordeel of een boekenonderzoek, maar op basis van risicoperceptie. En de commerciële belangen van de tussenlaag die daartussen is geschoven.

Het probleem: het heet nog steeds ‘freelance’

Wat Vermeulen terecht aankaart is het transparantieprobleem. Een opdracht die uitsluitend via midlance of detachering uitvoerbaar is, heeft niets meer te maken met freelancen. Toch wordt ze aangeboden op een platform dat zich als freelance-marktplaats presenteert, onder het label “freelance opdracht”, met een sollicitatieknop die de indruk wekt dat je als zelfstandige kunt reageren.

Doordat termen als freelance, midlance en detachering geen eenduidige wettelijke definitie hebben, wordt er misbruik van gemaakt. Bedrijven bieden freelance opdrachten aan met een loondienst-constructie — juridisch gewoon een ander woord voor detachering, maar verpakt als zelfstandig ondernemen. Het gevolg is dat zzp’ers die op zoek zijn naar directe opdrachten steeds vaker stuiten op een markt die voor hen is afgesloten — niet omdat de wet het verbiedt, maar omdat tussenpartijen de toegang controleren.

Wat betekent dit voor de zzp-markt?

De brede angst voor de Wet DBA creëert een verdienmodel. Niet voor de professional die het werk uitvoert, maar voor de laag ertussen. Zelfs de bedenker van het originele midlance-concept erkende dat het model vaak slecht wordt gekopieerd en misbruikt. Het systeem wordt ingezet om marges te rechtvaardigen die geen toegevoegde waarde leveren voor opdrachtgever of opdrachtnemer.

Intussen wordt de Zelfstandigenwet door het kabinet uitgewerkt als vervanging van het inmiddels geschrapte VBAR-voorstel. Tot die wet er is, blijft de onzekerheid bestaan — en blijft de tussenlaag groeien die van die onzekerheid profiteert.

Wat kun je als zzp’er concreet doen?

Het begint bij herkenning. Opdrachten via een 70/30 model, midlance of met de vermelding “ZZP niet mogelijk” zijn juridisch loondienst — ook al worden ze gepresenteerd als freelance. Voordat je solliciteert is het verstandig om te achterhalen wie de feitelijke opdrachtgever is en of directe inhuur als zzp’er tot de mogelijkheden behoort. Soms is dat wel degelijk bespreekbaar, zeker als je kunt aantonen dat de samenwerking voldoet aan de Deliveroo-criteria: geen gezagsverhouding, professionele autonomie, en ondernemerschap dat zichtbaar is in meerdere opdrachtgevers of eigen acquisitie.

Is directe inhuur niet mogelijk, dan is de vraag of het 70/30 model de moeite waard is. De rekensom is helder: bij €80 per uur houd je als midlancer ruim €3.000 per maand minder over dan als zzp’er. Alleen als je echt geen opdrachten kunt vinden of bewust kiest voor de zekerheid van een basissalaris, kan midlance een tijdelijke tussenoplossing zijn — maar noem het dan ook zo, en niet freelancen.

Want zoals de cijfers laten zien: €80 per uur is al minder dan het lijkt — maar 70% van €80 per uur is nog veel minder.


Bronnen: Rob Vermeulen, LinkedIn, maart 2026 · ZiPconomy, november 2024 · Het Ondernemersbelang · Rijksoverheid.nl

Deel dit bericht via:

Rechter corrigeert Belastingdienst: zzp’er in de zorg is geen schijnzelfstandige

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

De Belastingdienst heeft jarenlang gesteld dat werken als zzp’er in de zorg in veel gevallen neerkomt op schijnzelfstandigheid. De rechter denkt daar anders over. In een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 maart 2026 oordeelde de rechter dat een zelfstandige zorgprofessional geen schijnzelfstandige is — ook al waren vrijwel alle omstandigheden aanwezig die de Belastingdienst normaal als bewijs aanvoert.

De zaak: een logopedist met één opdrachtgever

De zaak betrof een zelfstandig logopedist die in 2024 werkte voor een logopediepraktijk. De omstandigheden waren op papier precies het soort situatie dat de Belastingdienst als risicovol bestempelt. De zzp’er werkte voor slechts één opdrachtgever, voerde intramurale werkzaamheden uit binnen de organisatie, had geen eigen cliënten maar bedient de patiënten van de praktijk, gebruikte de materialen en het elektronisch patiëntendossier van de opdrachtgever, vergoedde geen kosten voor ruimte of administratieve tools, en liet zich gedurende de hele opdracht geen enkele keer vervangen.

Kortom: een profiel dat de Belastingdienst in de zorgsector standaard als schijnzelfstandigheid kwalificeert. Toch oordeelde de rechter anders.

Oordeel van de rechter: geen gezag, dus geen arbeidsovereenkomst

De rechter keek niet naar de werkomgeving, maar naar de kern van de juridische vraag: was er sprake van een gezagsverhouding? Het antwoord was nee, om drie redenen. De logopedist ontving geen inhoudelijke aansturing over hoe het werk uitgevoerd moest worden. Er werd geen verantwoording afgelegd over persoonlijk functioneren. En welke patiënten geholpen werden en wanneer was aan de professional zelf.

Op basis daarvan concludeerde de rechtbank: er is geen arbeidsovereenkomst, maar een overeenkomst van opdracht. De logopedist werkte als echte zelfstandige.

Dat de zzp’er moest werken met een dossier, moest registreren en moest voldoen aan kwaliteitseisen, zegt volgens de rechter niets over een gezagsverhouding. Die verplichtingen vloeien voort uit de Wet Kwaliteit Klachten en Geschillen Zorg (Wkkgz) — een nationale wettelijke verplichting die voor iedere zorgprofessional geldt, ongeacht de contractvorm.

Belastingdienst tegengesproken

De uitspraak staat in direct contrast met het standpunt dat de Belastingdienst de afgelopen jaren innam. De dienst stelde eerder dat een zorgorganisatie als eindverantwoordelijke per definitie enige mate van werkgeversgezag uitoefent. De rechter verwerpt die redenering. Er is een wezenlijk verschil tussen verantwoordelijk en eindverantwoordelijk zijn — en dat verschil is door de wetgever zelf in de Wkkgz vastgelegd. Het gebruik van protocollen en kwaliteitssystemen is geen aansturing vanuit de opdrachtgever, maar een wettelijke verplichting die de zorgprofessional zelf draagt.

Fiscaal jurist Jasper Commandeur stelde naar aanleiding van de uitspraak op LinkedIn dat de beweringen van de Belastingdienst richting beroepsorganisaties — dat waarnemen als zorgprofessional “zeer waarschijnlijk schijnzelfstandig” of zelfs “onmogelijk” zou zijn — een vergissing zijn geweest. Een vergissing met grote gevolgen: zorgorganisaties die op basis van dat signaal alle zzp-inzet afbouwden, deden dat op basis van een onjuist frame.

Maatwerk, geen sectorbrede veroordeling

Een belangrijk aspect van de uitspraak is de bevestiging van wat juridisch al langer het uitgangspunt is: schijnzelfstandigheid kan alleen worden vastgesteld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van een individueel geval. De rechter toetst holistisch — alle relevante factoren worden in onderlinge samenhang gewogen. Dat is precies wat de rechter hier deed, en wat de Belastingdienst in de praktijk naliet.

De verwachting is dat de Belastingdienst deze uitspraak zal afdoen als “slechts één casus”. Maar dat argument snijdt weinig hout zolang diezelfde dienst brede, niet onderbouwde conclusies trok over sectoren en werkstructuren als geheel.

Wat betekent dit voor zzp’ers in de zorg?

De uitspraak maakt duidelijk dat werken als zzp’er in de zorg juridisch mogelijk is — ook als de werkomgeving intramurale kenmerken heeft. Doorslaggevend is niet wáár of mét welke middelen je werkt, maar of er sprake is van gezag over de inhoud van het werk. Zorgorganisaties die uit voorzorg alle zzp-inzet hebben afgebouwd, deden dat op basis van een onterecht frame.

Concreet zijn de volgende omstandigheden geen bewijs voor een arbeidsovereenkomst: werken op locatie bij de opdrachtgever, het gebruik van het EPD of materialen van de opdrachtgever, het ontbreken van vervanging, het hebben van slechts één opdrachtgever, en het werken voor patiënten van de organisatie. Wat wél telt: wie bepaalt hoe de zorg wordt verleend? Als de zorgprofessional dat zelf bepaalt, op basis van professionele autonomie en wettelijke verplichtingen, is er geen gezag — en dus geen arbeidsovereenkomst.

Dit vonnis sluit aan bij een bredere lijn in de rechtspraak die ook zichtbaar is na het Uber-arrest, waarbij het gerechtshof oordeelde dat de chauffeurs als echte ondernemers moesten worden beschouwd. De rechter weigert consequent mee te gaan in generieke sectorbeoordelingen en toetst elke casus op zijn eigen merites.

De Zelfstandigenwet, die het kabinet momenteel uitwerkt als opvolger van het geschrapte VBAR-verduidelijkingsdeel, moet op termijn meer duidelijkheid bieden over precies dit soort situaties. Tot die tijd geldt wat de rechter vandaag bevestigt: de beoordeling is maatwerk, en de Belastingdienst heeft de afgelopen jaren die lat te breed gelegd.


Bronnen: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 maart 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:1391) · ZZP-erindezorg.nl · LHV · Rijksoverheid.nl

Deel dit bericht via:

Waarom die zzp’er met €80 per uur minder verdient dan jij denkt

zzp uurtarief vergelijking loondienst verborgen kosten
Beeld: Canva Pro / redactie ZZP Nieuws © 2026

Een zzp uurtarief van €80 per uur — en jij trekt een wenkbrauw op. Die collega die twee jaar geleden vertrok om “voor zichzelf te beginnen” stuurt nu facturen waar je U tegen zegt. Tachtig euro. Per uur. Terwijl jij voor €3.500 bruto per maand negentig procent van de werkzaamheden doet die hij ook deed. Hoe durft hij.

Herkenbaar? Voor veel mensen in loondienst voelt het zo. En voor opdrachtgevers die die facturen binnenkrijgen ook. Maar de verontwaardiging berust op een misverstand — een rekenkundig misverstand. Want €80 per uur voor een zzp’er is niet wat het lijkt.

Wat jij ziet en wat je niet ziet

Als werknemer zie je je brutosalaris op je loonstrook. Wat je niet ziet, is wat je werkgever daarbovenop betaalt. En dat is aanzienlijk. De totale loonkosten voor een werknemer met een bruto maandsalaris van €3.000 bedragen in 2026 circa €4.258 per maand — 42% meer dan het bruto salaris.

Dat verschil zit in een stapel verplichtingen die jouw werkgever stil en automatisch voor je regelt: premies voor werknemersverzekeringen, bijdrage aan de Zorgverzekeringswet, vakantiegeld van 8%, pensioenpremie waarvoor werkgevers gemiddeld zo’n 15,8% bijdragen, doorbetaling bij ziekte (twee jaar lang, verplicht), reiskostenvergoeding en opleidingsbudget.

Jij merkt er niets van. Ze staan niet op je loonstrook. Ze bestaan gewoon.

Voor de zzp’er bestaan ze ook. Alleen betaalt hij ze zelf. Elke maand. Van zijn omzet.

De rekening die niemand ziet

Laten we de €80 per uur eens uitpluizen. Een zzp’er die veertig uur per week werkt, factureert in werkelijkheid lang niet al die uren. Een goede vuistregel is dat je ongeveer 60 tot 70 procent van je werkuren kunt factureren. Als je 40 uur per week werkt, kun je waarschijnlijk 24 tot 28 uur declareren. De rest gaat op aan acquisitie, offertes, boekhouden, scholing en alles wat een bedrijf draaiende houdt maar geen factuur oplevert.

Bovendien rekenen de meeste ervaren zzp’ers met zo’n 1.200 declarabele uren per jaar. Bij €80 per uur levert dat een bruto-omzet op van €96.000. Klinkt als veel. Maar dan:

Van €96.000 omzet naar netto inkomen:

PostBedrag per jaar
Zakelijke kosten (laptop, software, boekhouder, verzekeringen, 15%)€ 14.400
AOV-premie (arbeidsongeschiktheidsverzekering, bruto)€ 3.120
Pensioensparen (richtlijn: 20% van winst)€ 15.700
Waarde niet-declarabele werkuren€ 16.000
Resterende winst vóór belasting± € 62.880

Na aftrek van de zelfstandigenaftrek (€1.200 in 2026), MKB-winstvrijstelling en inkomstenbelasting houdt hij netto circa €42.000 tot €45.000 per jaar over. Daarmee komt hij uit op €3.500 tot €3.750 netto per maand.

Vergelijkbaar met een werknemer in loondienst wiens werkgever evenveel betaalt. Precies evenveel — maar dan zonder pensioenopbouw via de werkgever, zonder doorbetaling bij ziekte, zonder WW als de opdrachten opdrogen, en zonder ontslagbescherming.

Wat hij wel heeft: een rekening die jij niet ziet

Vakantie? Die kost hem €15.000 aan gemiste omzet per jaar als hij drie weken neemt — plus doorbetaalde ziektedagen telt hij niet eens mee. Een week griep is gewoon een week zonder inkomsten, met gewoon de vaste lasten van die week.

Daarnaast kost een arbeidsongeschiktheidsverzekering in 2026 gemiddeld €260 bruto per maand. Na aftrek van belasting is dat nog altijd gemiddeld €156 netto per maand. Elke maand, of hij nu werkt of niet. Jij hebt die dekking automatisch via je werkgever en de WIA. Hij niet, tenzij hij er zelf voor betaalt.

En dan is er nog het pensioen. De algemene richtlijn is dat zzp’ers 20 procent van alle inkomsten apart houden voor hun pensioen. Doe je dat niet, dan bouw je niets op boven de AOW. Die AOW dekt voor een alleenstaande grofweg €19.000 per jaar — voor veel mensen onvoldoende om de rekeningen te betalen.

De vuistregel die financieel adviseurs hanteren

Het is geen geheim in de boekhoudwereld. Om op hetzelfde netto besteedbaar inkomen uit te komen, moet het zzp-uurtarief gemiddeld 2,5 tot 3 keer zo hoog zijn als het bruto loondienst-uurloon. Verdubbel het uurloon van een vergelijkbare werknemer in loondienst — die verdient misschien €30 per uur, maar krijgt wél vakantiegeld, pensioen en loondoorbetaling bij ziekte.

Kortom: een werknemer die €30 bruto per uur verdient, moet als zzp’er minstens €60 tot €80 vragen om netto niet achteruit te gaan. Niet om rijker te worden. Gewoon om quitte te spelen.

Dit artikel kan ook praktisch van pas komen als je zelf zzp’er bent en je tarief moet uitleggen aan een nieuwe opdrachtgever. De rekening hierboven legt in één oogopslag uit waarom jouw tarief is wat het is — geen verontschuldiging nodig, gewoon rekenkunde.

De markt bewijst het zelf

Werkgevers die dachten dat zzp’ers “duur” waren, komen er nu achter hoe duur het alternatief is. Uit nieuw onderzoek van werkgeversvereniging AWVN van begin maart 2026: 46 procent van de werkgevers meldt hogere loonkosten doordat zij in plaats van zzp’ers mensen inhuren via andere flexvormen zoals uitzenden en detachering — tegenover 27 procent een jaar eerder.

Opvallend is bovendien dat 47% van de werkgevers zzp’ers een vaste aanstelling heeft aangeboden, maar slechts 6% van de werkgevers geeft aan dat zzp’ers bereid zijn om in loondienst te komen. Zzp’ers die de rekening kennen, weten wat loondienst hen kost.

Wat zegt de politiek?

De discussie over zzp-tarieven speelt ook in Den Haag. De politiek heeft jarenlang betoogd dat zzp’ers een fiscaal voordeel genieten ten opzichte van werknemers. Dat klopt deels — vandaar de versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek van €6.310 in 2022 naar €1.200 in 2026. Maar die discussie gaat voorbij aan de andere kant van de balans: de kosten die werkgevers voor werknemers dragen en die zzp’ers zelf moeten ophoesten.

Wel erkent de overheid de onderkant van het probleem. Het kabinet wil zzp’ers die tot €38 per uur verdienen een sterkere rechtspositie geven. Wie onder dat tarief werkt, kan straks makkelijker stellen dat er eigenlijk sprake is van werknemerschap. Dat is niet toevallig precies de grens waar de rekenmachine ook op uitkomt: wie minder vraagt, kan de verborgen kosten van het ondernemerschap nauwelijks dekken. Lees meer over de achtergrond van die wetgeving in ons artikel over de Zelfstandigenwet.

De conclusie

Die zzp’er met zijn €80 per uur? Hij verdient netto waarschijnlijk evenveel als zijn vroegere collega in loondienst. Misschien iets meer, misschien iets minder — afhankelijk van hoe goed hij zijn boekhouding op orde heeft, hoeveel hij spaart voor pensioen en of hij zijn AOV heeft geregeld.

Het verschil zit niet in de uitkomst. Het zit in het risico. Geen opdrachten betekent geen inkomen. Bij ziekte vallen de inkomsten weg. Een werkgever die twee jaar doorbetaalt bestaat niet. Geen collectieve pensioenregeling. Geen WW.

Dat €80 per uur is geen graailoon. Het is de prijs van dat risico — netjes doorberekend.

Tot slot: over die €80

Eén nuance verdient nog aandacht. €80 per uur klinkt hoog, maar het is vrijwel precies het landelijk gemiddelde. Volgens onderzoek van Knab onder 20.000 zelfstandigen bedraagt het gemiddelde zzp-uurtarief in Nederland €81 per uur. Daarbinnen zitten enorme verschillen: een zzp’er in de zorg of bouw zit vaak op €40 tot €60, een IT-consultant of jurist al snel boven de €100. Veel zzp’ers herkennen €80 dus helemaal niet als “hoog” — zij dromen er eerder van.

Bovendien werkt zo’n 92% van alle zzp’ers gewoon op uurbasis. Werken op projectbasis of vaste prijs is slimmer als je snel en efficiënt werkt, maar uurtje-factuurtje is en blijft de norm. De rekensom in dit artikel geldt dus voor de overgrote meerderheid.

En voor wie nu denkt: ik zit op €40 of €50 en vraag me af of ik ooit bij €80 kom — de rekening werkt precies hetzelfde op elk niveau. Ook bij €50 per uur gaan er AOV, pensioen, niet-declarabele uren en zakelijke kosten af. Juist daarom loont het om je zzp uurtarief serieus te nemen en regelmatig te herijken. Niet als hebzucht, maar als noodzaak.


Bronnen: AWVN ledenonderzoek maart 2026 · CBS arbeidsmarktcijfers 2025 · Knab Uurtarievenboekje 2025 · Rijksoverheid.nl

Deel dit bericht via:

Verplichte AOV voor zzp’ers naar Tweede Kamer: twee jaar wachten op een uitkering op minimumniveau

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

De ministerraad heeft vrijdag het wetsvoorstel voor de verplichte AOV voor zzp’ers goedgekeurd — officieel de Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ). Daarmee gaat het voorstel naar de Tweede Kamer. Na jaren van discussie, vier kabinetten en scherpe kritiek van de Raad van State nadert het moment waarop de wet er waarschijnlijk daadwerkelijk doorheen komt — maar wat zzp’ers daarvoor terugkrijgen, valt velen bitter tegen.

Wat staat er in het wetsvoorstel?

De BAZ is een publieke basisverzekering voor IB-ondernemers: zzp’ers en andere zelfstandigen met een eenmanszaak. De premie bedraagt 5,4% van de winst, met een maximum van 171 euro per maand. Dat bedrag is gebaseerd op het minimumloon van 2025 en wordt geïndexeerd — in 2026 stijgt het al naar circa 177 euro, in 2027 naar ongeveer 181-185 euro. Als iemand arbeidsongeschikt raakt, geldt een wachttijd van twee jaar voordat diegene een uitkering krijgt. In de eerste twee jaar is het de eigen verantwoordelijkheid om inkomstenderving op te vangen, bijvoorbeeld met eigen spaargeld of de inkomsten van een partner.

Directeur-grootaandeelhouders met een bv vallen niet onder de basisverzekering. Hetzelfde geldt voor zzp’ers die naast hun zelfstandige werk als werknemer werken en via de WIA al voldoende verzekerd zijn.

Waarom heeft het kabinet zoveel haast?

Minister Thierry Aartsen (VVD, Werk en Participatie) zet bewust vaart achter de BAZ, en dat heeft twee harde redenen. Het wetsvoorstel is onderdeel van de Europese afspraken over het coronaherstelfonds: als Nederland de afspraken niet nakomt, riskeren we 600 miljoen euro aan Europees steungeld. De deadline voor dit onderdeel van het pakket ligt op 31 augustus 2026.

Daarnaast wordt de BAZ straks een formeel vereiste in de aankomende Zelfstandigenwet. Wie als zelfstandige wil werken, moet een voorziening tegen arbeidsongeschiktheid hebben. De BAZ is de publieke basisvulling voor die plicht. De koppeling maakt het politiek moeilijker om de BAZ af te wijzen zonder ook de Zelfstandigenwet te torpederen.

De uitkering: minder dan veel zzp’ers verwachten

Het kabinet presenteert de BAZ als een sociaal vangnet, maar de bescherming die de regeling biedt, is in de praktijk beperkt. Na twee jaar arbeidsongeschiktheid ontvang je een uitkering van 70% van je vroegere inkomen, maar nooit meer dan het minimumloon. Voor de meeste zzp’ers die gewend zijn aan een inkomen boven het minimumloon — denk aan 4.000 of 5.000 euro per maand — betekent dat in de praktijk dat ze terugvallen op een uitkering van ruwweg 2.000 euro netto, ongeacht wat ze eerder verdienden.

Daar komt bij dat de beoordeling strenger is dan bij de WIA voor werknemers. Bij de BAZ beoordeelt het UWV of de zelfstandige eenvoudige functies — zoals receptionist, parkeerbeheerder of productiemedewerker — kan uitvoeren voor het minimumloon, in het eigen of een ander bedrijf. Als dat zo is, krijgt de zelfstandige geen uitkering. Het UWV hanteert daarbij het alles-of-niets-principe: volledig arbeidsongeschikt of geen recht op een uitkering. Bij een private AOV op basis van beroepsarbeidsongeschiktheid is de beoordeling persoonlijker en gericht op je eigen werk — de publieke BAZ biedt die bescherming niet.

De eerste twee jaar na een ziekmelding ben je hoe dan ook op jezelf aangewezen. Voor zzp’ers zonder buffer of partner met inkomen is dat een reëel risico. Lees in ons eerdere artikel waarom een groot deel van de zelfstandigen nu al onverzekerd opereert en wat de financiële risico’s zijn.

Kritiek van alle kanten

De Raad van State concludeerde in december dat de BAZ niet of nauwelijks uitvoerbaar is, zeker zolang de uitvoeringsproblemen bij de WIA niet zijn opgelost. De Raad adviseerde eerst de WIA verdergaand te vereenvoudigen. Dat advies is niet opgevolgd; het kabinet heeft het wetsvoorstel wel aangepast — onder meer door de wachttijd te verlengen van één naar twee jaar — maar is inhoudelijk doorgegaan.

Belangenorganisatie ZZP Nederland blijft kritisch en denkt dat de beoogde invoeringsdatum van 2030 niet eens gehaald wordt. Het UWV, dat straks verantwoordelijk wordt voor de claimbeoordeling en uitkeringen, heeft eerder gewaarschuwd dat het de uitvoering nauwelijks aankan. De Belastingdienst int de premies.

Opt-out: kan ik eruit blijven?

Wie al een private AOV heeft die vergelijkbaar is met de BAZ, kan gebruikmaken van de opt-out. De voorwaarde is dat de wachttijd van de private verzekering niet langer is dan twee jaar en de uitkering minstens vergelijkbaar is. Overstappen kan eens per jaar.

Zzp’ers die kiezen voor een private verzekering betalen geen reguliere BAZ-premie, maar wel een stabiliteitsbijdrage. Dat bedrag is nog niet vastgesteld. De maatregel moet voorkomen dat verzekeraars alleen de gezonde, goedkope risico’s opnemen terwijl de moeilijkere gevallen automatisch in het publieke stelsel terechtkomen.

Een cruciaal punt voor wie al verzekerd is: de peildatum voor het overgangsrecht is nog niet officieel vastgesteld, maar wordt verwacht in 2026. Wie vóór die datum een private AOV heeft die aan de voorwaarden voldoet, kan mogelijk onder het soepelere overgangsrecht vallen. Lees in ons uitgebreide artikel wat al vastligt en wat nog onzeker is rond de BAZ, inclusief de eindleeftijdseis als kernpunt van het overgangsrecht.

Wat kost een private AOV nu?

De premies voor een private AOV variëren sterk per beroep. Wie de vergelijking wil maken met de maximale BAZ-premie van 171 euro per maand, doet er verstandig aan de markt te verkennen. In ons overzicht lees je wat een arbeidsongeschiktheidsverzekering kost per beroepsgroep — van IT-consultant tot dakdekker.

Wat nu?

Het wetsvoorstel gaat naar de Tweede Kamer voor behandeling. De politieke discussie zal zich concentreren op twee vragen: kan het UWV dit er werkelijk bij hebben, en hoe betaalbaar is de verplichting voor zzp’ers met een laag inkomen? Invoering vóór 2030 blijft onwaarschijnlijk, maar de kans dat de wet er uiteindelijk doorkomt, is na vrijdag groter dan ooit.


Bronnen: Rijksoverheid.nl · Raad van State · NOS · ZiPconomy

Deel dit bericht via:

Kabinet schrapt omstreden deel VBAR: wat verandert er echt voor zzp’ers?

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie heeft vrijdag een belangrijke koerswijziging aangekondigd: het kabinet schrapt in 2026 het omstreden verduidelijkingsdeel van de VBAR. Tegelijkertijd maakt het kabinet juist vaart met het rechtsvermoeden van werknemerschap voor zzp’ers met een laag uurtarief. Voor zelfstandigen is dit nieuws met twee kanten.

Opmerkelijk detail: Aartsen ontmantelt het wetsvoorstel van zijn voorgangers binnen twee weken na zijn aantreden. Het is geen toeval — als Kamerlid schreef hij zelf al een alternatief.

Wat is de VBAR en wat wordt er precies geschrapt?

De wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) bestond uit twee delen. Het VBA-deel moest wettelijk vastleggen wanneer een opdrachtgever iemand als zzp’er mag inhuren. Dit deel stuitte op zoveel kritiek — van zzp-organisaties én een groot deel van de Tweede Kamer — dat het kabinet besluit het van tafel te halen. De kern van de kritiek: de VBAR had te weinig oog voor het ondernemerschap van zelfstandigen. In het coalitieakkoord van januari was al aangekondigd dat de VBAR zou worden opgesplitst — vrijdag werd dat voornemen omgezet in een concreet besluit.

Het R-deel van de VBAR — het rechtsvermoeden van werknemerschap — blijft wél overeind en gaat er zelfs versneld doorheen.

Rechtsvermoeden: wat betekent dat concreet?

Het rechtsvermoeden houdt in dat zzp’ers die werken voor een tarief onder de €38 per uur straks eenvoudiger bij de rechter kunnen afdwingen dat zij als werknemer worden behandeld. De redenering van het kabinet: wie minder dan €38 per uur verdient, kan redelijkerwijs niet van dat inkomen leven én tegelijkertijd sparen voor pensioen, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.

De bewijslast wordt omgedraaid. Niet de zzp’er hoeft te bewijzen dat hij eigenlijk werknemer is, maar de opdrachtgever moet aantonen dat er sprake is van echte zelfstandigheid. Aartsen verwacht ook een preventieve werking: opdrachtgevers die zzp’ers tegen lage tarieven inhuren, worden gedwongen beter na te denken over hoe ze dat organiseren.

Belangrijk om te weten: het rechtsvermoeden is geen verbod om onder dat tarief te werken. Een zzp’er die tevreden is met zijn situatie, hoeft er niets mee te doen. Alleen werkenden zelf kunnen er een beroep op doen — de Belastingdienst en Arbeidsinspectie niet. Het kabinet mikt erop dat dit deel voor de zomer door beide Kamers is aangenomen, zodat het begin 2027 kan ingaan.

Aartsen voert zijn eigen wet in

In de plaats van het geschrapte VBA-deel komt de Zelfstandigenwet — een initiatiefwetsvoorstel dat Aartsen als Kamerlid zelf ontwikkelde, samen met D66, CDA en SGP. Nu hij minister is in het kabinet van D66, VVD en CDA, krijgt hij de ruimte om die wet verder uit te werken en in te voeren. De Zelfstandigenwet werkt met drie toetsen om te bepalen of iemand als zzp’er werkt — een zelfstandigentoets, een werkrelatietoets en een sectoraal rechtsvermoeden — en is geïnspireerd op Belgische wetgeving. Zoals eerder beschreven in onze analyse van de nieuwe zzp-plannen is de grote vraag nu hoe snel de concrete uitwerking volgt en hoe die er precies uit gaat zien.

Handhaving gaat gewoon door

Een misverstand dat snel de wereld uit kan: de handhaving op schijnzelfstandigheid verandert niet. Die loopt sinds 1 januari 2025 en blijft onverminderd van kracht. Aartsen waarschuwt wel voor de overreactie die hij ziet bij opdrachtgevers die sindsdien helemaal niet meer met zzp’ers willen werken uit angst voor naheffingen. Zijn boodschap is helder: je kunt prima met zzp’ers werken, als je het maar goed regelt.

Europese dimensie

Er speelt ook een Europese factor. Nederland dreigt een korting van €600 miljoen mis te lopen op bijdragen uit het Europese coronaherstelplan als het de arbeidsmarkt niet hervormt. Aartsen wil een aangepast voorstel indienen bij Brussel waarbij het geschrapte deel van de VBAR geen onderdeel is. Of dat volstaat om de korting te vermijden, is nog onzeker.

Wat betekent dit voor jou als zzp’er?

Werk je ruim boven de €38 per uur? Dan heeft deze aankondiging op korte termijn weinig directe gevolgen. Uit onderzoek van ZZPKiest blijkt bovendien dat zzp’ers met hogere tarieven het rechtsvermoeden juist steunen — het geeft hen rust en duidelijkheid. Werk je onder dat bedrag? Dan is het rechtsvermoeden straks op jou van toepassing. Het is verstandig je situatie goed te (laten) beoordelen, ook als je er zelf tevreden mee bent.

De grote vraag die overblijft is of de Zelfstandigenwet daadwerkelijk de duidelijkheid brengt die de VBAR niet kon brengen. De discussie over zzp-wetgeving loopt in Nederland al tien jaar. Ook op gemeentelijk niveau groeit de druk: bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 staat het zzp-beleid op lokaal niveau steeds vaker op de agenda. Of dit kabinet het sluitstuk schrijft op nationaal niveau, moet de komende maanden blijken.


Bronnen: ZiPconomy · Accountancy Vanmorgen · Rijksoverheid.nl

Deel dit bericht via:

Zelfstandigenaftrek daalt in 2026 naar €1.200: wat betekent dat concreet voor zzp’ers?

Beeld: Canva Pro / redactie ZZP Nieuws © 2026

De zelfstandigenaftrek is in 2026 meer dan gehalveerd. Waar zzp’ers in 2025 nog €2.470 van hun winst mochten aftrekken, is dat bedrag dit jaar teruggebracht naar €1.200 — een daling van ruim 51 procent. Voor de gemiddelde zelfstandige betekent dit een hogere belastingaanslag over hetzelfde inkomen.

Wat is de zelfstandigenaftrek?

De zelfstandigenaftrek is een fiscale aftrekpost voor ondernemers. Je trekt een vast bedrag af van je winst voordat de belasting wordt berekend. Zo verlaag je je belastbare inkomen en betaal je minder belasting. De aftrek geldt niet automatisch: de Belastingdienst moet je aanmerken als ondernemer voor de inkomstenbelasting én je moet minimaal 1.225 uur per jaar aan je onderneming besteden — het zogeheten urencriterium. Heb je aan het begin van het jaar de AOW-leeftijd al bereikt? Dan heb je recht op de helft: in 2026 is dat €600.

Van €6.310 naar €900 in zes jaar

De daling van dit jaar is geen verrassing, maar wel een grote stap. Sinds 2022 bouwt de overheid de zelfstandigenaftrek versneld af. Het doel is het belastingvoordeel van zelfstandigen ten opzichte van werknemers in loondienst te verkleinen. Het traject loopt van €6.310 in 2022 naar €2.470 in 2025, dan €1.200 in 2026 en uiteindelijk €900 in 2027 — het voorlopig eindpunt.

Critici wijzen er al jaren op dat zzp’ers structureel minder belasting betalen over hetzelfde inkomen dan mensen in loondienst. De versnelde afbouw is de overheid’s antwoord op die kritiek.

Wat betekent dit voor je portemonnee?

Het voordeel wordt kleiner door het lagere bedrag, maar er geldt ook een tariefbeperking. De Belastingdienst berekent het voordeel tegen een tarief van 37,56%. Daarmee komt de maximale belastingbesparing in 2026 uit op circa €450 (€1.200 × 37,56%). In 2025 was dat nog ruim €927 (€2.470 × 37,56%). Over hetzelfde inkomen betaal je dit jaar dus al snel enkele honderden euro’s meer aan belasting.

Benut je de volledige €1.200 niet omdat je winst te laag is? Dan gaat het niet-gebruikte bedrag niet verloren. Je verrekent het in de komende 9 jaar, mits je winst in die jaren hoog genoeg is.

Starters hebben een extra buffer

Startende ondernemers hebben naast de zelfstandigenaftrek ook recht op de startersaftrek. Die blijft in 2026 ongewijzigd op €2.123. Samen kunnen starters in 2026 dus €3.323 aftrekken van hun winst. In 2025 was dat nog €4.593. Het totale voordeel neemt ook voor starters merkbaar af, maar de startersaftrek biedt nog altijd een welkome compensatie.

Wat kun je nu doen?

De verlaging geldt vanaf 1 januari 2026 voor het lopende belastingjaar. Doe je aangifte over 2025? Dan geldt nog de oude aftrek van €2.470. Ben je nu actief als zzp’er? Controleer dan of je uurtarief en verwachte winst nog in lijn zijn met de hogere belastingdruk van dit jaar.


Bronnen: Belastingdienst · Ondernemersplein (Rijksoverheid)

Deel dit bericht via:

Vier op de tien werknemers wil zzp’er worden, maar het aantal zelfstandigen daalt juist

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Bijna vier op de tien werknemers overweegt de stap naar zelfstandig ondernemerschap. Tegelijk is het werkelijke aantal zzp’ers in 2025 voor het eerst in jaren gedaald — en juist onder de leeftijdsgroep die het meest enthousiast is over het zzp-schap is de afname het grootst. Nieuwe cijfers van Intelligence Group en het CBS laten een opvallende paradox zien.

De ambitie is groot, maar neemt licht af

Uit het Arbeidsmarktgedragsonderzoek van Intelligence Group, uitgevoerd in het laatste kwartaal van 2025, blijkt dat 14 procent van de werknemers zeker zzp’er wil worden. Nog eens een kwart zegt het te overwegen. Samen gaat het dus om zo’n vier op de tien werknemers die de overstap naar zelfstandig ondernemerschap serieus in gedachten heeft.

Die ambitie is wel iets gedaald ten opzichte van begin 2024 — vlak voor de hervatting van de handhaving op schijnzelfstandigheid — toen nog 17 procent van de werknemers ‘ja’ zei en 26 procent ‘misschien’. De wens is dus niet verdwenen, maar koelt langzaam iets af.

Jongeren zijn het meest enthousiast: van de 15- tot 24-jarigen wil 22 procent zzp’er worden. Hoe ouder de werknemer, hoe lager dat percentage. De wens is ook iets groter onder mannen dan onder vrouwen, wat overeenkomt met de feitelijke verhouding onder zelfstandigen: 63 procent man, 37 procent vrouw.

Van de huidige zzp’ers wil 11 procent liever in loondienst, en 38 procent sluit dat niet uit. De groep die dat zeker niet wil kromp van 51 naar 48 procent. Ook onder zelfstandigen neemt de zekerheid over de eigen positie dus licht af.

Ondertussen daalt het werkelijke aantal zzp’ers fors

Terwijl de aspiraties groot blijven, vertelt de praktijk een ander verhaal. Het CBS rapporteerde eerder deze maand dat het aantal zzp’ers in 2025 met 62.000 is gedaald tot circa 1,2 miljoen. Daarmee is een einde gekomen aan een jarenlange, ononderbroken groei die het totaal in tien jaar tijd met zo’n 370.000 had opgedreven.

De oorzaak is direct: per 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst strenger op schijnzelfstandigheid. Opdrachtgevers zijn terughoudender geworden bij het inhuren van zelfstandigen, met name in sectoren als zorg, bouw, techniek en platformdiensten. In het eerste kwartaal van 2025 stapten alleen al 59.000 zzp’ers over naar loondienst — bijna twee keer zoveel als een jaar eerder. ZZP Nieuws beschreef eerder al hoe het aantal actieve zelfstandigen daalt terwijl KVK-inschrijvingen nog licht groeien: die schijnbaar tegenstrijdige cijfers hebben alles te maken met het verschil tussen administratieve registraties en wie daadwerkelijk aan het werk is.

Jongeren haken het sterkst af

Juist de leeftijdsgroep die het meest geïnteresseerd is in het zzp-schap, is in de praktijk het sterkst afgehaakt. Van de 15- tot 27-jarigen daalde het aantal actieve zzp’ers met 18 procent, van 105.000 naar 86.000. Onder 27-plussers was de daling met 4 procent aanzienlijk kleiner.

De terugval is zichtbaar in vrijwel alle beroepsgroepen, maar het hardst in zorg en welzijn: van 12.000 naar 7.000 jonge zelfstandigen. Ook in agrarische beroepen, creatieve functies, technische beroepen en de dienstverlening nam het aantal jonge zzp’ers merkbaar af. Alleen in transport, logistiek en commerciële beroepen groeide het aantal jonge zelfstandigen nog.

Opvallend genoeg zijn jonge werkenden niet van de arbeidsmarkt verdwenen. Het totale aantal werkende jongeren nam in 2025 juist toe — zowel het aantal met een vast als met een flexibel dienstverband groeide. Een groot deel van de voormalige jonge zzp’ers is dus niet gestopt met werken, maar overgestapt naar loondienst.

Droom en werkelijkheid lopen verder uiteen

De KVK registreerde in 2025 slechts 178.000 nieuwe zzp’ers, tegen 206.000 in 2024. Omgerekend is dat zo’n 2 procent van alle werknemers in loondienst — terwijl vier op de tien zeggen te willen overstappen. De kloof tussen ambitie en daadwerkelijke actie was zelden zo zichtbaar.

Dat betekent niet dat zelfstandig werken verdwijnt. Nederland telt nog steeds 1,2 miljoen zzp’ers en in specialistische sectoren blijft de vraag naar flexibele professionals groot. Maar de tijd dat starten als zzp’er bijna vanzelf ging, en dat opdrachtgevers zonder veel vragen zelfstandigen inhuurden, lijkt voorbij. Wie nu de stap overweegt, doet er goed aan niet alleen te kijken naar de wens, maar ook naar de sector, de contractvorm en de realiteit van een markt die structureel aan het verschuiven is.


Bronnen: 

Intelligence Group – Arbeidsmarktgedragsonderzoek Q4 2025 (via Zipconomy, 26 februari 2026)

CBS – Aantal zzp’ers in 2025 gedaald met 62 duizend, cbs.nl (12 februari 2026) CBS – Landelijke Jeugdmonitor: aantal zzp’ers daalt het sterkst onder jongeren, cbs.nl (februari 2026)

KVK – Jaarrapportage startende ondernemers 2025

Deel dit bericht via:

Meer aandacht voor zzp’ers in gemeentebeleid gevraagd richting verkiezingen 2026

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Met de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 in zicht vraagt belangenorganisatie ZZP Nederland nadrukkelijk aandacht voor de positie van zelfstandigen zonder personeel in lokale coalitieakkoorden. Volgens de organisatie spelen gemeenten een grotere rol voor ondernemers dan vaak wordt gedacht, terwijl zzp’ers in lokaal beleid lang niet altijd expliciet worden meegenomen.

Het initiatief past in een bredere discussie over de positie van zelfstandigen in Nederland, waarbij landelijke wetgeving, handhaving en economische ontwikkelingen steeds vaker ook lokaal effect hebben.

Gemeenten belangrijke opdrachtgever voor zzp’ers

Voor veel zelfstandigen zijn gemeenten een directe of indirecte opdrachtgever. Denk aan:

  • tijdelijke opdrachten bij gemeentelijke projecten,
  • aanbestedingen in zorg, ICT, bouw en dienstverlening,
  • regionale economische initiatieven.

Veranderingen in gemeentelijk beleid kunnen daarom direct invloed hebben op de opdrachtenmarkt voor zzp’ers.

Lokale regelgeving steeds relevanter

Naast opdrachten spelen gemeenten ook een rol via regelgeving en uitvoering van beleid. Voorbeelden zijn:

  • vergunningen en lokale belastingen,
  • duurzaamheids- en mobiliteitsbeleid,
  • economische stimulering en subsidies.

Volgens ondernemersorganisaties wordt het belang van deze lokale factoren vaak onderschat in discussies over zelfstandig ondernemerschap.

Oproep richting nieuwe coalitieakkoorden

ZZP Nederland roept gemeenten op om zelfstandigen expliciet mee te nemen in toekomstige coalitieakkoorden. Daarbij gaat het onder meer om:

  • toegankelijk houden van gemeentelijke opdrachten,
  • beperken van administratieve lasten,
  • duidelijke uitvoering van landelijke regelgeving,
  • aandacht voor lokaal ondernemerschap.

De organisatie benadrukt dat zelfstandigen een substantieel deel van de Nederlandse arbeidsmarkt vormen en bijdragen aan flexibiliteit en innovatie.

Landelijk beleid werkt lokaal door

Tegelijkertijd blijft landelijke wetgeving rond zzp’ers volop in beweging. Discussies over arbeidsrelaties, handhaving en mogelijke nieuwe regelgeving zorgen voor onzekerheid bij zowel opdrachtgevers als zelfstandigen.

Gemeenten krijgen daardoor steeds vaker te maken met vragen over inhuur, aanbestedingen en de positie van zelfstandigen binnen lokale economieën.

Blik vooruit

Met de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 in aantocht wordt verwacht dat lokaal economisch beleid meer aandacht krijgt. Voor zzp’ers kan dit invloed hebben op opdrachten, regelgeving en ondersteuning vanuit gemeenten.

Hoe groot die impact precies wordt, hangt af van politieke keuzes op lokaal én landelijk niveau.


Bronnen

ZZP Nederland – oproep aan gemeenten over zzp’ers in coalitieakkoorden 2026-2030
Arbeidsmarkt- en beleidsanalyses rond zelfstandig ondernemerschap en lokaal economisch beleid

Deel dit bericht via:

Kwart zzp’ers ziet opdrachten verdwijnen door onzeker beleid

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Een groeiend aantal zelfstandigen merkt dat opdrachten moeilijker te verkrijgen zijn. Uit recente signalen uit de arbeidsmarkt blijkt dat ongeveer een kwart van de zzp’ers minder opdrachten krijgt of zelfs opdrachten ziet verdwijnen. Belangrijke oorzaak lijkt de aanhoudende onzekerheid rond wet- en regelgeving voor zelfstandigen en de handhaving op schijnzelfstandigheid.

Hoewel de vraag naar flexibel inzetbare professionals in veel sectoren blijft bestaan, zijn opdrachtgevers voorzichtiger geworden.

Onzekerheid bij opdrachtgevers speelt grote rol

De discussie rond arbeidsrelaties, mogelijke nieuwe zzp-wetgeving en strengere controles zorgt ervoor dat organisaties risico’s proberen te beperken. In sommige gevallen kiezen opdrachtgevers ervoor om:

  • opdrachten anders in te vullen,
  • zelfstandigen via tussenconstructies in te huren,
  • of tijdelijk helemaal geen zzp’ers meer in te schakelen.

Vooral grotere organisaties en overheidsinstanties nemen vaker een afwachtende houding aan.

Praktische gevolgen voor zelfstandigen

Voor zzp’ers kan deze ontwikkeling merkbare impact hebben. Sommige zelfstandigen zien:

  • opdrachten verdwijnen of starten later,
  • tarieven onder druk komen te staan,
  • meer concurrentie tussen zelfstandigen ontstaan.

Vooral sectoren met veel discussie over arbeidsrelaties, zoals zorg, overheid, ICT en bouw, lijken deze effecten sterker te ervaren.

Groei aantal bedrijven versus actieve zelfstandigen

Opvallend is dat tegelijkertijd het aantal ingeschreven zzp-bedrijven nog licht groeit. Dat betekent echter niet automatisch dat meer zelfstandigen actief werken. Steeds vaker houden ondernemers een inschrijving aan terwijl zij tijdelijk minder opdrachten uitvoeren of deels terugkeren naar loondienst.

Dit verklaart waarom sommige statistieken groei laten zien, terwijl in de praktijk juist minder opdrachten beschikbaar zijn.

Politieke ontwikkelingen blijven bepalend

Het kabinet werkt aan nieuwe regels rond zelfstandigen en arbeidsrelaties. Tegelijk blijft de uitvoering en handhaving onderwerp van discussie. Voor zowel zzp’ers als opdrachtgevers is vooral duidelijkheid belangrijk, zodat zij weten waar zij aan toe zijn.

Zolang die duidelijkheid ontbreekt, lijkt voorzichtigheid in de markt voorlopig aan te houden.

Blik vooruit

Ondanks de huidige onzekerheid blijft zelfstandig ondernemerschap een belangrijk onderdeel van de Nederlandse arbeidsmarkt. In veel sectoren is flexibiliteit noodzakelijk en blijft vraag naar specialistische kennis bestaan.

De komende periode zal moeten blijken of nieuwe regelgeving en politieke keuzes leiden tot meer stabiliteit of juist verdere veranderingen in de zzp-markt.


Bronnen

Arbeidsmarktsignalen en onderzoek naar zzp-opdrachten (o.a. berichtgeving RTL Nieuws, sectormedia en analyses rond zzp-wetgeving en handhaving arbeidsrelaties).

Deel dit bericht via: