Home Blog

Kamer steunt rechtsvermoeden van werknemerschap: wat betekent de €38-grens voor jou als zzp’er?

Persoon ondertekent arbeidscontract — rechtsvermoeden werknemerschap zzp 2027
Beeld: Karola G (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Een brede meerderheid in de Tweede Kamer steunt het wetsvoorstel dat het rechtsvermoeden van werknemerschap voor zzp’ers met een uurtarief onder de €38 straks het recht geeft om bij de rechter werknemersstatus op te eisen. De stemming vindt plaats op dinsdag 21 april 2026. Als het wetsvoorstel ook de Eerste Kamer passeert, treedt de wet op 1 januari 2027 in werking — en dat heeft alles te maken met een Europese deadline die in de politieke berichtgeving nauwelijks wordt benoemd.

De kern van het wetsvoorstel is een omkering van de bewijslast. Nu moet een werkende zelf aantonen dat hij feitelijk werknemer is. Straks geldt het omgekeerde: wie voor minder dan €38 per uur werkt, wordt vermoed werknemer te zijn. De opdrachtgever moet dan bewijzen dat er écht sprake is van zelfstandig ondernemerschap. Belangrijk detail: het rechtsvermoeden is facultatief. Alleen de werkende zelf kan er een beroep op doen — de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie niet, althans niet via dit wetsvoorstel. De werkende kan zich daarbij laten bijstaan door een derde partij, zoals een vakbond. Het is ook geen verbod. Je mag als zzp’er gewoon voor minder dan €38 per uur blijven werken, zolang de arbeidsrelatie met je opdrachtgever goed is geregeld.

Het tarief van €38 is afgeleid van het minimumloon en groeit automatisch mee. In 2027 komt het naar verwachting uit op €39. Naar schatting 150.000 zzp’ers werken momenteel voor een tarief onder deze grens.

Rechtsvermoeden werknemerschap: drie groepen zzp’ers, drie situaties

Voor wie ruim boven de €38 werkt, is de impact van dit wetsvoorstel beperkt. Het rechtsvermoeden speelt voor hen geen rol — tenzij een opdrachtgever alsnog een discussie wil voeren over de aard van de arbeidsrelatie, maar dat staat los van dit wetsvoorstel.

Voor zzp’ers die net rond de grens zitten, wordt het relevanter. Zij moeten nauwlettend in de gaten houden hoe hun arbeidsrelatie juridisch is vormgegeven. Als een opdrachtgever hen feitelijk als werknemer behandelt — vaste werktijden, instructiebevoegdheid, exclusiviteit — dan kan straks bij de rechter een arbeidsovereenkomst worden vastgesteld. Voor hen geldt: zorg dat de afspraken met je opdrachtgever kloppen met wat er in de praktijk gebeurt. Raadpleeg bij twijfel ons overzicht van het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 om te zien hoe de Belastingdienst arbeidsrelaties beoordeelt.

De derde groep — zzp’ers ver onder de €38-grens — is tegelijk de meest kwetsbare en de groep die het rechtsvermoeden het minst actief zal inzetten. Juist wie afhankelijk is van zijn opdrachtgever, zal de drempel naar de rechter als hoog ervaren. Kamerlid Boon (PVV) wees hier al op: het rechtsvermoeden is een papieren oplossing als mensen niet naar de rechter durven stappen. BBB-Kamerlid Vermeer formuleerde het scherper: “Zodra je zegt dat mensen zelf naar de rechter moeten stappen om hun recht te halen, geef je eigenlijk al aan dat de wetgeving aan de basis niet goed in elkaar zit.” Patijn (GroenLinks-PvdA) oppert dat de Belastingdienst bestuursrechtelijk moet kunnen handhaven op het rechtsvermoeden, maar minister Aartsen wil dit onderzoeken — het wetsvoorstel regelt het vooralsnog niet.

De EU-deadline die Den Haag stil houdt

Wat in de brede pers nauwelijks aan bod komt: Nederland wordt door de EU feitelijk gedwongen dit wetsvoorstel in te voeren. Niet omdat Den Haag hier zelf op aandringt, maar omdat er serieus geld op het spel staat. De invoering van het rechtsvermoeden is een mijlpaal in het Nederlandse herstelplan dat gekoppeld is aan het Europese coronaherstelfonds (de Recovery and Resilience Facility). De deadline voor publicatie in het Staatsblad is 31 augustus 2026. Haalt Nederland die niet, dan loopt het geld mis. Op zzpnieuws.nl schreven we eerder al over de koppeling tussen Europees geld en zzp-wetgeving.

Het gaat in principe om Nederlands belastinggeld dat via Brussel terugvloeit — maar alleen als Nederland wetgeving maakt die de Europese Commissie goedkeurt. Aartsen zei daar zelf over: “Dat gaat om serieus geld. Per mijlpaal is het 600 miljoen euro. Dit zijn bij elkaar opgeteld drie mijlpalen, dus dat wil wel.” Dat verklaart waarom dit wetsvoorstel — ooit een onderdeel van het bredere en omstreden VBAR-wetsvoorstel — nu als losstaand wetsvoorstel met ongewone snelheid door het wetgevingsproces gaat. Het verduidelijkingsdeel van VBAR schrapte Aartsen in maart 2026 omdat daarvoor geen politiek draagvlak was — zie onze analyse kabinet schrapt omstreden deel VBAR. Het rechtsvermoeden hield hij over als snelste route naar de mijlpaal. Over de nieuwe zzp-koers die Aartsen daarna uitzette, publiceerden we een uitgebreide analyse van de zzp-koersbrief aan de Kamer.

Juridische waarschuwing: civiel papier of veel meer?

Fiscaal juristen plaatsen kritische kanttekeningen bij de veronderstelling dat het rechtsvermoeden puur civielrechtelijke werking heeft. In een position paper die VZN vóór het debat van 15 april naar de Kamer stuurde — zie onze berichtgeving over de VZN-inbreng voor het commissiedebat arbeidsmarkt — wees fiscaal jurist Jasper Commandeur erop dat een logisch gevolg van het aanpassen van de definitie is dat alle wetten die daarnaar verwijzen ook worden aangepast, inclusief de wetten waarop de Belastingdienst zich baseert. De verwachting van het kabinet dat de Belastingdienst zich niet op het rechtsvermoeden zal beroepen, noemt hij mogelijk naïef.

Dit raakt ook aan een praktisch probleem dat tijdens het Kamerdebat naar voren kwam: wat doe je met zzp’ers die niet met een uurtarief maar met een stuksprijs of totaalprijs werken? Bij een vaste projectprijs ligt de bewijslast anders. De werkende moet dan zelf aantonen dat het gehanteerde tarief omgerekend per uur onder de €38 uitkomt. Dat is geen simpele rekensom, en Kamerleden van VVD en JA21 waarschuwden dat dit achteraf kan worden gebruikt om alsnog een dienstverband te claimen.

Zelfstandigenwet wacht in de coulissen

Het rechtsvermoeden is nadrukkelijk een tussenstap. Tot de Zelfstandigenwet in werking treedt — beoogd op 1 januari 2028 — gelden de criteria uit het Deliveroo-arrest en de Uber-uitspraak als maatstaf bij de beoordeling van arbeidsrelaties. Een overzicht van die criteria staat in onze uitleg van de Wet DBA en de Deliveroo-criteria. De webmodule beoordeling arbeidsrelaties is overigens in april 2026 al aangepast door Aartsen, juist om de rol van extern ondernemerschap — versterkt door het Uber-arrest van de Hoge Raad — duidelijker te benoemen.

De Zelfstandigenwet, die VVD, D66, CDA en SGP als initiatiefwetsvoorstel hebben ingediend, moet structureel meer duidelijkheid geven over wanneer iemand echt zelfstandige is. Maar die wet is er voorlopig nog niet. Voor jongeren die via platforms als Temper of YoungOnes bewust voor een lager tarief werken, is er ook na 21 april geen speciale regeling. Het voorstel van SGP-Kamerlid Flach voor een leeftijdsstaffel voor onder de 21 jaar vond nauwelijks gehoor. Aartsen stelde dat jongeren ook na inwerkingtreding van de wet als zzp’er voor een lager tarief aan de slag kunnen, zolang de relatie met de opdrachtgever goed is ingericht.

Na de stemming op 21 april gaat het wetsvoorstel naar de Eerste Kamer. Bij spoedige behandeling moet publicatie in het Staatsblad voor 31 augustus 2026 haalbaar zijn. Inwerkingtreding is dan 1 januari 2027. Of het wetsvoorstel daadwerkelijk de bescherming biedt die het belooft, hangt af van één variabele die de wetgever niet in de hand heeft: de bereidheid van kwetsbare zelfstandigen om hun recht ook daadwerkelijk op te eisen.

Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal · Rijksoverheid · ZZP Nederland · Fiscaal Vanmorgen

Deel dit bericht via:

Overheid breekt eigen belofte: 650 zzp’ers bij Dienst Toeslagen vrezen naheffingen tot 10.000 euro

zzp'ers Dienst Toeslagen naheffingen overheid Den Haag
Beeld: Ivo Nederlof (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

De Dienst Toeslagen trekt een eerder gedane toezegging in: boetes en naheffingen die zzp’ers oplopen door hun werk aan de toeslagenaffaire worden niet vergoed. Dat raakt zo’n 650 zelfstandigen die door de overheid zelf werden ingezet — en die door diezelfde overheid nu als schijnzelfstandigen worden aangemerkt. Het verhaal speelt al meer dan een jaar, maar de financiële rekening wordt nu pas concreet.

Eind 2024 vroeg de Dienst Toeslagen ruim 650 zzp’ers om door te werken aan het herstel van de toeslagenaffaire, omdat de afhandeling anders verder zou vertragen. Het ministerie van Financiën erkende daarbij al dat deze zelfstandigen waarschijnlijk als schijnzelfstandigen moeten worden beschouwd — maar koos er bewust voor hen te blijven inzetten. De staffingbureaus die hen leverden, kregen een schriftelijke garantie: eventuele naheffingen en boetes zouden door Dienst Toeslagen worden vergoed.

Die garantie werd al op 10 februari 2025 per brief ingetrokken, met ingang van 1 april 2025, zo blijkt uit de beantwoording van Kamervragen door staatssecretaris Palmen. Palmen vindt het belangrijk dat de overheid een voorbeeldrol heeft en zich houdt aan wet- en regelgeving — voor iedereen moeten dezelfde regels gelden. De toezegging om naheffingen en boetes te compenseren bleek juridisch niet houdbaar. Op de vraag waarom de eigen toezeggingen niet worden nagekomen, geeft Palmen geen antwoord.

Een jaar van vruchteloos overleg

Sindsdien hebben de betrokken bureaus geprobeerd met het ministerie van Financiën tot een oplossing te komen. Zonder resultaat. Het ministerie is volgens Wout Dekker van Vanberkel Professionals, het voornaamste zzp-bureau waarmee Dienst Toeslagen samenwerkt, “onverbiddelijk”. Nu de naheffingen daadwerkelijk dreigen te vallen, wordt de omvang van de schade voor het eerst concreet in kaart gebracht — en wordt de kwestie breed zichtbaar.

Naheffingen zzp’ers Dienst Toeslagen lopen op tot 10.000 euro

Vanberkel Professionals heeft doorgerekend dat de naheffingen per persoon kunnen oplopen tot 10.000 euro. In totaal gaat het om een bedrag van 6 miljoen euro. Dekker spreekt van zzp’ers die “zeer bezorgd” zijn. De situatie lijkt volgens hem op een “rondpompactie” van geld binnen hetzelfde ministerie van Financiën — van Dienst Toeslagen naar de Belastingdienst, over de rug van bemiddelaars en zelfstandigen. Zijn conclusie is scherp: “Leg dat maar eens uit aan hen én aan de samenleving, zeker in een dossier als dat van de toeslagenaffaire.”

Staatssecretaris Eelco Eerenberg, die over de Belastingdienst gaat, laat via een woordvoerder weten dat hij vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht niet kan zeggen hoeveel zzp’ers een naheffing kunnen verwachten of hoe hoog die zal zijn.

De overheid handhaaft bij zichzelf — maar betaalt niet

De zzp’ers bij het ministerie werden als schijnzelfstandigen aangemerkt omdat ze niet van vaste medewerkers te onderscheiden waren: de overheid bepaalde hoe ze werkten, ze gebruikten computers van het ministerie en waren ingebed in vaste teams. Dat zijn precies de criteria waaraan de Belastingdienst schijnzelfstandigheid toetst — criteria waarvan de rechter overigens niet altijd overtuigd is, zoals bleek uit een recente uitspraak over een zorgprofessional.

Fiscaal jurist Jasper Commandeur wees op LinkedIn al op de bredere implicaties: als de handhaving bij de eigen organisatie daadwerkelijk wordt doorgezet, zou de Belastingdienst zichzelf een naheffingsaanslag moeten opleggen — en mogelijk ook voor de periode vóór 1 januari 2025, als er sprake is van kwaadwillendheid.

Vertragingsrisico voor de toeslagenaffaire

Van de 2.100 medewerkers die momenteel werken aan de afhandeling van de toeslagenaffaire hebben er ongeveer 600 een zzp-constructie. De dreigende naheffingen voor zzp’ers bij Dienst Toeslagen komen op een moment dat de hersteloperatie al jaren vertraging oploopt. De verwachting is dat een groot deel van hen zal vertrekken zodra de staffingbureaus de financiële risico’s niet langer kunnen dragen, wat de afhandeling opnieuw verder zal vertragen — precies wat de overheid eind 2024 probeerde te voorkomen door de zelfstandigen te vragen te blijven.

Palmen erkent het risico, maar zegt dat Dienst Toeslagen werkt aan een afbouwplan en zzp’ers probeert over te halen een vaste aanstelling te accepteren.

Een structureel probleem, geen incident

Deze zaak is het rechtstreekse gevolg van het ontbreken van heldere wetgeving rond zelfstandigheid, gecombineerd met jarenlang uitgestelde handhaving. Toen het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 werd opgeheven, begon de Belastingdienst voor het eerst in jaren daadwerkelijk naheffingen op te leggen bij schijnzelfstandigheid. De politieke strijd over de zachte landing liet zien hoe groot de onrust daarover was — maar voor de zzp’ers bij Dienst Toeslagen bood die discussie geen uitkomst. De overheid bleek niet klaar voor de eigen regels en legt nu de rekening bij de zelfstandigen die zij bewust had ingezet.


Bron: Rijksoverheid (Kamervragen UHT, 17 maart 2025) · AD · Parool · RTL Nieuws

Deel dit bericht via:

VZN aan Kamer: zzp-beleid mist samenhang en werkt marktverstorend

Laatst bijgewerkt: 17 april 2026, 10:07

Skyline van Den Haag met het Binnenhof op de voorgrond
Beeld: Ivo Nederlof (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Voorafgaand aan het commissiedebat arbeidsmarktbeleid van 15 april heeft de Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) een position paper gestuurd naar de Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De boodschap is helder: het huidige beleid rondom zzp’ers kent onvoldoende samenhang, werkt in de praktijk marktverstorend en moet worden omgebouwd tot beleid dat uitgaat van ondernemerschap. Tegelijk reageert VZN constructief op de Kamerbrief van minister Aartsen van vorige week: de richting klopt, maar duidelijkheid op papier is één ding — het durven toepassen in de praktijk is waar het de komende tijd om draait.

VZN: verschillende wetten werken elkaar tegen

De kern van de VZN-kritiek is niet gericht op één wet of maatregel, maar op het gebrek aan samenhang tussen verschillende wetgevingstrajecten. De Zelfstandigenwet, de Wet Toelating Terbeschikkingstelling van Arbeidskrachten (WTTA), de platformregelgeving en de mededingingsregels lopen naast elkaar zonder onderlinge afstemming. In de praktijk grijpen deze regelingen op elkaar in met onbedoelde en soms tegenstrijdige effecten.

VZN illustreert dat met een concreet voorbeeld. Een zelfstandig fotograaf die via een platform werkt valt gelijktijdig onder de EU-richtlijn platformwerk, de Wet DBA, de WTTA en de mededingingsregels. Elke regeling hanteert een eigen definitie van ‘zelfstandige’. Zijn juridisch adviseur kan hem niet eenduidig adviseren over zijn rechtspositie omdat de regelingen elkaar op onderdelen tegenspreken. Het CPB en de Raad van State hebben in eerdere analyses al gewaarschuwd voor precies deze samenloop van arbeidsrechtelijke, fiscale en mededingingsrechtelijke definities. Zonder expliciete harmonisatie leidt dit tot rechtsonzekerheid voor zowel ondernemers als opdrachtgevers.

Onvoorspelbaar beleid drijft opdrachtgevers weg

Een tweede knelpunt dat VZN aankaart is het gebrek aan consistent en voorspelbaar beleid. Ondernemers krijgen te maken met regels die regelmatig veranderen of onduidelijk zijn — bij tariefdiscussies, handhaving en subsidieregelingen. In de praktijk leidt dat ertoe dat opdrachtgevers afhaken en zelfstandig ondernemers investeringen uitstellen of niet meer durven te doen.

Een IT-consultant uit Utrecht werkt met tussenpozen vijf jaar voor dezelfde opdrachtgever via een goedgekeurde modelovereenkomst. Na de aankondiging van de hervatting van handhaving besluit de opdrachtgever de samenwerking per direct te beëindigen — niet omdat er sprake is van schijnzelfstandigheid, maar louter uit voorzorg. De ondernemer verliest daarmee ruim 60 procent van zijn jaaromzet. Dit patroon — opdrachtgevers die bij voorbaat afhaken voor zzp’ers — is al langer zichtbaar in meerdere sectoren. Werkgeversvereniging AWVN peilde dit jaar bij 162 bedrijven de stand van zaken: bijna de helft huurt minder zelfstandigen in en doet een groter beroep op uitzendkrachten. Woordvoerder Jannes van Velde: “Het wordt steeds moeilijker voor bedrijven om een flexibele schil in te zetten. Afschalen en opschalen, dat is duurder en begint echt een economisch probleem te worden.”

Regelgeving onvoldoende getoetst op uitvoerbaarheid

VZN signaleert ook dat regelgeving onvoldoende wordt getoetst op uitvoerbaarheid voordat die wordt ingevoerd. Een zelfstandig loodgieter in Amsterdam kan zijn werk niet meer uitvoeren in een aangewezen zero-emissiezone. Zijn dieselbus voldoet niet aan de ZE-norm, maar een elektrische vervanger kost €65.000 terwijl zijn gemiddelde jaaromzet €80.000 bedraagt. De investering verdient zich pas na acht jaar terug, terwijl de economische levensduur van het voertuig zeven jaar bedraagt.

Een bouwondernemer schakelt over op een elektrische bestelbus die door het zwaardere accupakket boven de 3.500 kg-grens uitkomt. Hierdoor is plotseling een rijbewijs C vereist, terwijl hij vijftien jaar lang probleemloos met rijbewijs B reed.

Tussenpersonen groeien ten koste van zelfstandigen

Een zorgelijke ontwikkeling die VZN expliciet benoemt is de groeiende rol van tussenpersonen en intermediairs. Zelfstandigen worden steeds vaker verplicht om via deze partijen te werken, ook bij bestaande directe relaties. Daarbij is niet altijd sprake van toegevoegde waarde, terwijl deze partijen wel een marge nemen die ten koste gaat van het tarief van de zelfstandige.

Een zelfstandig software-architect werkte drie jaar rechtstreeks voor een gemeente. Na invoering van de WTTA werd hij verplicht via een erkend detacheringsbureau te werken. Dat bureau hanteert een marge van 18 procent. Zijn effectieve uurtarief daalt van €110 naar circa €90 netto, terwijl zijn taken, verantwoordelijkheden en werkwijze volledig ongewijzigd blijven. In sectoren als de overheid, zorg en bouw rapporteren intermediairs een sterke groei van het volume na de invoering van de WTTA. Marges van 15 tot 25 procent zijn gangbaar, zonder dat er in alle gevallen sprake is van aantoonbare toegevoegde waarde voor opdrachtgever of opdrachtnemer.

Minimumtarieven werken als plafond

VZN signaleert ook een uitholling van het ondernemerschap via cao-achtige afspraken en tariefrichtlijnen. In de praktijk betekent dit dat minimumtarieven als maximum gaan werken en dat zelfstandig ondernemers minder ruimte hebben om zelf afspraken te maken. Dit beperkt het ondernemerschap en vervaagt het onderscheid tussen zelfstandig ondernemer en werknemer.

In de taxibranche publiceren brancheorganisaties richtlijnprijzen als minimumtarief voor zelfstandigen. In de praktijk gebruiken opdrachtgevers deze prijzen als maximumtarief: een zelfstandige ondernemer die hogere tarieven vraagt voor ritten buiten kantoortijden wordt systematisch gepasseerd. Een vergelijkbaar mechanisme doet zich voor in de schoonmaakbranche, waar richtlijnuurtarieven in cao-achtige afspraken zijn opgenomen. Ondernemers die kwalitatief hoogwaardiger dienstverlening aanbieden en daarvoor een premiumtarief vragen, worden in aanbestedingen systematisch benadeeld.

VZN positief over richting Aartsen, maar houdt slag om arm

Ondanks de stevige kritiek reageert VZN constructief op de Kamerbrief die minister Aartsen vorige week stuurde. In een LinkedIn-reactie noemt VZN de verschuiving van “wat mag niet” naar “wat kan wél” sterk. De beweging die Aartsen inzet — erkenning voor zelfstandigen, ruimte om te ondernemen, aanpak van schijnzelfstandigheid — sluit aan bij waar de praktijk al jaren om vraagt.

Tegelijk plaatst VZN een nadrukkelijke kanttekening: duidelijkheid op papier is één ding. Het durven toepassen in de praktijk — door opdrachtgevers, door uitvoeringsorganisaties en door de overheid zelf — is waar het de komende tijd om draait. Zoals wij vrijdag al schreven in onze analyse van de Kamerbrief van Aartsen, is ook advocaat Boris Emmerig nuchter: hij zou vandaag geen ander advies geven dan gisteren. De regels zijn niet veranderd, alleen de toon.

VNO-NCW en AWVN: steun voor rechtsvermoeden, maar risicogerichte handhaving

VZN is niet de enige organisatie die inbreng stuurt voor het debat van 15 april aanstaande. VNO-NCW en MKB-Nederland steunen in hun inbreng de snelle invoering van het rechtsvermoeden en de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (Baz). Tegelijk roepen zij op tot risicogerichte handhaving en het schrappen van Vbar-criteria die meer complexiteit en onzekerheid veroorzaken.

Achter de haast van het kabinet zit ook een financiële drijfveer die weinig aandacht krijgt. Tijdige invoering van het rechtsvermoeden en de Baz is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor geld uit het Europese coronaherstelfonds — per mijlpaal gaat het om €600 miljoen. De deadline voor de eerste mijlpaal is 31 augustus 2026, wat de haast achter het rechtsvermoeden direct verklaart. Wij schreven eerder al over de koppeling tussen Europees geld en zzp-wetgeving en over het risico dat de Kamer de coronasubsidie misloopt door uitstel.

Waar VZN de nadruk legt op samenhang en uitvoerbaarheid vanuit het perspectief van de zelfstandige, kijkt VNO-NCW vooral naar voorspelbaarheid voor werkgevers en opdrachtgevers. Beide organisaties zijn het eens over één ding: de huidige onzekerheid in de markt moet worden doorbroken.

Fiscalisten: rechtsvermoeden heeft bredere consequenties dan gedacht

Fiscaal jurist Jasper Commandeur wijst op een juridische consequentie van het rechtsvermoeden die in de discussie onderbelicht blijft. Het rechtsvermoeden heeft officieel alleen civielrechtelijke werking — het regelt de relatie tussen burger en opdrachtgever. Maar een logisch gevolg van het aanpassen van een definitie is dat alle andere wetten die daarnaar verwijzen ook worden aangepast, inclusief de wetten waar de Belastingdienst over gaat. De verwachting van het kabinet dat de Belastingdienst zich niet op het rechtsvermoeden zal beroepen is volgens Commandeur opmerkelijk — en mogelijk naïef.

Hij plaatst ook een scherpe noot bij de zorgsector: de positieve toonzetting over werken met zzp’ers in de Kamerbrief lijkt niet per se ook voor huisartsen te gelden. Voor waarnemende huisartsen op zzp-basis gold al eerder dat de inzet in bepaalde situaties niet in de rede lag — en dat standpunt lijkt niet te zijn herzien.

Oproep aan de Kamer: beleid moet uitgaan van ondernemerschap

VZN sluit haar position paper af met een duidelijke oproep aan de Kamercommissie. Zelfstandig ondernemerschap is een essentiële pijler van de Nederlandse economie en vraagt om duidelijke regels én ruimte om te ondernemen. Beleid voor zzp’ers moet uitgaan van ondernemerschap en niet van verkapt werknemerschap. Wie ondernemer is moet ook als zodanig worden behandeld — zowel in wetgeving als in uitvoering.

Het debat van 15 april brengt ministers Aartsen en Vijlbrief en staatssecretaris Eerenberg samen met de Kamercommissie. Met de position papers van VZN en VNO-NCW op tafel, de kritische analyse van fiscalisten en de recente Kamerbrief over de nieuwe zzp-koers als vertrekpunt, belooft het een stevig debat te worden.

Update 17 april 2026: debat heeft plaatsgevonden

Het commissiedebat van 15 april heeft de verwachtingen waargemaakt. Ministers Aartsen en Vijlbrief en staatssecretaris Eerenberg stonden een dag lang onder druk van een kritische Kamer. De belangrijkste uitkomst betreft niet het commissiedebat zelf, maar het plenaire debat dat er direct op volgde: de Tweede Kamer debatteerde gisteren ook over het wetsvoorstel rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief.

De uitkomst is duidelijk: een brede Kamermeerderheid steunt het voorstel. Zzp’ers met een uurtarief onder de 38 euro kunnen straks bij de rechter werknemersstatus opeisen. De bewijslast wordt omgedraaid — niet de werkende moet bewijzen dat hij werknemer is, maar de opdrachtgever moet aantonen dat er sprake is van zelfstandig ondernemerschap. De stemming over het wetsvoorstel en de ingediende moties vindt plaats op dinsdag 21 april. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2027.

Achter die datum zit ook een financiële drijfveer. Het rechtsvermoeden moet vóór 31 augustus 2026 in het Staatsblad zijn gepubliceerd om te voldoen aan een mijlpaal uit het Europese coronaherstelfonds — per mijlpaal gaat het om 600 miljoen euro. Dat verklaart de ongewone snelheid waarmee Aartsen dit wetsvoorstel door de Kamer loodst.

In de Kamer klonken wel zorgen. Over de bewijslast bij stuksprijzen en totaalcontracten, waarbij geen uurtarief is afgesproken. Over de impact op jongeren die bewust voor een lager tarief als zzp’er werken via platforms. En over de vraag of de Arbeidsinspectie ook handhavend zou moeten kunnen optreden — iets dat Aartsen nader wil onderzoeken.

Over de Zelfstandigenwet, het grotere wettelijke kader waar VZN en andere organisaties op wachten, is meer geduld vereist. Aartsen schat dat hij de wet eind 2026 naar de Raad van State kan sturen, waarna behandeling in de Tweede en Eerste Kamer volgt. Beoogde inwerkingtreding: 1 januari 2028. De zorgen van VZN over samenhang en uitvoerbaarheid blijven daarmee voorlopig onverminderd actueel.


Bron: Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) · VNO-NCW/MKB-Nederland · EW Magazine · LinkedIn/Jasper Commandeur · Rijksoverheid

Deel dit bericht via:

Minister Aartsen stuurt Kamer zzp-koersbrief: campagne ‘Zo kan zzp wél’, webmodule aangepast, Vbar-verduidelijking geschrapt

Lege plenaire zaal van de Tweede Kamer der Staten-Generaal in Den Haag
Beeld: Jan van der Wolf (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie heeft op 9 april de Tweede Kamer geïnformeerd over de zzp-koers van het kabinet. De centrale boodschap: meer rust en duidelijkheid, minder onzekerheid bij opdrachtgevers. Concreet kondigt het kabinet een communicatiecampagne aan, een aanpassing van de webmodule beoordeling arbeidsrelaties en bevestigt het definitief het schrappen van het verduidelijkingsdeel van de Vbar. De handhaving op schijnzelfstandigheid verandert niet. Tegelijk klinkt er vanuit de zzp-praktijk stevige kritiek: de Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) waarschuwt dat het huidige beleid onvoldoende samenhang kent en in de praktijk tot marktverstoring leidt.

Campagne ‘Zo kan zzp wél’ moet onnodige uitsluiting van zzp’ers tegengaan

Het kabinet erkent in de brief iets wat veel zzp’ers al langer zeggen: opdrachtgevers sluiten bij voorbaat deuren voor zelfstandigen, zonder eerst het gesprek aan te gaan. CBS-cijfers die de minister in de brief aanhaalt, bevestigen de ernst van die beweging: het aantal zzp’ers daalde in 2025 met 62.000. Aartsen noemt het onnodig sluiten van deuren “zonde” en wijt het deels aan onduidelijkheid en een gebrek aan kennis over de geldende regels.

Nog voor de zomer start het kabinet de communicatiecampagne ‘Zo kan zzp wél’. De campagne richt zich op twee groepen. Opdrachtgevers worden gewezen op de aandachtspunten bij een overeenkomst van opdracht. Zelfstandigen worden bewuster gemaakt van waar zij rekening mee moeten houden bij het aangaan van een arbeidsrelatie. Waar eerdere overheidsvoorlichting — zoals de campagne ‘ZZP ja of nee’ — zich vooral richtte op de vraag wanneer inhuur van een zzp’er niet kon, verschuift de toon nu nadrukkelijk naar wanneer het wél kan.

Of die verschuiving ook doorwerkt bij voorzichtige opdrachtgevers, is de vraag. Advocaat en belastingadviseur Boris Emmerig van Holla Legal & Tax is nuchter: hij zou vandaag geen ander advies geven dan gisteren, en verwacht dat de Belastingdienst ook niet anders zal handhaven dan voorheen.

Webmodule wordt bijgewerkt: extern ondernemerschap voortaan prominent

Een concrete aanpassing betreft de webmodule beoordeling arbeidsrelaties. Op de startpagina wordt voortaan de rol van extern ondernemerschap — het ondernemerschap van de werkende buiten de specifieke opdracht — duidelijk benoemd. Dit gezichtspunt viel tot nu toe buiten het bereik van de webmodule, die zich uitsluitend richtte op de arbeidsrelatie zelf.

De aanpassing sluit aan bij de uitspraak van de Hoge Raad van 21 februari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:319), die bepaalde dat extern ondernemerschap volwaardig en zonder rangorde moet worden meegewogen bij het beoordelen van arbeidsrelaties. Ook de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2026 (ECLI:NL:GRAMS:2026:163) in de Uber-zaak speelt mee: het hof oordeelde dat zes Uber-chauffeurs geen arbeidsovereenkomst hadden, juist vanwege hun sterke mate van extern ondernemerschap.

De minister benadrukt daarbij dat extern ondernemerschap niet in alle gevallen doorslaggevend is, maar holistisch wordt meegewogen naast de acht andere gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest. Voor zzp’ers is het praktisch relevant: gedrag als ondernemer buiten de arbeidsrelatie telt mee, en het is verstandig de opdrachtgever daarover actief te informeren.

Advocaat Emmerig plaatst een kritische kanttekening: de brief zegt niets over het verwerken van de recente jurisprudentie in de modelovereenkomsten. Dat zou de praktijk direct helpen, maar blijft vooralsnog uit.

Daarnaast wordt het toetsingskader op basis van de meest recente jurisprudentie gepubliceerd op hetjuistecontract.nl en herziet het kabinet de leidraad die de Rijksoverheid intern gebruikt.

Verduidelijkingsdeel Vbar definitief geschrapt

Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie
Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie. Beeld: Wikimedia Commons

Aartsen bevestigt dat het VBA-deel van de Vbar definitief van tafel gaat. Dit onderdeel moest wettelijk vastleggen wanneer een opdrachtgever iemand als zzp’er mag inhuren. Het stuitte op breed verzet van zzp-organisaties en een groot deel van de Tweede Kamer, omdat de criteria als een verzwaring werden ervaren ten opzichte van de bestaande wet- en regelgeving. Zoals eerder beschreven in onze analyse van de nieuwe zzp-plannen na het coalitieakkoord was het schrappen van dit deel al voorzien.

Het rechtsvermoeden van werknemerschap — het R-deel van de Vbar — gaat wél door, en met hoog tempo. Voor zzp’ers die werken onder een uurtarief van €38 (peildatum 1 januari 2026) geldt straks dat de opdrachtgever moet aantonen dat er sprake is van echte zelfstandigheid. Het kabinet streeft naar publicatie in het Staatsblad uiterlijk 31 augustus 2026. Belangrijk detail: het rechtsvermoeden heeft geen fiscale werking.

Zelfstandigenwet moet structureel houvast bieden — inclusief AOV-verplichting

Als structureel alternatief voor het geschrapte verduidelijkingsdeel werkt het kabinet aan een Zelfstandigenwet, gebaseerd op het initiatiefvoorstel van VVD, D66, CDA en SGP. De wet moet vooraf meer duidelijkheid bieden over wanneer iemand geen werknemer is en als zelfstandige kan worden ingehuurd. In onze eerdere analyse van het Vbar-besluit beschreven we al hoe de wet werkt met drie toetsen: een zelfstandigentoets, een werkrelatietoets en een sectoraal rechtsvermoeden. Tegelijkertijd legt zij de bijbehorende verantwoordelijkheden vast, waaronder een arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenopbouw.

Onderdeel van dat bredere pakket is het wetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (Baz), dat op 20 maart naar de Tweede Kamer is gestuurd. De Baz garandeert zelfstandig ondernemers bij arbeidsongeschiktheid een minimuminkomen. De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de vervolgstappen rond de Zelfstandigenwet.

VZN: beleid mist samenhang en werkt marktverstorend

Terwijl het kabinet aanstuurt op rust en duidelijkheid, klinkt er vanuit de praktijk een andere toon. VZN, de koepelvereniging die ruim 130.000 zelfstandigen vertegenwoordigt, stuurde voorafgaand aan het commissiedebat van 15 april een position paper naar de Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De kern van de kritiek: verschillende wetgevingstrajecten — de Zelfstandigenwet, de WTTA, platformregelgeving en mededingingsregels — werken naast elkaar zonder voldoende samenhang, met onbedoelde en soms tegenstrijdige effecten in de praktijk.

VZN illustreert dat met concrete voorbeelden. Een zelfstandig verpleegkundige met een goedgekeurde modelovereenkomst wordt door een ziekenhuis doorverwezen naar een uitzendbureau, omdat de interne jurist onzeker is over de tariefgrenzen. Haar netto-tarief daalt met circa 15 procent en ze verliest de regie over haar eigen roosterindeling. Dit patroon — zorgorganisaties die bij voorbaat afhaken voor zzp’ers — is al langer zichtbaar in de sector. Een IT-consultant verliest meer dan 60 procent van zijn jaaromzet omdat een opdrachtgever de samenwerking per direct beëindigt — niet vanwege schijnzelfstandigheid, maar louter uit voorzorg na de hervatting van de handhaving.

VZN roept de Kamer op om in het debat van 15 april nadrukkelijk aandacht te besteden aan samenhang en uitvoerbaarheid. De centrale boodschap: beleid voor zzp’ers moet uitgaan van ondernemerschap, niet van verkapt werknemerschap.

Rijksoverheid moet zelf het goede voorbeeld geven

Aartsen benadrukt dat de overheid op twee fronten het goede voorbeeld moet geven. Het aantal schijnzelfstandigen bij departementen moet naar nul — de doelstelling was dit per 1 januari 2026 te hebben afgebouwd. Tegelijk mag er geen sprake zijn van het categorisch uitsluiten van zzp’ers. Wanneer inhuur conform wet- en regelgeving is, moet daar ruimte voor zijn. Dat principe wordt opgenomen in de herziene interne leidraad van de Rijksoverheid, en het kabinet voert hierover gesprekken met onder meer de VNG.

Opvallend gegeven uit de brief: het totale aantal zelfstandigen bij de Rijksoverheid nam in de eerste helft van 2025 juist toe, van 3.778 naar 4.039. Dat laat zien, aldus Aartsen, dat het goed regelen van zelfstandigeninhuur ook binnen de overheid gewoon mogelijk is.

Handhaving blijft, geen zigzagbeleid

Voor zzp’ers die hopen op versoepeling van de handhaving: die komt er niet. De Belastingdienst blijft onverminderd controleren en handhaven op schijnzelfstandigheid. Aartsen schrijft dat de markt niet gebaat is bij zigzagbeleid, maar bij voorspelbaarheid en duidelijke spelregels. Eerder schreven wij al over de toenemende zorgen onder zzp’ers over de gevolgen van de handhaving en over wanneer boetes bij schijnzelfstandigheid terugkeren.

Op 15 april debatteert Aartsen samen met minister Vijlbrief (SZW) en staatssecretaris Eerenberg (Belastingdienst) verder met de Kamer. Het wordt een stevig debat: de VZN-kritiek ligt nu ook officieel op tafel bij de commissieleden.

Bron: Rijksoverheid (Kamerbrief 9 april 2026) · Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) · ZiPconomy · LinkedIn/Boris Emmerig (Holla Legal & Tax)

Deel dit bericht via:

GGZ verdeeld over zzp’ers — maar de professional zelf krijgt geen podium

zzp ggz schijnzelfstandigheid arbeidsmarkt zorgprofessional
Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Kan de ggz zonder zzp’ers? De Nederlandse ggz, brancheorganisatie van ggz-instellingen, legde die vraag voor aan vier professionals. De meningen lopen uiteen — van “de ggz is beter af zónder zzp’ers” tot “wie denkt dat de ggz zonder hen kan, moet eerlijk zeggen wie er dan morgen komt werken.” Het is een interessante discussie. Maar er ontbreekt één stem: die van de zzp’er zelf.

René Dongelmans, voorzitter van Comité ZZP, wees daar in de reacties op. Er zijn honderdduizenden zorgprofessionals werkzaam in de ggz. Dat zijn de mensen die inhoudelijk iets kunnen zeggen over de meerwaarde, het nut en de noodzaak van zzp-inzet. De Nederlandse ggz laat die niet aan het woord. Bestuurders creëren zo hun eigen realiteit — en laten zorgprofessionals en hun patiënten in de kou staan.

De cijfers: tekort groeit, zzp’ers onmisbaar

De arbeidsmarktcijfers liegen er niet om. De ggz kent de hoogste vacaturegraad van de hele sector zorg en welzijn en kampt met grote tekorten in gespecialiseerd personeel. Het arbeidsmarkttekort in de ggz neemt toe van ruim 10.000 personen in 2025 tot bijna 12.000 personen in 2035. En dat terwijl het aantal medewerkers in de ggz-branche de komende tien jaar naar verwachting licht daalt — van 129.900 in 2025 naar 129.200 in 2035.

De gevolgen zijn concreet. Ggz-organisaties geven aan dat teams tijdelijk moeten sluiten wanneer een cruciale specialist — zoals een psychiater — ontbreekt: “Ook al heb je genoeg verpleegkundigen, als je die psychiater niet hebt, kan je de boel gewoon sluiten.”

In die context is de vraag of de ggz zonder zzp’ers kan allesbehalve theoretisch — ze is urgent. Het aandeel zzp’ers in de zorg als geheel groeide van 7% in 2014 naar 11% in 2024 — goed voor 157.000 zelfstandigen. Die groei is geen toeval: het is een directe reactie op krapte, wachtlijsten en de onmogelijkheid om snel genoeg vaste professionals te werven.

Vier visies, één blinde vlek

De Nederlandse ggz presenteert vier stemmen. Vakbondsbestuurder Elise Merlijn (FNV) vindt dat de ggz beter af is zonder zzp’ers en pleit voor strategische personeelsplanning en flexpools van vaste medewerkers. Eddo Spijkman, eigenaar van freelanceplatform Interim GGZ, stelt dat zzp’ers onmisbaar zijn — maar dan wel als echte zelfstandigen, niet als verkapte werknemers. Fred Paling, bestuurder van GGZ inGeest, erkent dat flexibiliteit nodig is maar ziet genoeg alternatieven: detachering, flexpools, uitzendbureaus. Sander Paas, oprichter van zorgbemiddelingsbureau PRTD, is het meest stellig: de ggz kan niet zonder zzp’ers, punt.

Wat opvalt: drie van de vier geïnterviewden zijn bestuurders of werkgevers. De zzp’er in de zorg — de professional die dagelijks op de werkvloer staat — komt niet aan het woord. Dat is een gemis, want juist die professional weet wat er in de praktijk speelt.

Wat de rechter zegt

De discussie over zzp’ers in de zorg wordt te vaak gevoerd op basis van het frame dat de Belastingdienst de afgelopen jaren heeft neergezet: intramurale inzet, gebruik van systemen van de opdrachtgever en werken voor patiënten van de organisatie zouden per definitie wijzen op schijnzelfstandigheid.

De rechter denkt daar anders over. Eerder deze week oordeelde de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een uitspraak over een zelfstandig logopedist dat er géén sprake was van een arbeidsovereenkomst — ondanks intramurale inzet, één opdrachtgever en gebruik van materialen van de praktijk. Doorslaggevend was de afwezigheid van gezag: de professional bepaalde zelf hoe de zorg werd verleend. Wkkgz-verplichtingen zijn geen gezag vanuit de werkgever, maar een nationale wettelijke verplichting voor iedere zorgprofessional.

Die uitspraak is relevant voor de ggz-discussie. Wat Fred Paling beschrijft als onvermijdelijk kenmerk van zorgverlening — werken binnen een organisatie, met protocollen, voor cliënten van de instelling — is volgens de rechter geen bewijs van schijnzelfstandigheid. Het gaat om de gezagsverhouding. Niet om de werkomgeving.

Angst als beleidsinstrument

Het probleem is dat veel ggz-instellingen niet op basis van een rechterlijk oordeel hebben besloten te stoppen met zzp-inzet, maar op basis van angst voor naheffingen. Die angst is begrijpelijk — maar leidt tot besluiten die niet noodzakelijk juridisch verplicht zijn en die de zorgcontinuïteit direct raken.

Intussen wordt de Zelfstandigenwet uitgewerkt als opvolger van het geschrapte VBAR-voorstel. Tot die wet er is, blijft de onzekerheid bestaan. En zolang die onzekerheid bestaat, blijven instellingen kiezen voor de veilige weg — ook als die veilige weg leidt tot gesloten teams, oplopende wachtlijsten en zorgprofessionals die nergens terechtkunnen.

De vraag die niet gesteld wordt

De Nederlandse ggz vraagt zich af of de sector zonder zzp’ers kan. Maar er is een andere vraag die minstens zo urgent is: wat gebeurt er met de zorgcontinuïteit als instellingen uit voorzorg alle zzp-inzet afbouwen, terwijl de rechter aangeeft dat dat helemaal niet noodzakelijk was?

Sander Paas formuleert het het scherpst: cliënten hebben geen tijd voor ideologie. Zij hebben nu zorg nodig. Die constatering geldt ongeacht de contractvorm van de professional die die zorg levert.


Bronnen: de Nederlandse ggz, maart 2026 · AZW trendrapportage GGZ 2025 · Rijksoverheid.nl


Deel dit bericht via:

Freelance of toch niet? Hoe tussenpartijen angst voor de Wet DBA verzilveren ten koste van zzp’ers

Freelance of toch niet?
Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Op Freelance.nl staat een veelzeggende opdrachtomschrijving: “Let op: deze opdracht is enkel uit te voeren via ons 70/30 model. Helaas is ZZP of een doorleenconstructie niet mogelijk.” De LinkedIn-post van Fractional Development Manager Rob Vermeulen over die advertentie groeide in twee dagen naar ruim 400 likes en meer dan 100 comments. De verontwaardiging was voelbaar — en terecht.

Vermeulen verduidelijkte zelf in de reacties dat zijn post niet specifiek tegen Freelance.nl gericht was, maar tegen het bredere fenomeen: het verdienmodel van intermediairs die gebruikmaken van het sentiment rondom de Wet DBA — over de rug van zowel freelancers en zzp’ers als opdrachtgevers. Die nuance is belangrijk, want wat hier zichtbaar wordt is geen incident. Het is een patroon.

Wat is een 70/30 model of midlance?

Midlance is juridisch gezien loondienst. De professional treedt in dienst bij een tussenpartij — een bureau, een detacheerder of een zogenaamde midlance-organisatie — en voert via die constructie opdrachten uit bij eindopdrachtgevers. De midlancer krijgt ongeveer 70% van het uurtarief, de overige 30% gaat naar het bureau. In ruil daarvoor belooft het bureau zekerheid: een basissalaris, pensioen, doorbetaling bij ziekte.

Op papier klinkt dat redelijk. Maar de werkelijkheid is grimmiger. Wie werkt via midlance is noch zzp’er noch gedetacheerde — het is feitelijk altijd loondienst, ook als het wordt aangeboden op platforms die zich profileren als freelance-marktplaatsen.

Wat kost het je concreet?

De rekensom is eenvoudig maar confronterend. Bij een eindtarief van €80 per uur verdien je als zzp’er €12.800 bruto per maand. Als midlancer ontvang je 70% van dat tarief — €8.960 bruto. Dat is een verschil van bijna €3.400 per maand.

Daar bovenop komt het risico van schijnveiligheid. Ex-midlancers geven aan dat de beloofde zekerheid in de praktijk tegenvalt. Daadwerkelijke inkomsten zitten fors onder de beloofde bedragen, omdat er geen opdrachten beschikbaar zijn voor het beoogde tarief — alleen voor een lager uurtarief. De keuze is dan genoegen nemen met minder, of helemaal geen opdracht krijgen. Dat maakt je als professional volledig afhankelijk van de opdrachtenstroom van je werkgever — en van de marges die hij hanteert.

De motor: angst voor de Wet DBA

Steeds meer partijen bieden midlance-achtige modellen aan als alternatief voor zelfstandig ondernemerschap en klassieke detachering, ingegeven door de strengere handhaving op schijnzelfstandigheid. Opdrachtgevers zijn onzeker over naheffingen, bang voor controles van de Belastingdienst. En tussenpartijen springen precies op dat sentiment in.

Dat gevoel leeft breed. In de commentaren onder de Vermeulen-post constateert Katja Steen van platform Fring dat opdrachten voor een groot deel zijn opgedroogd door de handhaving. Alireza Shahrokhi, freelance full stack tester, signaleert dat op Freelance.nl sinds het nieuwe kabinet voornamelijk opdrachten staan die niet geschikt zijn voor zzp’ers — en stelt voor de naam van het platform te veranderen naar “detachering-tussenpartij.nl”. Remko van Buuren stelt de kernvraag: waar moet de oplossing vandaan komen — bij freelancers, bij recruiters en tussenbureaus, of bij opdrachtgevers die door Wet DBA-onzekerheid allerlei constructies proberen?

Het resultaat is een markt die structureel verandert — niet omdat de wet dat vereist, maar omdat onzekerheid over de wet ruimte geeft aan partijen die hun positie willen uitbouwen. Opdrachtgevers geven steeds vaker aan dat een opdracht zich niet leent voor zzp’ers — niet op basis van een rechterlijk oordeel of een boekenonderzoek, maar op basis van risicoperceptie. En de commerciële belangen van de tussenlaag die daartussen is geschoven.

Het probleem: het heet nog steeds ‘freelance’

Wat Vermeulen terecht aankaart is het transparantieprobleem. Een opdracht die uitsluitend via midlance of detachering uitvoerbaar is, heeft niets meer te maken met freelancen. Toch wordt ze aangeboden op een platform dat zich als freelance-marktplaats presenteert, onder het label “freelance opdracht”, met een sollicitatieknop die de indruk wekt dat je als zelfstandige kunt reageren.

Doordat termen als freelance, midlance en detachering geen eenduidige wettelijke definitie hebben, wordt er misbruik van gemaakt. Bedrijven bieden freelance opdrachten aan met een loondienst-constructie — juridisch gewoon een ander woord voor detachering, maar verpakt als zelfstandig ondernemen. Het gevolg is dat zzp’ers die op zoek zijn naar directe opdrachten steeds vaker stuiten op een markt die voor hen is afgesloten — niet omdat de wet het verbiedt, maar omdat tussenpartijen de toegang controleren.

Wat betekent dit voor de zzp-markt?

De brede angst voor de Wet DBA creëert een verdienmodel. Niet voor de professional die het werk uitvoert, maar voor de laag ertussen. Zelfs de bedenker van het originele midlance-concept erkende dat het model vaak slecht wordt gekopieerd en misbruikt. Het systeem wordt ingezet om marges te rechtvaardigen die geen toegevoegde waarde leveren voor opdrachtgever of opdrachtnemer.

Intussen wordt de Zelfstandigenwet door het kabinet uitgewerkt als vervanging van het inmiddels geschrapte VBAR-voorstel. Tot die wet er is, blijft de onzekerheid bestaan — en blijft de tussenlaag groeien die van die onzekerheid profiteert.

Wat kun je als zzp’er concreet doen?

Het begint bij herkenning. Opdrachten via een 70/30 model, midlance of met de vermelding “ZZP niet mogelijk” zijn juridisch loondienst — ook al worden ze gepresenteerd als freelance. Voordat je solliciteert is het verstandig om te achterhalen wie de feitelijke opdrachtgever is en of directe inhuur als zzp’er tot de mogelijkheden behoort. Soms is dat wel degelijk bespreekbaar, zeker als je kunt aantonen dat de samenwerking voldoet aan de Deliveroo-criteria: geen gezagsverhouding, professionele autonomie, en ondernemerschap dat zichtbaar is in meerdere opdrachtgevers of eigen acquisitie.

Is directe inhuur niet mogelijk, dan is de vraag of het 70/30 model de moeite waard is. De rekensom is helder: bij €80 per uur houd je als midlancer ruim €3.000 per maand minder over dan als zzp’er. Alleen als je echt geen opdrachten kunt vinden of bewust kiest voor de zekerheid van een basissalaris, kan midlance een tijdelijke tussenoplossing zijn — maar noem het dan ook zo, en niet freelancen.

Want zoals de cijfers laten zien: €80 per uur is al minder dan het lijkt — maar 70% van €80 per uur is nog veel minder.


Bronnen: Rob Vermeulen, LinkedIn, maart 2026 · ZiPconomy, november 2024 · Het Ondernemersbelang · Rijksoverheid.nl

Deel dit bericht via:

Rechter corrigeert Belastingdienst: zzp’er in de zorg is geen schijnzelfstandige

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

De Belastingdienst heeft jarenlang gesteld dat werken als zzp’er in de zorg in veel gevallen neerkomt op schijnzelfstandigheid. De rechter denkt daar anders over. In een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 maart 2026 oordeelde de rechter dat een zelfstandige zorgprofessional geen schijnzelfstandige is — ook al waren vrijwel alle omstandigheden aanwezig die de Belastingdienst normaal als bewijs aanvoert.

De zaak: een logopedist met één opdrachtgever

De zaak betrof een zelfstandig logopedist die in 2024 werkte voor een logopediepraktijk. De omstandigheden waren op papier precies het soort situatie dat de Belastingdienst als risicovol bestempelt. De zzp’er werkte voor slechts één opdrachtgever, voerde intramurale werkzaamheden uit binnen de organisatie, had geen eigen cliënten maar bedient de patiënten van de praktijk, gebruikte de materialen en het elektronisch patiëntendossier van de opdrachtgever, vergoedde geen kosten voor ruimte of administratieve tools, en liet zich gedurende de hele opdracht geen enkele keer vervangen.

Kortom: een profiel dat de Belastingdienst in de zorgsector standaard als schijnzelfstandigheid kwalificeert. Toch oordeelde de rechter anders.

Oordeel van de rechter: geen gezag, dus geen arbeidsovereenkomst

De rechter keek niet naar de werkomgeving, maar naar de kern van de juridische vraag: was er sprake van een gezagsverhouding? Het antwoord was nee, om drie redenen. De logopedist ontving geen inhoudelijke aansturing over hoe het werk uitgevoerd moest worden. Er werd geen verantwoording afgelegd over persoonlijk functioneren. En welke patiënten geholpen werden en wanneer was aan de professional zelf.

Op basis daarvan concludeerde de rechtbank: er is geen arbeidsovereenkomst, maar een overeenkomst van opdracht. De logopedist werkte als echte zelfstandige.

Dat de zzp’er moest werken met een dossier, moest registreren en moest voldoen aan kwaliteitseisen, zegt volgens de rechter niets over een gezagsverhouding. Die verplichtingen vloeien voort uit de Wet Kwaliteit Klachten en Geschillen Zorg (Wkkgz) — een nationale wettelijke verplichting die voor iedere zorgprofessional geldt, ongeacht de contractvorm.

Belastingdienst tegengesproken

De uitspraak staat in direct contrast met het standpunt dat de Belastingdienst de afgelopen jaren innam. De dienst stelde eerder dat een zorgorganisatie als eindverantwoordelijke per definitie enige mate van werkgeversgezag uitoefent. De rechter verwerpt die redenering. Er is een wezenlijk verschil tussen verantwoordelijk en eindverantwoordelijk zijn — en dat verschil is door de wetgever zelf in de Wkkgz vastgelegd. Het gebruik van protocollen en kwaliteitssystemen is geen aansturing vanuit de opdrachtgever, maar een wettelijke verplichting die de zorgprofessional zelf draagt.

Fiscaal jurist Jasper Commandeur stelde naar aanleiding van de uitspraak op LinkedIn dat de beweringen van de Belastingdienst richting beroepsorganisaties — dat waarnemen als zorgprofessional “zeer waarschijnlijk schijnzelfstandig” of zelfs “onmogelijk” zou zijn — een vergissing zijn geweest. Een vergissing met grote gevolgen: zorgorganisaties die op basis van dat signaal alle zzp-inzet afbouwden, deden dat op basis van een onjuist frame.

Maatwerk, geen sectorbrede veroordeling

Een belangrijk aspect van de uitspraak is de bevestiging van wat juridisch al langer het uitgangspunt is: schijnzelfstandigheid kan alleen worden vastgesteld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van een individueel geval. De rechter toetst holistisch — alle relevante factoren worden in onderlinge samenhang gewogen. Dat is precies wat de rechter hier deed, en wat de Belastingdienst in de praktijk naliet.

De verwachting is dat de Belastingdienst deze uitspraak zal afdoen als “slechts één casus”. Maar dat argument snijdt weinig hout zolang diezelfde dienst brede, niet onderbouwde conclusies trok over sectoren en werkstructuren als geheel.

Wat betekent dit voor zzp’ers in de zorg?

De uitspraak maakt duidelijk dat werken als zzp’er in de zorg juridisch mogelijk is — ook als de werkomgeving intramurale kenmerken heeft. Doorslaggevend is niet wáár of mét welke middelen je werkt, maar of er sprake is van gezag over de inhoud van het werk. Zorgorganisaties die uit voorzorg alle zzp-inzet hebben afgebouwd, deden dat op basis van een onterecht frame.

Concreet zijn de volgende omstandigheden geen bewijs voor een arbeidsovereenkomst: werken op locatie bij de opdrachtgever, het gebruik van het EPD of materialen van de opdrachtgever, het ontbreken van vervanging, het hebben van slechts één opdrachtgever, en het werken voor patiënten van de organisatie. Wat wél telt: wie bepaalt hoe de zorg wordt verleend? Als de zorgprofessional dat zelf bepaalt, op basis van professionele autonomie en wettelijke verplichtingen, is er geen gezag — en dus geen arbeidsovereenkomst.

Dit vonnis sluit aan bij een bredere lijn in de rechtspraak die ook zichtbaar is na het Uber-arrest, waarbij het gerechtshof oordeelde dat de chauffeurs als echte ondernemers moesten worden beschouwd. De rechter weigert consequent mee te gaan in generieke sectorbeoordelingen en toetst elke casus op zijn eigen merites.

De Zelfstandigenwet, die het kabinet momenteel uitwerkt als opvolger van het geschrapte VBAR-verduidelijkingsdeel, moet op termijn meer duidelijkheid bieden over precies dit soort situaties. Tot die tijd geldt wat de rechter vandaag bevestigt: de beoordeling is maatwerk, en de Belastingdienst heeft de afgelopen jaren die lat te breed gelegd.


Bronnen: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 maart 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:1391) · ZZP-erindezorg.nl · LHV · Rijksoverheid.nl

Deel dit bericht via:

Waarom die zzp’er met €80 per uur minder verdient dan jij denkt

zzp uurtarief vergelijking loondienst verborgen kosten
Beeld: Canva Pro / redactie ZZP Nieuws © 2026

Een zzp uurtarief van €80 per uur — en jij trekt een wenkbrauw op. Die collega die twee jaar geleden vertrok om “voor zichzelf te beginnen” stuurt nu facturen waar je U tegen zegt. Tachtig euro. Per uur. Terwijl jij voor €3.500 bruto per maand negentig procent van de werkzaamheden doet die hij ook deed. Hoe durft hij.

Herkenbaar? Voor veel mensen in loondienst voelt het zo. En voor opdrachtgevers die die facturen binnenkrijgen ook. Maar de verontwaardiging berust op een misverstand — een rekenkundig misverstand. Want €80 per uur voor een zzp’er is niet wat het lijkt.

Wat jij ziet en wat je niet ziet

Als werknemer zie je je brutosalaris op je loonstrook. Wat je niet ziet, is wat je werkgever daarbovenop betaalt. En dat is aanzienlijk. De totale loonkosten voor een werknemer met een bruto maandsalaris van €3.000 bedragen in 2026 circa €4.258 per maand — 42% meer dan het bruto salaris.

Dat verschil zit in een stapel verplichtingen die jouw werkgever stil en automatisch voor je regelt: premies voor werknemersverzekeringen, bijdrage aan de Zorgverzekeringswet, vakantiegeld van 8%, pensioenpremie waarvoor werkgevers gemiddeld zo’n 15,8% bijdragen, doorbetaling bij ziekte (twee jaar lang, verplicht), reiskostenvergoeding en opleidingsbudget.

Jij merkt er niets van. Ze staan niet op je loonstrook. Ze bestaan gewoon.

Voor de zzp’er bestaan ze ook. Alleen betaalt hij ze zelf. Elke maand. Van zijn omzet.

De rekening die niemand ziet

Laten we de €80 per uur eens uitpluizen. Een zzp’er die veertig uur per week werkt, factureert in werkelijkheid lang niet al die uren. Een goede vuistregel is dat je ongeveer 60 tot 70 procent van je werkuren kunt factureren. Als je 40 uur per week werkt, kun je waarschijnlijk 24 tot 28 uur declareren. De rest gaat op aan acquisitie, offertes, boekhouden, scholing en alles wat een bedrijf draaiende houdt maar geen factuur oplevert.

Bovendien rekenen de meeste ervaren zzp’ers met zo’n 1.200 declarabele uren per jaar. Bij €80 per uur levert dat een bruto-omzet op van €96.000. Klinkt als veel. Maar dan:

Van €96.000 omzet naar netto inkomen:

PostBedrag per jaar
Zakelijke kosten (laptop, software, boekhouder, verzekeringen, 15%)€ 14.400
AOV-premie (arbeidsongeschiktheidsverzekering, bruto)€ 3.120
Pensioensparen (richtlijn: 20% van winst)€ 15.700
Waarde niet-declarabele werkuren€ 16.000
Resterende winst vóór belasting± € 62.880

Na aftrek van de zelfstandigenaftrek (€1.200 in 2026), MKB-winstvrijstelling en inkomstenbelasting houdt hij netto circa €42.000 tot €45.000 per jaar over. Daarmee komt hij uit op €3.500 tot €3.750 netto per maand.

Vergelijkbaar met een werknemer in loondienst wiens werkgever evenveel betaalt. Precies evenveel — maar dan zonder pensioenopbouw via de werkgever, zonder doorbetaling bij ziekte, zonder WW als de opdrachten opdrogen, en zonder ontslagbescherming.

Wat hij wel heeft: een rekening die jij niet ziet

Vakantie? Die kost hem €15.000 aan gemiste omzet per jaar als hij drie weken neemt — plus doorbetaalde ziektedagen telt hij niet eens mee. Een week griep is gewoon een week zonder inkomsten, met gewoon de vaste lasten van die week.

Daarnaast kost een arbeidsongeschiktheidsverzekering in 2026 gemiddeld €260 bruto per maand. Na aftrek van belasting is dat nog altijd gemiddeld €156 netto per maand. Elke maand, of hij nu werkt of niet. Jij hebt die dekking automatisch via je werkgever en de WIA. Hij niet, tenzij hij er zelf voor betaalt.

En dan is er nog het pensioen. De algemene richtlijn is dat zzp’ers 20 procent van alle inkomsten apart houden voor hun pensioen. Doe je dat niet, dan bouw je niets op boven de AOW. Die AOW dekt voor een alleenstaande grofweg €19.000 per jaar — voor veel mensen onvoldoende om de rekeningen te betalen.

De vuistregel die financieel adviseurs hanteren

Het is geen geheim in de boekhoudwereld. Om op hetzelfde netto besteedbaar inkomen uit te komen, moet het zzp-uurtarief gemiddeld 2,5 tot 3 keer zo hoog zijn als het bruto loondienst-uurloon. Verdubbel het uurloon van een vergelijkbare werknemer in loondienst — die verdient misschien €30 per uur, maar krijgt wél vakantiegeld, pensioen en loondoorbetaling bij ziekte.

Kortom: een werknemer die €30 bruto per uur verdient, moet als zzp’er minstens €60 tot €80 vragen om netto niet achteruit te gaan. Niet om rijker te worden. Gewoon om quitte te spelen.

Dit artikel kan ook praktisch van pas komen als je zelf zzp’er bent en je tarief moet uitleggen aan een nieuwe opdrachtgever. De rekening hierboven legt in één oogopslag uit waarom jouw tarief is wat het is — geen verontschuldiging nodig, gewoon rekenkunde.

De markt bewijst het zelf

Werkgevers die dachten dat zzp’ers “duur” waren, komen er nu achter hoe duur het alternatief is. Uit nieuw onderzoek van werkgeversvereniging AWVN van begin maart 2026: 46 procent van de werkgevers meldt hogere loonkosten doordat zij in plaats van zzp’ers mensen inhuren via andere flexvormen zoals uitzenden en detachering — tegenover 27 procent een jaar eerder.

Opvallend is bovendien dat 47% van de werkgevers zzp’ers een vaste aanstelling heeft aangeboden, maar slechts 6% van de werkgevers geeft aan dat zzp’ers bereid zijn om in loondienst te komen. Zzp’ers die de rekening kennen, weten wat loondienst hen kost.

Wat zegt de politiek?

De discussie over zzp-tarieven speelt ook in Den Haag. De politiek heeft jarenlang betoogd dat zzp’ers een fiscaal voordeel genieten ten opzichte van werknemers. Dat klopt deels — vandaar de versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek van €6.310 in 2022 naar €1.200 in 2026. Maar die discussie gaat voorbij aan de andere kant van de balans: de kosten die werkgevers voor werknemers dragen en die zzp’ers zelf moeten ophoesten.

Wel erkent de overheid de onderkant van het probleem. Het kabinet wil zzp’ers die tot €38 per uur verdienen een sterkere rechtspositie geven. Wie onder dat tarief werkt, kan straks makkelijker stellen dat er eigenlijk sprake is van werknemerschap. Dat is niet toevallig precies de grens waar de rekenmachine ook op uitkomt: wie minder vraagt, kan de verborgen kosten van het ondernemerschap nauwelijks dekken. Lees meer over de achtergrond van die wetgeving in ons artikel over de Zelfstandigenwet.

De conclusie

Die zzp’er met zijn €80 per uur? Hij verdient netto waarschijnlijk evenveel als zijn vroegere collega in loondienst. Misschien iets meer, misschien iets minder — afhankelijk van hoe goed hij zijn boekhouding op orde heeft, hoeveel hij spaart voor pensioen en of hij zijn AOV heeft geregeld.

Het verschil zit niet in de uitkomst. Het zit in het risico. Geen opdrachten betekent geen inkomen. Bij ziekte vallen de inkomsten weg. Een werkgever die twee jaar doorbetaalt bestaat niet. Geen collectieve pensioenregeling. Geen WW.

Dat €80 per uur is geen graailoon. Het is de prijs van dat risico — netjes doorberekend.

Tot slot: over die €80

Eén nuance verdient nog aandacht. €80 per uur klinkt hoog, maar het is vrijwel precies het landelijk gemiddelde. Volgens onderzoek van Knab onder 20.000 zelfstandigen bedraagt het gemiddelde zzp-uurtarief in Nederland €81 per uur. Daarbinnen zitten enorme verschillen: een zzp’er in de zorg of bouw zit vaak op €40 tot €60, een IT-consultant of jurist al snel boven de €100. Veel zzp’ers herkennen €80 dus helemaal niet als “hoog” — zij dromen er eerder van.

Bovendien werkt zo’n 92% van alle zzp’ers gewoon op uurbasis. Werken op projectbasis of vaste prijs is slimmer als je snel en efficiënt werkt, maar uurtje-factuurtje is en blijft de norm. De rekensom in dit artikel geldt dus voor de overgrote meerderheid.

En voor wie nu denkt: ik zit op €40 of €50 en vraag me af of ik ooit bij €80 kom — de rekening werkt precies hetzelfde op elk niveau. Ook bij €50 per uur gaan er AOV, pensioen, niet-declarabele uren en zakelijke kosten af. Juist daarom loont het om je zzp uurtarief serieus te nemen en regelmatig te herijken. Niet als hebzucht, maar als noodzaak.


Bronnen: AWVN ledenonderzoek maart 2026 · CBS arbeidsmarktcijfers 2025 · Knab Uurtarievenboekje 2025 · Rijksoverheid.nl

Deel dit bericht via:

Verplichte AOV voor zzp’ers naar Tweede Kamer: twee jaar wachten op een uitkering op minimumniveau

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

De ministerraad heeft vrijdag het wetsvoorstel voor de verplichte AOV voor zzp’ers goedgekeurd — officieel de Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ). Daarmee gaat het voorstel naar de Tweede Kamer. Na jaren van discussie, vier kabinetten en scherpe kritiek van de Raad van State nadert het moment waarop de wet er waarschijnlijk daadwerkelijk doorheen komt — maar wat zzp’ers daarvoor terugkrijgen, valt velen bitter tegen.

Wat staat er in het wetsvoorstel?

De BAZ is een publieke basisverzekering voor IB-ondernemers: zzp’ers en andere zelfstandigen met een eenmanszaak. De premie bedraagt 5,4% van de winst, met een maximum van 171 euro per maand. Dat bedrag is gebaseerd op het minimumloon van 2025 en wordt geïndexeerd — in 2026 stijgt het al naar circa 177 euro, in 2027 naar ongeveer 181-185 euro. Als iemand arbeidsongeschikt raakt, geldt een wachttijd van twee jaar voordat diegene een uitkering krijgt. In de eerste twee jaar is het de eigen verantwoordelijkheid om inkomstenderving op te vangen, bijvoorbeeld met eigen spaargeld of de inkomsten van een partner.

Directeur-grootaandeelhouders met een bv vallen niet onder de basisverzekering. Hetzelfde geldt voor zzp’ers die naast hun zelfstandige werk als werknemer werken en via de WIA al voldoende verzekerd zijn.

Waarom heeft het kabinet zoveel haast?

Minister Thierry Aartsen (VVD, Werk en Participatie) zet bewust vaart achter de BAZ, en dat heeft twee harde redenen. Het wetsvoorstel is onderdeel van de Europese afspraken over het coronaherstelfonds: als Nederland de afspraken niet nakomt, riskeren we 600 miljoen euro aan Europees steungeld. De deadline voor dit onderdeel van het pakket ligt op 31 augustus 2026.

Daarnaast wordt de BAZ straks een formeel vereiste in de aankomende Zelfstandigenwet. Wie als zelfstandige wil werken, moet een voorziening tegen arbeidsongeschiktheid hebben. De BAZ is de publieke basisvulling voor die plicht. De koppeling maakt het politiek moeilijker om de BAZ af te wijzen zonder ook de Zelfstandigenwet te torpederen.

De uitkering: minder dan veel zzp’ers verwachten

Het kabinet presenteert de BAZ als een sociaal vangnet, maar de bescherming die de regeling biedt, is in de praktijk beperkt. Na twee jaar arbeidsongeschiktheid ontvang je een uitkering van 70% van je vroegere inkomen, maar nooit meer dan het minimumloon. Voor de meeste zzp’ers die gewend zijn aan een inkomen boven het minimumloon — denk aan 4.000 of 5.000 euro per maand — betekent dat in de praktijk dat ze terugvallen op een uitkering van ruwweg 2.000 euro netto, ongeacht wat ze eerder verdienden.

Daar komt bij dat de beoordeling strenger is dan bij de WIA voor werknemers. Bij de BAZ beoordeelt het UWV of de zelfstandige eenvoudige functies — zoals receptionist, parkeerbeheerder of productiemedewerker — kan uitvoeren voor het minimumloon, in het eigen of een ander bedrijf. Als dat zo is, krijgt de zelfstandige geen uitkering. Het UWV hanteert daarbij het alles-of-niets-principe: volledig arbeidsongeschikt of geen recht op een uitkering. Bij een private AOV op basis van beroepsarbeidsongeschiktheid is de beoordeling persoonlijker en gericht op je eigen werk — de publieke BAZ biedt die bescherming niet.

De eerste twee jaar na een ziekmelding ben je hoe dan ook op jezelf aangewezen. Voor zzp’ers zonder buffer of partner met inkomen is dat een reëel risico. Lees in ons eerdere artikel waarom een groot deel van de zelfstandigen nu al onverzekerd opereert en wat de financiële risico’s zijn.

Kritiek van alle kanten

De Raad van State concludeerde in december dat de BAZ niet of nauwelijks uitvoerbaar is, zeker zolang de uitvoeringsproblemen bij de WIA niet zijn opgelost. De Raad adviseerde eerst de WIA verdergaand te vereenvoudigen. Dat advies is niet opgevolgd; het kabinet heeft het wetsvoorstel wel aangepast — onder meer door de wachttijd te verlengen van één naar twee jaar — maar is inhoudelijk doorgegaan.

Belangenorganisatie ZZP Nederland blijft kritisch en denkt dat de beoogde invoeringsdatum van 2030 niet eens gehaald wordt. Het UWV, dat straks verantwoordelijk wordt voor de claimbeoordeling en uitkeringen, heeft eerder gewaarschuwd dat het de uitvoering nauwelijks aankan. De Belastingdienst int de premies.

Opt-out: kan ik eruit blijven?

Wie al een private AOV heeft die vergelijkbaar is met de BAZ, kan gebruikmaken van de opt-out. De voorwaarde is dat de wachttijd van de private verzekering niet langer is dan twee jaar en de uitkering minstens vergelijkbaar is. Overstappen kan eens per jaar.

Zzp’ers die kiezen voor een private verzekering betalen geen reguliere BAZ-premie, maar wel een stabiliteitsbijdrage. Dat bedrag is nog niet vastgesteld. De maatregel moet voorkomen dat verzekeraars alleen de gezonde, goedkope risico’s opnemen terwijl de moeilijkere gevallen automatisch in het publieke stelsel terechtkomen.

Een cruciaal punt voor wie al verzekerd is: de peildatum voor het overgangsrecht is nog niet officieel vastgesteld, maar wordt verwacht in 2026. Wie vóór die datum een private AOV heeft die aan de voorwaarden voldoet, kan mogelijk onder het soepelere overgangsrecht vallen. Lees in ons uitgebreide artikel wat al vastligt en wat nog onzeker is rond de BAZ, inclusief de eindleeftijdseis als kernpunt van het overgangsrecht.

Wat kost een private AOV nu?

De premies voor een private AOV variëren sterk per beroep. Wie de vergelijking wil maken met de maximale BAZ-premie van 171 euro per maand, doet er verstandig aan de markt te verkennen. In ons overzicht lees je wat een arbeidsongeschiktheidsverzekering kost per beroepsgroep — van IT-consultant tot dakdekker.

Wat nu?

Het wetsvoorstel gaat naar de Tweede Kamer voor behandeling. De politieke discussie zal zich concentreren op twee vragen: kan het UWV dit er werkelijk bij hebben, en hoe betaalbaar is de verplichting voor zzp’ers met een laag inkomen? Invoering vóór 2030 blijft onwaarschijnlijk, maar de kans dat de wet er uiteindelijk doorkomt, is na vrijdag groter dan ooit.


Bronnen: Rijksoverheid.nl · Raad van State · NOS · ZiPconomy

Deel dit bericht via:

Kabinet schrapt omstreden deel VBAR: wat verandert er echt voor zzp’ers?

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie heeft vrijdag een belangrijke koerswijziging aangekondigd: het kabinet schrapt in 2026 het omstreden verduidelijkingsdeel van de VBAR. Tegelijkertijd maakt het kabinet juist vaart met het rechtsvermoeden van werknemerschap voor zzp’ers met een laag uurtarief. Voor zelfstandigen is dit nieuws met twee kanten.

Opmerkelijk detail: Aartsen ontmantelt het wetsvoorstel van zijn voorgangers binnen twee weken na zijn aantreden. Het is geen toeval — als Kamerlid schreef hij zelf al een alternatief.

Wat is de VBAR en wat wordt er precies geschrapt?

De wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) bestond uit twee delen. Het VBA-deel moest wettelijk vastleggen wanneer een opdrachtgever iemand als zzp’er mag inhuren. Dit deel stuitte op zoveel kritiek — van zzp-organisaties én een groot deel van de Tweede Kamer — dat het kabinet besluit het van tafel te halen. De kern van de kritiek: de VBAR had te weinig oog voor het ondernemerschap van zelfstandigen. In het coalitieakkoord van januari was al aangekondigd dat de VBAR zou worden opgesplitst — vrijdag werd dat voornemen omgezet in een concreet besluit.

Het R-deel van de VBAR — het rechtsvermoeden van werknemerschap — blijft wél overeind en gaat er zelfs versneld doorheen.

Rechtsvermoeden: wat betekent dat concreet?

Het rechtsvermoeden houdt in dat zzp’ers die werken voor een tarief onder de €38 per uur straks eenvoudiger bij de rechter kunnen afdwingen dat zij als werknemer worden behandeld. De redenering van het kabinet: wie minder dan €38 per uur verdient, kan redelijkerwijs niet van dat inkomen leven én tegelijkertijd sparen voor pensioen, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.

De bewijslast wordt omgedraaid. Niet de zzp’er hoeft te bewijzen dat hij eigenlijk werknemer is, maar de opdrachtgever moet aantonen dat er sprake is van echte zelfstandigheid. Aartsen verwacht ook een preventieve werking: opdrachtgevers die zzp’ers tegen lage tarieven inhuren, worden gedwongen beter na te denken over hoe ze dat organiseren.

Belangrijk om te weten: het rechtsvermoeden is geen verbod om onder dat tarief te werken. Een zzp’er die tevreden is met zijn situatie, hoeft er niets mee te doen. Alleen werkenden zelf kunnen er een beroep op doen — de Belastingdienst en Arbeidsinspectie niet. Het kabinet mikt erop dat dit deel voor de zomer door beide Kamers is aangenomen, zodat het begin 2027 kan ingaan.

Aartsen voert zijn eigen wet in

In de plaats van het geschrapte VBA-deel komt de Zelfstandigenwet — een initiatiefwetsvoorstel dat Aartsen als Kamerlid zelf ontwikkelde, samen met D66, CDA en SGP. Nu hij minister is in het kabinet van D66, VVD en CDA, krijgt hij de ruimte om die wet verder uit te werken en in te voeren. De Zelfstandigenwet werkt met drie toetsen om te bepalen of iemand als zzp’er werkt — een zelfstandigentoets, een werkrelatietoets en een sectoraal rechtsvermoeden — en is geïnspireerd op Belgische wetgeving. Zoals eerder beschreven in onze analyse van de nieuwe zzp-plannen is de grote vraag nu hoe snel de concrete uitwerking volgt en hoe die er precies uit gaat zien.

Handhaving gaat gewoon door

Een misverstand dat snel de wereld uit kan: de handhaving op schijnzelfstandigheid verandert niet. Die loopt sinds 1 januari 2025 en blijft onverminderd van kracht. Aartsen waarschuwt wel voor de overreactie die hij ziet bij opdrachtgevers die sindsdien helemaal niet meer met zzp’ers willen werken uit angst voor naheffingen. Zijn boodschap is helder: je kunt prima met zzp’ers werken, als je het maar goed regelt.

Europese dimensie

Er speelt ook een Europese factor. Nederland dreigt een korting van €600 miljoen mis te lopen op bijdragen uit het Europese coronaherstelplan als het de arbeidsmarkt niet hervormt. Aartsen wil een aangepast voorstel indienen bij Brussel waarbij het geschrapte deel van de VBAR geen onderdeel is. Of dat volstaat om de korting te vermijden, is nog onzeker.

Wat betekent dit voor jou als zzp’er?

Werk je ruim boven de €38 per uur? Dan heeft deze aankondiging op korte termijn weinig directe gevolgen. Uit onderzoek van ZZPKiest blijkt bovendien dat zzp’ers met hogere tarieven het rechtsvermoeden juist steunen — het geeft hen rust en duidelijkheid. Werk je onder dat bedrag? Dan is het rechtsvermoeden straks op jou van toepassing. Het is verstandig je situatie goed te (laten) beoordelen, ook als je er zelf tevreden mee bent.

De grote vraag die overblijft is of de Zelfstandigenwet daadwerkelijk de duidelijkheid brengt die de VBAR niet kon brengen. De discussie over zzp-wetgeving loopt in Nederland al tien jaar. Ook op gemeentelijk niveau groeit de druk: bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 staat het zzp-beleid op lokaal niveau steeds vaker op de agenda. Of dit kabinet het sluitstuk schrijft op nationaal niveau, moet de komende maanden blijken.


Bronnen: ZiPconomy · Accountancy Vanmorgen · Rijksoverheid.nl

Deel dit bericht via:

Zelfstandigenaftrek daalt in 2026 naar €1.200: wat betekent dat concreet voor zzp’ers?

Beeld: Canva Pro / redactie ZZP Nieuws © 2026

De zelfstandigenaftrek is in 2026 meer dan gehalveerd. Waar zzp’ers in 2025 nog €2.470 van hun winst mochten aftrekken, is dat bedrag dit jaar teruggebracht naar €1.200 — een daling van ruim 51 procent. Voor de gemiddelde zelfstandige betekent dit een hogere belastingaanslag over hetzelfde inkomen.

Wat is de zelfstandigenaftrek?

De zelfstandigenaftrek is een fiscale aftrekpost voor ondernemers. Je trekt een vast bedrag af van je winst voordat de belasting wordt berekend. Zo verlaag je je belastbare inkomen en betaal je minder belasting. De aftrek geldt niet automatisch: de Belastingdienst moet je aanmerken als ondernemer voor de inkomstenbelasting én je moet minimaal 1.225 uur per jaar aan je onderneming besteden — het zogeheten urencriterium. Heb je aan het begin van het jaar de AOW-leeftijd al bereikt? Dan heb je recht op de helft: in 2026 is dat €600.

Van €6.310 naar €900 in zes jaar

De daling van dit jaar is geen verrassing, maar wel een grote stap. Sinds 2022 bouwt de overheid de zelfstandigenaftrek versneld af. Het doel is het belastingvoordeel van zelfstandigen ten opzichte van werknemers in loondienst te verkleinen. Het traject loopt van €6.310 in 2022 naar €2.470 in 2025, dan €1.200 in 2026 en uiteindelijk €900 in 2027 — het voorlopig eindpunt.

Critici wijzen er al jaren op dat zzp’ers structureel minder belasting betalen over hetzelfde inkomen dan mensen in loondienst. De versnelde afbouw is de overheid’s antwoord op die kritiek.

Wat betekent dit voor je portemonnee?

Het voordeel wordt kleiner door het lagere bedrag, maar er geldt ook een tariefbeperking. De Belastingdienst berekent het voordeel tegen een tarief van 37,56%. Daarmee komt de maximale belastingbesparing in 2026 uit op circa €450 (€1.200 × 37,56%). In 2025 was dat nog ruim €927 (€2.470 × 37,56%). Over hetzelfde inkomen betaal je dit jaar dus al snel enkele honderden euro’s meer aan belasting.

Benut je de volledige €1.200 niet omdat je winst te laag is? Dan gaat het niet-gebruikte bedrag niet verloren. Je verrekent het in de komende 9 jaar, mits je winst in die jaren hoog genoeg is.

Starters hebben een extra buffer

Startende ondernemers hebben naast de zelfstandigenaftrek ook recht op de startersaftrek. Die blijft in 2026 ongewijzigd op €2.123. Samen kunnen starters in 2026 dus €3.323 aftrekken van hun winst. In 2025 was dat nog €4.593. Het totale voordeel neemt ook voor starters merkbaar af, maar de startersaftrek biedt nog altijd een welkome compensatie.

Wat kun je nu doen?

De verlaging geldt vanaf 1 januari 2026 voor het lopende belastingjaar. Doe je aangifte over 2025? Dan geldt nog de oude aftrek van €2.470. Ben je nu actief als zzp’er? Controleer dan of je uurtarief en verwachte winst nog in lijn zijn met de hogere belastingdruk van dit jaar.


Bronnen: Belastingdienst · Ondernemersplein (Rijksoverheid)

Deel dit bericht via:

Vier op de tien werknemers wil zzp’er worden, maar het aantal zelfstandigen daalt juist

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Bijna vier op de tien werknemers overweegt de stap naar zelfstandig ondernemerschap. Tegelijk is het werkelijke aantal zzp’ers in 2025 voor het eerst in jaren gedaald — en juist onder de leeftijdsgroep die het meest enthousiast is over het zzp-schap is de afname het grootst. Nieuwe cijfers van Intelligence Group en het CBS laten een opvallende paradox zien.

De ambitie is groot, maar neemt licht af

Uit het Arbeidsmarktgedragsonderzoek van Intelligence Group, uitgevoerd in het laatste kwartaal van 2025, blijkt dat 14 procent van de werknemers zeker zzp’er wil worden. Nog eens een kwart zegt het te overwegen. Samen gaat het dus om zo’n vier op de tien werknemers die de overstap naar zelfstandig ondernemerschap serieus in gedachten heeft.

Die ambitie is wel iets gedaald ten opzichte van begin 2024 — vlak voor de hervatting van de handhaving op schijnzelfstandigheid — toen nog 17 procent van de werknemers ‘ja’ zei en 26 procent ‘misschien’. De wens is dus niet verdwenen, maar koelt langzaam iets af.

Jongeren zijn het meest enthousiast: van de 15- tot 24-jarigen wil 22 procent zzp’er worden. Hoe ouder de werknemer, hoe lager dat percentage. De wens is ook iets groter onder mannen dan onder vrouwen, wat overeenkomt met de feitelijke verhouding onder zelfstandigen: 63 procent man, 37 procent vrouw.

Van de huidige zzp’ers wil 11 procent liever in loondienst, en 38 procent sluit dat niet uit. De groep die dat zeker niet wil kromp van 51 naar 48 procent. Ook onder zelfstandigen neemt de zekerheid over de eigen positie dus licht af.

Ondertussen daalt het werkelijke aantal zzp’ers fors

Terwijl de aspiraties groot blijven, vertelt de praktijk een ander verhaal. Het CBS rapporteerde eerder deze maand dat het aantal zzp’ers in 2025 met 62.000 is gedaald tot circa 1,2 miljoen. Daarmee is een einde gekomen aan een jarenlange, ononderbroken groei die het totaal in tien jaar tijd met zo’n 370.000 had opgedreven.

De oorzaak is direct: per 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst strenger op schijnzelfstandigheid. Opdrachtgevers zijn terughoudender geworden bij het inhuren van zelfstandigen, met name in sectoren als zorg, bouw, techniek en platformdiensten. In het eerste kwartaal van 2025 stapten alleen al 59.000 zzp’ers over naar loondienst — bijna twee keer zoveel als een jaar eerder. ZZP Nieuws beschreef eerder al hoe het aantal actieve zelfstandigen daalt terwijl KVK-inschrijvingen nog licht groeien: die schijnbaar tegenstrijdige cijfers hebben alles te maken met het verschil tussen administratieve registraties en wie daadwerkelijk aan het werk is.

Jongeren haken het sterkst af

Juist de leeftijdsgroep die het meest geïnteresseerd is in het zzp-schap, is in de praktijk het sterkst afgehaakt. Van de 15- tot 27-jarigen daalde het aantal actieve zzp’ers met 18 procent, van 105.000 naar 86.000. Onder 27-plussers was de daling met 4 procent aanzienlijk kleiner.

De terugval is zichtbaar in vrijwel alle beroepsgroepen, maar het hardst in zorg en welzijn: van 12.000 naar 7.000 jonge zelfstandigen. Ook in agrarische beroepen, creatieve functies, technische beroepen en de dienstverlening nam het aantal jonge zzp’ers merkbaar af. Alleen in transport, logistiek en commerciële beroepen groeide het aantal jonge zelfstandigen nog.

Opvallend genoeg zijn jonge werkenden niet van de arbeidsmarkt verdwenen. Het totale aantal werkende jongeren nam in 2025 juist toe — zowel het aantal met een vast als met een flexibel dienstverband groeide. Een groot deel van de voormalige jonge zzp’ers is dus niet gestopt met werken, maar overgestapt naar loondienst.

Droom en werkelijkheid lopen verder uiteen

De KVK registreerde in 2025 slechts 178.000 nieuwe zzp’ers, tegen 206.000 in 2024. Omgerekend is dat zo’n 2 procent van alle werknemers in loondienst — terwijl vier op de tien zeggen te willen overstappen. De kloof tussen ambitie en daadwerkelijke actie was zelden zo zichtbaar.

Dat betekent niet dat zelfstandig werken verdwijnt. Nederland telt nog steeds 1,2 miljoen zzp’ers en in specialistische sectoren blijft de vraag naar flexibele professionals groot. Maar de tijd dat starten als zzp’er bijna vanzelf ging, en dat opdrachtgevers zonder veel vragen zelfstandigen inhuurden, lijkt voorbij. Wie nu de stap overweegt, doet er goed aan niet alleen te kijken naar de wens, maar ook naar de sector, de contractvorm en de realiteit van een markt die structureel aan het verschuiven is.


Bronnen: 

Intelligence Group – Arbeidsmarktgedragsonderzoek Q4 2025 (via Zipconomy, 26 februari 2026)

CBS – Aantal zzp’ers in 2025 gedaald met 62 duizend, cbs.nl (12 februari 2026) CBS – Landelijke Jeugdmonitor: aantal zzp’ers daalt het sterkst onder jongeren, cbs.nl (februari 2026)

KVK – Jaarrapportage startende ondernemers 2025

Deel dit bericht via:

Meer aandacht voor zzp’ers in gemeentebeleid gevraagd richting verkiezingen 2026

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Met de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 in zicht vraagt belangenorganisatie ZZP Nederland nadrukkelijk aandacht voor de positie van zelfstandigen zonder personeel in lokale coalitieakkoorden. Volgens de organisatie spelen gemeenten een grotere rol voor ondernemers dan vaak wordt gedacht, terwijl zzp’ers in lokaal beleid lang niet altijd expliciet worden meegenomen.

Het initiatief past in een bredere discussie over de positie van zelfstandigen in Nederland, waarbij landelijke wetgeving, handhaving en economische ontwikkelingen steeds vaker ook lokaal effect hebben.

Gemeenten belangrijke opdrachtgever voor zzp’ers

Voor veel zelfstandigen zijn gemeenten een directe of indirecte opdrachtgever. Denk aan:

  • tijdelijke opdrachten bij gemeentelijke projecten,
  • aanbestedingen in zorg, ICT, bouw en dienstverlening,
  • regionale economische initiatieven.

Veranderingen in gemeentelijk beleid kunnen daarom direct invloed hebben op de opdrachtenmarkt voor zzp’ers.

Lokale regelgeving steeds relevanter

Naast opdrachten spelen gemeenten ook een rol via regelgeving en uitvoering van beleid. Voorbeelden zijn:

  • vergunningen en lokale belastingen,
  • duurzaamheids- en mobiliteitsbeleid,
  • economische stimulering en subsidies.

Volgens ondernemersorganisaties wordt het belang van deze lokale factoren vaak onderschat in discussies over zelfstandig ondernemerschap.

Oproep richting nieuwe coalitieakkoorden

ZZP Nederland roept gemeenten op om zelfstandigen expliciet mee te nemen in toekomstige coalitieakkoorden. Daarbij gaat het onder meer om:

  • toegankelijk houden van gemeentelijke opdrachten,
  • beperken van administratieve lasten,
  • duidelijke uitvoering van landelijke regelgeving,
  • aandacht voor lokaal ondernemerschap.

De organisatie benadrukt dat zelfstandigen een substantieel deel van de Nederlandse arbeidsmarkt vormen en bijdragen aan flexibiliteit en innovatie.

Landelijk beleid werkt lokaal door

Tegelijkertijd blijft landelijke wetgeving rond zzp’ers volop in beweging. Discussies over arbeidsrelaties, handhaving en mogelijke nieuwe regelgeving zorgen voor onzekerheid bij zowel opdrachtgevers als zelfstandigen.

Gemeenten krijgen daardoor steeds vaker te maken met vragen over inhuur, aanbestedingen en de positie van zelfstandigen binnen lokale economieën.

Blik vooruit

Met de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 in aantocht wordt verwacht dat lokaal economisch beleid meer aandacht krijgt. Voor zzp’ers kan dit invloed hebben op opdrachten, regelgeving en ondersteuning vanuit gemeenten.

Hoe groot die impact precies wordt, hangt af van politieke keuzes op lokaal én landelijk niveau.


Bronnen

ZZP Nederland – oproep aan gemeenten over zzp’ers in coalitieakkoorden 2026-2030
Arbeidsmarkt- en beleidsanalyses rond zelfstandig ondernemerschap en lokaal economisch beleid

Deel dit bericht via:

Kwart zzp’ers ziet opdrachten verdwijnen door onzeker beleid

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Een groeiend aantal zelfstandigen merkt dat opdrachten moeilijker te verkrijgen zijn. Uit recente signalen uit de arbeidsmarkt blijkt dat ongeveer een kwart van de zzp’ers minder opdrachten krijgt of zelfs opdrachten ziet verdwijnen. Belangrijke oorzaak lijkt de aanhoudende onzekerheid rond wet- en regelgeving voor zelfstandigen en de handhaving op schijnzelfstandigheid.

Hoewel de vraag naar flexibel inzetbare professionals in veel sectoren blijft bestaan, zijn opdrachtgevers voorzichtiger geworden.

Onzekerheid bij opdrachtgevers speelt grote rol

De discussie rond arbeidsrelaties, mogelijke nieuwe zzp-wetgeving en strengere controles zorgt ervoor dat organisaties risico’s proberen te beperken. In sommige gevallen kiezen opdrachtgevers ervoor om:

  • opdrachten anders in te vullen,
  • zelfstandigen via tussenconstructies in te huren,
  • of tijdelijk helemaal geen zzp’ers meer in te schakelen.

Vooral grotere organisaties en overheidsinstanties nemen vaker een afwachtende houding aan.

Praktische gevolgen voor zelfstandigen

Voor zzp’ers kan deze ontwikkeling merkbare impact hebben. Sommige zelfstandigen zien:

  • opdrachten verdwijnen of starten later,
  • tarieven onder druk komen te staan,
  • meer concurrentie tussen zelfstandigen ontstaan.

Vooral sectoren met veel discussie over arbeidsrelaties, zoals zorg, overheid, ICT en bouw, lijken deze effecten sterker te ervaren.

Groei aantal bedrijven versus actieve zelfstandigen

Opvallend is dat tegelijkertijd het aantal ingeschreven zzp-bedrijven nog licht groeit. Dat betekent echter niet automatisch dat meer zelfstandigen actief werken. Steeds vaker houden ondernemers een inschrijving aan terwijl zij tijdelijk minder opdrachten uitvoeren of deels terugkeren naar loondienst.

Dit verklaart waarom sommige statistieken groei laten zien, terwijl in de praktijk juist minder opdrachten beschikbaar zijn.

Politieke ontwikkelingen blijven bepalend

Het kabinet werkt aan nieuwe regels rond zelfstandigen en arbeidsrelaties. Tegelijk blijft de uitvoering en handhaving onderwerp van discussie. Voor zowel zzp’ers als opdrachtgevers is vooral duidelijkheid belangrijk, zodat zij weten waar zij aan toe zijn.

Zolang die duidelijkheid ontbreekt, lijkt voorzichtigheid in de markt voorlopig aan te houden.

Blik vooruit

Ondanks de huidige onzekerheid blijft zelfstandig ondernemerschap een belangrijk onderdeel van de Nederlandse arbeidsmarkt. In veel sectoren is flexibiliteit noodzakelijk en blijft vraag naar specialistische kennis bestaan.

De komende periode zal moeten blijken of nieuwe regelgeving en politieke keuzes leiden tot meer stabiliteit of juist verdere veranderingen in de zzp-markt.


Bronnen

Arbeidsmarktsignalen en onderzoek naar zzp-opdrachten (o.a. berichtgeving RTL Nieuws, sectormedia en analyses rond zzp-wetgeving en handhaving arbeidsrelaties).

Deel dit bericht via:

Waarom zorgorganisaties nog steeds terughoudend zijn met zzp’ers

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Hoewel werken met zelfstandigen in de zorg niet verboden is, blijven veel zorgorganisaties terughoudend met het inhuren van zzp’ers. Dat blijkt uit recente sectoranalyses, arbeidsmarktontwikkelingen en een opiniestuk van zorgjournalist Lex Tabak op zzp-erindezorg.nl. De discussie draait daarbij niet alleen om wetgeving, maar ook om beleid, risico-afwegingen en organisatiekeuzes.

Niet alleen wetgeving speelt een rol

De strengere aandacht voor schijnzelfstandigheid en de Wet DBA zorgt al langere tijd voor onzekerheid bij opdrachtgevers. Onderzoek onder werkgevers laat zien dat veel organisaties voorzichtig zijn geworden met het inhuren van zelfstandigen, vooral in sectoren als zorg en ICT. 

Toch betekent dit niet dat zelfstandige inzet onmogelijk is. In diverse sectorinitiatieven wordt juist gewerkt aan manieren om zzp’ers binnen de regels te blijven inzetten.

Zorgorganisaties kiezen vaker voor zekerheid

Naast regelgeving spelen ook organisatorische overwegingen mee. Sommige instellingen kiezen bewust voor meer personeel in loondienst om:

  • continuïteit van zorg te waarborgen
  • kosten voorspelbaar te houden
  • administratieve risico’s te beperken

Zo hebben diverse zorginstellingen hun inhuurbeleid aangescherpt of roosters aangepast, mede vanuit kwaliteit en continuïteit van zorg. 

Deze keuzes zijn dus niet uitsluitend juridisch, maar ook strategisch.

Personeelstekorten blijven een factor

De zorgsector kampt al jaren met personeelstekorten. Tegelijkertijd wordt het lastiger om zelfstandigen flexibel in te zetten. Sommige brancheorganisaties waarschuwen zelfs dat bepaalde zorgvoorzieningen onder druk kunnen komen te staan wanneer zzp-inzet sterk wordt teruggedrongen. 

Dat maakt het debat complex: minder zelfstandigen kan stabiliteit brengen, maar ook capaciteit verminderen.

Effect van handhaving zichtbaar

Arbeidsmarktinformatie laat zien dat strengere handhaving op schijnzelfstandigheid een ontmoedigend effect kan hebben op zzp’ers in de zorg. Voor het eerst in jaren is in delen van de sector een afname zichtbaar, mede door beleid gericht op meer werknemers in loondienst. 

Daarnaast zien organisaties soms af van zelfstandigen uit angst voor naheffingen of juridische risico’s.

Analyse uit de sector zelf

In een recente analyse op zzp-erindezorg.nl stelt journalist Lex Tabak dat naast wetgeving ook beeldvorming en bestuurlijke keuzes een rol spelen. Volgens hem ontstaat soms het idee dat werken met zzp’ers niet meer mogelijk is, terwijl er in praktijk vaak wel ruimte bestaat als arbeidsrelaties goed worden ingericht.

Dat perspectief leeft breder in de sector, al verschillen ervaringen sterk per regio en organisatie.

Wat betekent dit voor zzp’ers in de zorg?

Voor zelfstandigen betekent de huidige situatie vooral:

  • meer nadruk op aantoonbaar ondernemerschap
  • kritischer opdrachtgevers
  • verschuiving naar andere zorgorganisaties of sectoren

Tegelijk blijft de vraag naar flexibel inzetbare zorgprofessionals bestaan, zeker bij piekdrukte en specialistische zorg.

Blik vooruit

De discussie over zzp’ers in de zorg lijkt voorlopig niet voorbij. Wetgeving, arbeidsmarkttekorten en organisatorische keuzes blijven elkaar beïnvloeden. Voor zelfstandigen betekent dit dat kansen blijven bestaan, maar dat de manier waarop zij worden ingehuurd verandert.


Bronnen

Analyse/opinie: Lex Tabak – Vier redenen waarom zorgorganisaties nog steeds geen zzp’ers inhuren (zzp-erindezorg.nl)
ZZP Nederland – gevolgen handhaving Wet DBA voor sectoren
V&VN – beleid rond inzet zzp’ers in zorginstellingen
Brancheorganisaties huisartsenzorg – waarschuwingen over inzet zelfstandigen
UWV Arbeidsmarktinformatie – zzp-ontwikkelingen in zorgsector

Deel dit bericht via:

Aantal zzp’ers daalt, maar aantal bedrijven groeit nog licht

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Het aantal zzp’ers in Nederland laat momenteel een opvallend dubbel beeld zien. Nieuwe arbeidsmarktgegevens wijzen erop dat minder mensen daadwerkelijk als zelfstandige werken, terwijl het totaal aantal ingeschreven zzp-bedrijven nog steeds licht groeit. Dat lijkt tegenstrijdig, maar heeft alles te maken met het verschil tussen actieve ondernemers en administratieve inschrijvingen.

De ontwikkeling valt samen met strengere controles op arbeidsrelaties, economische onzekerheid en een veranderende vraag naar flexibele arbeid.

Minder werkzame zelfstandigen volgens CBS

Arbeidsmarktgegevens laten zien dat het aantal werkzame zelfstandigen het afgelopen jaar is afgenomen. Het gaat om een daling van grofweg 90.000 tot 100.000 mensen die daadwerkelijk als zelfstandige actief zijn. Daarmee komt het aantal werkzame zzp’ers uit rond de 1,17 miljoen.

Deze daling betekent niet dat al deze ondernemers gestopt zijn. Een deel is:

  • teruggekeerd naar loondienst,
  • tijdelijk minder actief,
  • of combineert zelfstandig werk met een baan.

Volgens arbeidsmarktdeskundigen spelen vooral onzekerheid over regelgeving en terughoudendheid bij opdrachtgevers hierbij een rol.

KVK: aantal bedrijven groeit nog licht

Tegelijkertijd blijft het aantal ingeschreven zzp-bedrijven volgens de Kamer van Koophandel nog licht stijgen, ongeveer één procent op jaarbasis. Dat lijkt tegenstrijdig, maar komt doordat een inschrijving niet automatisch betekent dat iemand ook actief opdrachten uitvoert.

Steeds vaker gaat het om ondernemers die:

  • slechts beperkt zelfstandig werken,
  • een bedrijf aanhouden naast loondienst,
  • of hun activiteiten tijdelijk op een lager pitje zetten.

Hierdoor kan het totaal aantal bedrijven groeien terwijl het aantal actieve zelfstandigen juist afneemt.

Strengere controles beïnvloeden gedrag

Een belangrijke factor achter deze ontwikkeling is de toenemende aandacht voor arbeidsrelaties en schijnzelfstandigheid. De Belastingdienst controleert intensiever en opdrachtgevers zijn voorzichtiger geworden.

Dat leidt onder meer tot:

  • minder langdurige zzp-contracten,
  • vaker inzet via detachering of loondienst,
  • strengere contractvoorwaarden.

Vooral grotere organisaties en overheden kijken kritischer naar externe inhuur.

Sectoren merken veranderingen

In meerdere sectoren zijn de effecten inmiddels zichtbaar. Sommige organisaties verminderen de inzet van zelfstandigen of kiezen andere constructies. Tegelijk blijft in specialistische sectoren nog steeds vraag naar flexibel inzetbare professionals.

Het beeld verschilt dus sterk per branche.

Wat betekent dit voor zzp’ers?

Voor zelfstandigen verandert vooral de dynamiek:

  • Groei van het aantal zzp’ers is niet meer vanzelfsprekend.
  • Opdrachtgevers letten scherper op zelfstandigheid en contractvorm.
  • Duidelijke positionering als ondernemer wordt belangrijker.

Dat betekent niet dat zelfstandig werken verdwijnt. Nederland heeft nog steeds een grote en diverse groep zelfstandigen en flexibiliteit blijft voor veel organisaties noodzakelijk.

Vooruitblik

De komende jaren zullen waarschijnlijk in het teken staan van stabilisatie van de zzp-markt. Economische ontwikkelingen, nieuwe wetgeving en de manier waarop handhaving wordt ingevuld, bepalen hoe de markt zich verder ontwikkelt.

Voor nu lijkt vooral duidelijk dat de snelle groei van het aantal zelfstandigen tot stilstand is gekomen en dat de markt zich aanpast aan nieuwe omstandigheden.


Bronnen

CBS – Arbeidsmarktgegevens zelfstandigen (2025–2026)
Kamer van Koophandel – Bedrijvendynamiek en trends ondernemerschap (2025)
Belastingdienst – Arbeidsrelaties en handhaving Wet DBA
ZipConomy – Analyse en berichtgeving over zzp-beleid en arbeidsmarktontwikkelingen
Stad+Groen – Sectorberichtgeving over inzet zelfstandigen

Deel dit bericht via:

Nieuwe zzp-plannen krijgen vorm, maar onzekerheid blijft groot in 2026

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Na weken van discussie over schijnzelfstandigheid, handhaving en nieuwe wetgeving, wordt één ding steeds duidelijker: de politiek zet een nieuwe koers uit voor zzp-beleid, maar de uitwerking laat nog op zich wachten. Daardoor blijft 2026 voor veel zelfstandigen én opdrachtgevers een jaar van onzekerheid.

In dit artikel zetten we op een rij wat er sinds de jaarwisseling concreet is geworden, welke vragen nog openstaan en wat zzp’ers nu al praktisch kunnen doen.


1) Coalitieplannen: richting is duidelijker, details nog niet

Het coalitieakkoord bevat heldere ambities rond zzp-wetgeving: schijnzelfstandigheid moet steviger worden aangepakt, terwijl “echte zelfstandigen” sneller duidelijkheid moeten krijgen via een nieuw kader (de Zelfstandigenwet). Ook wordt gesproken over een gefaseerde aanpak, waarbij onderdelen niet allemaal tegelijk ingaan.

Dat klinkt als beweging, maar het blijft voorlopig vooral politiek richtinggevend. Wetgeving moet nog worden uitgewerkt, besproken in de Kamer en daarna ingevoerd. Tot die tijd verandert er juridisch niet automatisch iets aan de bestaande regels.


2) Nieuwe bewindspersonen op het zzp-dossier

Een opvallende ontwikkeling is dat het zzp-dossier nu expliciet gekoppeld wordt aan nieuwe verantwoordelijke bewindspersonen. In de berichtgeving worden Thierry Aartsen (VVD) genoemd als minister van Werk en Participatie en Nathalie van Berkel (D66) als staatssecretaris van Financiën.

Voor zzp’ers is dit relevant omdat het dossier vaak ‘tussen’ ministeries ligt: arbeidsrecht, fiscale handhaving en uitvoering door organisaties zoals de Belastingdienst grijpen in elkaar. Nieuwe bewindspersonen kunnen het tempo en de prioriteiten in het dossier beïnvloeden, ook als de wetgeving nog niet af is.


3) Oppositie en organisaties: steun én kritiek tegelijk

De eerste reacties op de coalitieplannen zijn gemengd. Aan de ene kant zijn er geluiden van zelfstandigenorganisaties die de koers zien als een verbetering ten opzichte van eerdere plannen. Aan de andere kant klinkt vanuit oppositiepartijen kritiek, vooral omdat er “nog veel open eindjes” zijn en de praktische consequenties voor de markt nog onduidelijk blijven.

Voor zelfstandigen en opdrachtgevers betekent dat: de richting lijkt gezet, maar de politieke discussie is nog niet klaar. En zolang er geen concrete wetsartikelen, data en uitvoeringskaders zijn, blijft het dossier gevoelig voor wijzigingen.


4) Dit verandert wél concreet in 2026: handhaving Wet DBA (deels) aangescherpt

Waar de wetgeving nog in ontwikkeling is, is de handhaving juist wél concreter geworden.

De Belastingdienst communiceert dat sinds 1 januari 2025 weer “normale regels” gelden bij arbeidsrelaties. In 2026 geldt bovendien een belangrijke nuance:

  • in 2026 worden nog geen verzuimboetes opgelegd,
  • maar vanaf 1 januari 2026 kunnen wel vergrijpboetes worden opgelegd (bij bewuste en ernstige overtredingen).

Daarnaast geldt dat de Belastingdienst bij vastgestelde schijnzelfstandigheid direct correcties en naheffingen kan opleggen.

Dit is precies waarom veel opdrachtgevers voorzichtig blijven — ook als de politiek tegelijk zegt dat er ruimte moet komen voor “echte zelfstandigen”. In de praktijk zit de onzekerheid vaak niet in de ambities, maar in de vraag: hoe wordt dit straks beoordeeld, en wat is het risico bij controle?


5) Zzp-markt: meer signalen van druk en onzekerheid

Naast politiek en handhaving spelen er ook economische signalen. In weekoverzichten en analyses wordt gesproken over:

  • krimp in het aantal zzp’ers in het laatste kwartaal van 2025,
  • financiële problemen bij een deel van de zelfstandigen,
  • en een groeiende groep die ondersteuning zoekt bij voedselbanken.

Los van de exacte cijfers is de onderliggende trend relevant: onzekerheid over regelgeving en handhaving kan doorwerken in de markt. Opdrachtgevers worden terughoudender, projecten schuiven, en sommige zelfstandigen ervaren meer druk op tarieven en continuïteit.


Wat kun je nu als zzp’er doen?

Zolang de wetgeving nog niet definitief is, draait het in 2026 vooral om risicobeheersing en professionalisering:

  1. Check je positie als ondernemer (op papier én in de praktijk)
    Niet alleen contracten, maar ook feitelijke uitvoering telt. Denk aan zelfstandige keuzevrijheid, eigen risico, eigen gereedschap/middelen waar relevant, en het voorkomen van aansturing alsof je werknemer bent.
  2. Breng opdrachtgevers gerust met duidelijkheid
    Veel onrust ontstaat doordat opdrachtgevers risico’s niet goed kunnen inschatten. Wie kan uitleggen hoe de samenwerking DBA-proof is ingericht, heeft een voordeel.
  3. Volg vooral de uitvoeringslijnen
    Wetten in wording zijn belangrijk, maar in 2026 is vooral de uitvoeringspraktijk (Belastingdienst, rechterlijke uitspraken, beleidsbrieven) bepalend voor het directe risico.

Conclusie

Sinds de jaarwisseling wordt de koers rond zzp-wetgeving duidelijker: de coalitie wil sneller duidelijkheid voor echte zelfstandigen en tegelijk schijnzelfstandigheid strakker aanpakken. Maar de uitwerking is nog niet af, waardoor de onzekerheid voorlopig blijft.

Wat wél concreet is: de handhaving rond arbeidsrelaties blijft een aandachtspunt, met in 2026 een regime waarin verzuimboetes nog achterwege blijven maar vergrijpboetes onder voorwaarden wel mogelijk zijn.

Voor zzp’ers en opdrachtgevers is 2026 daarmee vooral een jaar waarin het aankomt op goede afspraken, goede uitvoering en het volgen van de politieke en uitvoeringsstappen die nog gaan komen.


Bronnen

  • Belastingdienst – Arbeidsrelaties en handhaving (vergrijpboetes mogelijk vanaf 1 januari 2026, geen verzuimboetes in 2026) (link)
  • PIANOo (Rijksoverheid) – Wet DBA en informatie over (gedeeltelijke) verlenging zachte landing en boetesystematiek (link)
  • ikwordzzper – weekoverzicht met signalen over krimp zzp’ers en financiële druk (week 6)
  • ZipConomy – Oppositie reageert met gemengde gevoelens op zzp-plannen van nieuwe kabinet (“nog veel open eindjes”)
  • ZipConomy – Thierry Aartsen en Nathalie van Berkel genoemd als nieuwe gezichten op het zzp-dossier
Deel dit bericht via:

Coalitieakkoord wijzigt koers zzp-wetgeving: VBAR opgesplitst, Zelfstandigenwet naar voren

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

Het zzp-dossier krijgt een duidelijke nieuwe richting. In het coalitieakkoord Aan de slag – 2026–2030 staat dat de coalitie de conceptwet VBAR wil opsplitsen, een rechtsvermoeden van werknemerschap wil invoeren, en het “overgebleven deel” van VBAR zo snel mogelijk wil vervangen door een Zelfstandigenwet

Dat is relevant nieuws voor zelfstandigen en opdrachtgevers, omdat VBAR de afgelopen jaren juist hét kabinetsinstrument was om schijnzelfstandigheid aan te pakken én om criteria voor zelfstandigheid wettelijk te verduidelijken. De passage in het coalitieakkoord betekent niet dat alles al vaststaat (wetgeving moet nog door Tweede en Eerste Kamer), maar wél dat de politieke route verandert.

Wat staat er precies in het coalitieakkoord?

In het hoofdstuk over economie/ondernemen schrijft de coalitie letterlijk dat zij schijnzelfstandigheid wil aanpakken door de conceptwet VBAR te splitsen en een rechtsvermoeden van werknemerschap in te voeren. Het resterende deel van VBAR wil men daarna “zo snel mogelijk” vervangen door de Zelfstandigenwet. 

Dat is een koerswijziging, omdat VBAR oorspronkelijk juist als één samenhangend pakket werd gepresenteerd: enerzijds verduidelijking van de beoordeling van arbeidsrelaties (wanneer ben je werknemer of zelfstandige), en anderzijds een rechtsvermoeden voor lagere tarieven.

Wat is VBAR ook alweer?

VBAR staat voor “Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden”. In 2025 communiceerde de overheid over een wetsvoorstel dat twee doelen combineert:

  1. duidelijker maken wanneer werk als zelfstandige kan en wanneer sprake is van werknemerschap, en
  2. de positie versterken van laagbetaalde werkenden die als zelfstandige werken, via een rechtsvermoeden bij een tariefgrens. 

Belangrijk: VBAR is (voor zover publiek bekend) nog geen afgerond, ingevoerd wettelijk kader; het is beleid-in-ontwikkeling dat juist veel discussie opriep over uitvoerbaarheid en helderheid.

Wat betekent “VBAR opsplitsen” in de praktijk?

De meest concrete aanwijzing uit het coalitieakkoord is dat het rechtsvermoeden doorgaat (als los onderdeel) en dat het “overgebleven deel” van VBAR vervolgens wordt vervangen door de Zelfstandigenwet. 

Daarbij is het belangrijk om goed te onderscheiden tussen:

  • rechtsvermoeden van werknemerschap (bescherming voor laagbetaalde werkenden: makkelijker claimen dat je werknemer bent), en
  • verduidelijking van zelfstandigheid (een helder kader wanneer je wél als zelfstandige kunt werken).

De coalitie lijkt deze twee sporen uit elkaar te trekken.

Wat is het rechtsvermoeden van werknemerschap?

Het rechtsvermoeden is bedoeld om werkenden met lage tarieven makkelijker toegang te geven tot werknemersrechten als zij vinden dat hun situatie feitelijk werknemerschap is. In eerdere kabinetscommunicatie werd daarbij een tariefgrens genoemd (in 2025: €36 per uur), waarbij de opdrachtgever dan moet aantonen dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst als iemand zich op dat vermoeden beroept. 

Let op: de precieze tariefgrens, peildatum en vormgeving kunnen in het wetgevingstraject veranderen. Het coalitieakkoord noemt wél het rechtsvermoeden, maar niet alle technische details. 

En wat is de Zelfstandigenwet?

De Zelfstandigenwet is een initiatief(voorstel) dat in de discussie vaak wordt genoemd als alternatief voor het “verduidelijkingsdeel” van VBAR. In de beschrijving van Zipconomy gaat het om een kader met toetsen (zoals een zelfstandigentoets en werkrelatietoets) om vooraf meer zekerheid te geven of iemand als zelfstandige kan werken voor een zakelijke opdrachtgever. 

De coalitie kondigt nu aan dat zij dat spoor “zo snel mogelijk” wil inzetten als vervanging van het resterende VBAR-deel. 

Waarom is dit nieuws, ook als het nog plannen zijn?

Omdat de passage in het coalitieakkoord:

  • de richting van het zzp-dossier concreet maakt (splitsen + vervangen), en
  • aangeeft dat er politiek draagvlak is om de aanpak anders te organiseren dan het oorspronkelijke VBAR-pakket. 

ZZP Nederland noemt de voortekenen in het coalitieakkoord gunstig voor zelfstandige ondernemers en wijst erop dat meerdere wensen van de organisatie als uitgangspunt lijken te zijn genomen. 
Ook Zipconomy duidt dit als een duidelijke koerswijziging en beschrijft de gefaseerde aanpak: eerst het rechtsvermoeden, daarna vervanging van het resterende VBAR-deel door de Zelfstandigenwet. 

Wat betekent dit voor zzp’ers en opdrachtgevers in 2026?

Voorlopig vooral dit:

  1. Nog geen directe wetswijziging “per morgen”
    Een coalitieakkoord is richtinggevend, maar wetgeving moet nog worden uitgewerkt en aangenomen.
  2. Meer kans op twee aparte trajecten
    Het rechtsvermoeden kan eerder komen dan een volledig nieuw zelfstandigenkader, omdat de coalitie expliciet spreekt over fasering. 
  3. Onzekerheid blijft nog even
    Totdat er concrete wetsvoorstellen, data en uitvoeringskaders zijn, blijft het voor opdrachtgevers en zelfstandigen belangrijk om arbeidsrelaties zorgvuldig in te richten op basis van bestaande regels en rechtspraak.

Conclusie

Het coalitieakkoord zet een nieuwe koers uit: de conceptwet VBAR wordt opgesplitst, het rechtsvermoeden van werknemerschap wordt ingevoerd, en het resterende VBAR-deel moet zo snel mogelijk plaatsmaken voor de Zelfstandigenwet. 

Voor zzp’ers kan dit op termijn meer duidelijkheid betekenen — maar de cruciale vraag wordt nu: hoe snel volgt de concrete uitwerking, en hoe gaat die er precies uitzien?


Deel dit bericht via:

Uber-uitspraak: hof ziet chauffeurs als ondernemers – maar individuele beoordeling blijft leidend

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

De juridische strijd rond Uber-chauffeurs en schijnzelfstandigheid heeft deze week een nieuwe wending gekregen. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde op 27 januari 2026 dat Uber-chauffeurs in deze zaak niet automatisch als werknemers moeten worden beschouwd, maar in veel gevallen als zelfstandige ondernemers kunnen worden aangemerkt.

Het arrest wordt door sommigen gepresenteerd als een overwinning voor Uber en voor zelfstandig ondernemerschap. Tegelijkertijd benadrukt het hof vooral één belangrijk punt: de arbeidsrelatie kan niet in één collectief oordeel worden vastgelegd, omdat de omstandigheden per chauffeur verschillen.

Wat is er precies besloten – en waarom is deze uitspraak relevant voor veel meer zzp’ers dan alleen platformchauffeurs?


Wat heeft het gerechtshof precies geoordeeld?

De zaak draaide om een collectieve vordering van vakbond FNV, die stelde dat Uber-chauffeurs onder de cao Taxivervoer vallen en dus als werknemers moeten worden gezien.

Het hof wees die vordering af. Volgens het gerechtshof is de status van Uber-chauffeurs niet groepsgewijs vast te stellen, omdat de mate van ondernemerschap per chauffeur kan verschillen. Het hof sluit niet uit dat sommige chauffeurs wél als werknemer kunnen worden gezien, maar dat vereist een individuele beoordeling. 

In de procedure speelden ook zes chauffeurs mee die aan de zijde van Uber procedeerden. Over deze groep oordeelde het hof wél expliciet dat zij als zelfstandige ondernemers kunnen worden beschouwd. 


Waarom is dit arrest zo belangrijk?

De Uber-zaak is al jaren een symbooldossier in de discussie over schijnzelfstandigheid. Een eerdere uitspraak uit 2021 wees juist in de richting van werknemerschap, maar het hof kiest nu voor een andere benadering: niet één oordeel voor iedereen, maar maatwerk per situatie.

De uitspraak bevestigt daarmee een bredere juridische lijn: ondernemerschap is een relevant criterium en weegt in sommige gevallen zwaarder dan organisatorische sturing door een platform. 


Betekent dit dat alle Uber-chauffeurs nu zzp’er zijn?

Nee. Dat is een te simplistische conclusie.

Het hof zegt nadrukkelijk niet dat alle chauffeurs zelfstandigen zijn. Het hof zegt juist dat je niet collectief kunt vaststellen dat alle chauffeurs werknemer zijn. In individuele gevallen kan de uitkomst anders zijn, afhankelijk van de feitelijke omstandigheden. 

Dat maakt de uitspraak minder zwart-wit dan sommige koppen suggereren.


Wat betekent dit voor andere zzp’ers en opdrachtgevers?

De bredere betekenis zit in het principe dat het hof onderstreept:

De beoordeling van zelfstandigheid blijft afhankelijk van de feitelijke invulling van de werkrelatie.

Dat is relevant voor sectoren ver buiten Uber, zoals:

  • zorg-zzp’ers
  • interim-professionals
  • bouw en techniek
  • platformwerk
  • consultancy en IT

SoloPartners wees er bijvoorbeeld op dat deze uitspraak ook interessant is voor zorg-zzp’ers, omdat de individuele toets leidend blijft. 

Voor opdrachtgevers betekent dit dat één generiek “zzp-verbod” juridisch niet altijd noodzakelijk is, maar dat goede contracten én feitelijke uitvoering steeds belangrijker worden.


Reactie van FNV: cassatie wordt onderzocht

Vakbond FNV reageerde teleurgesteld en stelde dat de uitspraak onvoldoende bescherming biedt tegen schijnzelfstandigheid. De bond onderzoekt inmiddels de mogelijkheid om in cassatie te gaan bij de Hoge Raad en sluit ook individuele procedures niet uit. 

Daarmee is het dossier juridisch waarschijnlijk nog niet definitief afgesloten.


Wat kun je als zzp’er hiervan leren?

Voor zelfstandigen is de belangrijkste les niet “Uber wint”, maar:

  • ondernemerschap blijft een doorslaggevende factor;
  • individuele omstandigheden bepalen de uitkomst;
  • collectieve labels (“alle zzp’ers zijn werknemers” of “alle zzp’ers zijn ondernemers”) houden juridisch steeds minder stand.

Wie als zzp’er werkt, doet er goed aan om in de praktijk ook echt als ondernemer te functioneren: eigen keuzes, meerdere opdrachtgevers waar mogelijk, zelfstandige positionering en het dragen van ondernemersrisico.


Conclusie

De Uber-uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam laat zien dat zelfstandig ondernemerschap juridisch zwaarder mee kan wegen dan eerder gedacht. Tegelijkertijd is het geen vrijbrief: het hof benadrukt vooral dat arbeidsrelaties niet collectief beoordeeld kunnen worden, maar per persoon moeten worden getoetst.

Voor zzp’ers en opdrachtgevers onderstreept dit arrest vooral één boodschap: de discussie over schijnzelfstandigheid wordt steeds meer een kwestie van individuele feiten en ondernemerschap – niet van algemene labels.


Deel dit bericht via:

Verdienen vrouwelijke zzp’ers nu meer dan mannen? Dit zeggen de cijfers – en wat je daar wel en niet uit kunt concluderen

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

De afgelopen dagen verschenen meerdere berichten waarin wordt gesteld dat vrouwelijke zzp’ers inmiddels meer verdienen dan mannelijke zzp’ers. Daarmee zou er, anders dan in loondienst, geen sprake meer zijn van een loonkloof — sterker nog: vrouwen zouden zelfs vooroplopen.

Dat klinkt opvallend. Maar klopt dit beeld echt? En waarom lijken sommige berichten elkaar tegen te spreken?

In dit artikel zetten we de cijfers zorgvuldig op een rij en leggen we uit waar de nuance zit.


Wat is de bron van deze cijfers?

De recente berichtgeving is gebaseerd op de Talent Monitor van HeadFirst Group en Intelligence Group.

In deze monitor worden gegevens uit onder meer CBS-statistieken gecombineerd met arbeidsmarkt- en inhuurdata. De analyse richt zich op zelfstandigen zoals die in deze databronnen zijn opgenomen.

Belangrijk om te benadrukken: het gaat hier om een specifieke analyse, niet om een volledig overzicht van alle mogelijke inkomenssituaties van zzp’ers in Nederland.


Wat laten de recente cijfers zien?

Volgens de Talent Monitor lag in 2024 het gemiddelde inkomen per gewerkt uur van vrouwelijke zzp’ers hoger dan dat van mannelijke zzp’ers.

Concreet:

  • vrouwelijke zzp’ers: gemiddeld €25,90 per uur
  • mannelijke zzp’ers: gemiddeld €25,10 per uur

Dat is een verschil van ongeveer 3,2% in het voordeel van vrouwen.

Deze uitkomst werd recent onder meer belicht door de VolkskrantTaxLive en Flexmarkt.


Waarom lijken deze berichten haaks te staan op eerdere onderzoeken?

Eerdere studies en peilingen lieten vaak zien dat mannelijke zzp’ers gemiddeld meer verdienen dan vrouwelijke zzp’ers. Dat lijkt tegenstrijdig, maar dat verschil zit vooral in wat er precies wordt gemeten.

1. Inkomen per uur is niet hetzelfde als jaarinkomen

De Talent Monitor vergelijkt inkomen per gewerkt uur. Dat zegt iets over:

  • tarieven,
  • opbrengst per uur,
  • en markpositie per opdracht.

Het zegt niets direct over:

  • het totaal aantal gewerkte uren per jaar,
  • periodes zonder opdrachten,
  • of de uiteindelijke jaaromzet.

Als vrouwelijke zzp’ers gemiddeld minder uren maken, kan het totale jaarinkomen alsnog lager uitvallen, ondanks een hoger uurinkomen.


2. Sector- en beroepsverdeling spelen een grote rol

Mannen en vrouwen zijn niet gelijk verdeeld over sectoren en beroepen. Sommige sectoren kennen:

  • hogere uurtarieven,
  • meer schaarste,
  • of kortere, intensieve opdrachten.

Dat beïnvloedt gemiddelden, zonder dat dit iets zegt over structurele gelijkheid binnen alle beroepen.


3. Gemiddelden verbergen verschillen binnen groepen

Een gemiddeld verschil van enkele procenten zegt weinig over:

  • startende zzp’ers,
  • de onderkant van de markt,
  • of specifieke niches.

Binnen bepaalde beroepsgroepen verdienen mannen nog steeds meer, terwijl vrouwen in andere juist beter scoren.


Betekent dit dat er geen inkomenskloof meer is bij zzp’ers?

Nee, die conclusie gaat te ver.

Wat de cijfers wél laten zien:

  • de klassieke loonkloof zoals die in loondienst bestaat, is bij zzp’ers minder eenduidig zichtbaar;
  • vrouwelijke zzp’ers blijven in deze analyse niet structureel achter in inkomen per uur.

Wat de cijfers níét aantonen:

  • dat mannen en vrouwen als zzp’er in alle opzichten gelijk verdienen;
  • dat er geen verschillen bestaan in totaalinkomen, werkzekerheid of pensioenopbouw;
  • dat deze uitkomsten gelden voor alle jaren, sectoren en vormen van zelfstandig ondernemerschap.

Hoe verschilt dit van loondienst?

In loondienst bestaat nog steeds een duidelijke loonkloof tussen mannen en vrouwen. Die wordt onder meer verklaard door:

  • functiekeuze,
  • doorgroeimogelijkheden,
  • deeltijdwerk,
  • en onderhandelingsruimte.

Bij zzp’ers spelen andere mechanismen:

  • tarieven worden per opdracht onderhandeld;
  • beloning is direct gekoppeld aan marktwaarde;
  • functietitels en cao-structuren spelen geen rol.

Dat verklaart waarom inkomensverschillen bij zzp’ers anders kunnen uitpakken dan in loondienst, zonder dat daarmee alle ongelijkheid verdwijnt.


Wat betekent dit voor zzp’ers in de praktijk?

Voor zelfstandigen — man én vrouw — zijn een paar lessen relevant:

  • Kijk niet alleen naar gemiddelden, maar naar je eigen positie in je sector.
  • Vergelijk zowel je uurinkomen als je jaarlijkse omzet en continuïteit.
  • Houd rekening met lange-termijneffecten zoals pensioen en verzekerbaarheid.
  • Gebruik marktdata als referentie, maar baseer je strategie niet op één cijfer.

Conclusie

De recente berichten dat vrouwelijke zzp’ers meer verdienen dan mannen zijn niet onjuist, maar vragen om context. Ze laten zien dat de traditionele loonkloof bij zelfstandigen minder vanzelfsprekend is dan in loondienst, vooral wanneer gekeken wordt naar inkomen per gewerkt uur.

Tegelijkertijd zeggen deze cijfers weinig over totaalinkomen, werkzekerheid of lange-termijnopbouw. Wie verder kijkt dan de kop, ziet geen simpele winnaar of verliezer, maar een complexer beeld waarin zelfstandigheid andere spelregels kent.


Bronnen

Deel dit bericht via:

Verplichte AOV voor zzp’ers komt dichterbij: dit weten we nu over de BAZ (en wat nog onzeker is)

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

De verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen komt opnieuw nadrukkelijk in beeld. Het kabinet werkt aan de Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ): een publieke basisverzekering die zelfstandigen moet beschermen tegen langdurig inkomensverlies bij ziekte.

Voor veel zzp’ers is het onderwerp beladen: een verplichting voelt als beperking van ondernemersvrijheid, terwijl anderen juist wijzen op het gebrek aan vangnet bij langdurige uitval. Eén punt is in elk geval duidelijk: een groot deel van de zelfstandigen is nu niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, en de overheid wil dat veranderen.

In dit artikel zetten we op een rij wat er inmiddels vastligt, wat de BAZ in hoofdlijnen inhoudt, en welke onderdelen nog níet definitief zijn.


Veel zzp’ers zijn onverzekerd tegen arbeidsongeschiktheid

In de praktijk heeft een grote groep zelfstandigen geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dat kan een bewuste keuze zijn (kosten, inschatting van risico’s), maar het betekent ook dat langdurige uitval kan leiden tot forse financiële problemen. Dit is één van de belangrijkste redenen waarom de overheid toewerkt naar een basisvoorziening voor alle zelfstandigen.


Wat is de BAZ precies?

De BAZ is bedoeld als een publieke basisverzekering voor arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. In het wetsvoorstel gaat het om inkomstenbelasting-ondernemers, dus niet alleen “klassieke zzp’ers”, maar ook ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap.

De hoofdlijnen zoals ze nu in de voorstellen en toelichtingen terugkomen:

  • De BAZ is een eigen stelsel voor zelfstandigen, los van de WIA voor werknemers.
  • Het UWV beoordeelt arbeidsongeschiktheid en keert uit.
  • De Belastingdienst int de premie.
  • De wachttijd voordat er een uitkering kan starten is 104 weken (2 jaar).
  • De uitkering loopt door tot de AOW-leeftijd en is gemaximeerd rond het niveau van het wettelijk minimumloon(de regeling is dus nadrukkelijk “basis”).

Belangrijk: dit is een basisvangnet. Wie een hogere inkomenszekerheid wil, zal (ook straks) naar aanvullende private opties moeten kijken.


Premie: 5,4% van de winst, met een maximum rond €170 per maand

In het aangepaste wetsvoorstel is de premie verlaagd naar 5,4% van de winst uit onderneming. Er geldt een maximale premiegrondslag van 142,86% van het wettelijk minimumloon, waardoor de maximale premie (bij het toenmalige prijspeil) uitkomt op ongeveer €171 bruto per maand.

Dit bedrag kan door ontwikkelingen in minimumloon en premie-inschattingen later veranderen, maar de systematiek (percentage + maximum op basis van minimumloon) is wel een belangrijk ankerpunt.


Wanneer gaat de verplichte AOV in?

De BAZ gaat op zijn vroegst in 2030. Dat is ook logisch: het voorstel vraagt veel van de uitvoering (UWV-keuringen, premie-inning, processen rond opt-out en samenloop).

Tegelijk is er recente kritiek op uitvoerbaarheid. De Raad van State heeft in december 2025 stevig geoordeeld dat het wetsvoorstel in de huidige vorm “niet of nauwelijks uitvoerbaar” is en adviseert om eerst structurele knelpunten in het bestaande arbeidsongeschiktheidsstelsel aan te pakken. Dit kan invloed hebben op tempo en vorm van de uiteindelijke wet.

Kortom: de ambitie “richting 2030” staat, maar de route ernaartoe is politiek en praktisch nog niet uitonderhandeld.


Cruciaal punt: de peildatum en het overgangsrecht (nog niet definitief)

Voor veel zelfstandigen draait het om één vraag: val ik straks onder de verplichte BAZ of kan ik eruit blijven omdat ik al verzekerd ben?

Daarvoor is de peildatum cruciaal: het moment waarop wordt vastgesteld of je al een private AOV had en dus onder overgangsrecht (“eerbiedigende werking”) valt.

Wat we wél weten:

  • Het ministerie heeft aangegeven dat de peildatum nog niet is vastgesteld.
  • De peildatum hoeft niet gelijk te zijn aan het moment dat de wet wordt aangenomen of ingaat; die kan ook eerder liggen.

Wat we níet zeker weten:

  • Dat de peildatum “zeker in 2026” valt. Dat wordt door adviseurs en marktpartijen wel verwacht, maar is nog geen officieel besluit.

Wanneer ben je vrijgesteld als je al een AOV hebt?

In de huidige plannen geldt: zelfstandigen die vóór de peildatum al een private AOV hebben, kunnen onder het overgangsrecht vallen. De eisen lijken relatief beperkt op één kernpunt na, namelijk de eindleeftijd:

  • De bestaande verzekering moet blijven uitkeren tot minimaal 55 jaar (dus niet stoppen bij bijvoorbeeld 60 is niet per se het probleem; het gaat erom dat de verzekering in elk geval tot 55 doorloopt).
  • Bij overgangsrecht spelen hoogte van het verzekerde bedrag en medische uitsluitingen in de basis geen doorslaggevende rol.

Let op: er circuleren in de praktijk verschillende lijstjes met voorwaarden. De harde lijn uit de berichtgeving en toelichtingen is in elk geval: voor overgangsrecht is de eindleeftijd van 55 jaar een belangrijk ijkpunt, terwijl bij “later instappen” (na peildatum) sneller gelijkwaardigheidseisen gaan gelden.


Na de peildatum: alleen vrijstelling bij een verzekering die minstens gelijkwaardig is

Wie pas na de peildatum een AOV afsluit, kan volgens de plannen alleen vrijstelling krijgen als die private verzekering minstens dezelfde voorwaarden biedt als de BAZ. Denk aan:

  • uitkering pas na ongeveer twee jaar wachttijd,
  • uitkering tot AOW-leeftijd,
  • en geen constructies die de dekking in de praktijk flink beperken.

Dit is precies waarom adviseurs en sommige belangenbehartigers zeggen: wie “zelf regie” wil houden, moet vóór de peildatum keuzes maken. Maar: omdat de peildatum nog niet bekend is, blijft dat vooralsnog een strategische afweging, geen vast advies.


Broodfonds of schenkkring: telt niet als alternatief voor de BAZ

Een belangrijk detail voor veel zzp’ers: deelname aan een broodfonds of schenkkring geldt in de plannen niet als “al verzekerd” voor vrijstelling van de BAZ. Zulke collectieven kunnen wel helpen om een eigen wachttijd te overbruggen, maar vervangen de basisverzekering niet.


Kritiek op de BAZ: veel premie, lage uitkering en lange wachttijd

De belangrijkste inhoudelijke kritiekpunten die je nu terugziet:

  • Wachttijd van twee jaar: je moet langdurig uitvallen voordat je überhaupt iets uit de basisverzekering krijgt.
  • Uitkering op minimumniveau: voor veel zelfstandigen is dat onvoldoende om vaste lasten en levenstijl te dragen.
  • Kosten-batengevoel: veel mensen verwachten jarenlang premie te betalen zonder ooit te incasseren.

Tegelijk is dit precies het karakter van een basisstelsel: solidariteit en minimumvangnet, niet volledige inkomenscontinuïteit.


Wat kun je als zzp’er nu doen?

Zonder vooruit te lopen op persoonlijke financiële keuzes kun je wél een paar praktische checks doen:

  1. Breng je huidige vangnet in kaart
    Heb je een AOV, buffer, partnerinkomen of andere voorziening? Hoe lang kun je uitval opvangen?
  2. Als je al een AOV hebt: controleer de eindleeftijd
    Kijk of je dekking in elk geval tot 55 jaar doorloopt, omdat dat een kernpunt is in het overgangsrecht zoals het nu is uitgewerkt.
  3. Volg de peildatum en het wetgevingstraject actief
    De peildatum is nog niet vastgesteld. Zodra die bekend is, verandert de “ruimte om zelf te kiezen” mogelijk snel.
  4. Houd rekening met uitvoeringsonzekerheid
    De Raad van State is kritisch over de uitvoerbaarheid. Dat kan leiden tot aanpassingen in vorm of tempo.

Conclusie

De verplichte AOV voor zelfstandigen (BAZ) komt dichterbij, met als vroegste invoering rond 2030. De kern van de regeling ligt al redelijk vast: publieke basisverzekering, twee jaar wachttijd, uitkering tot AOW op minimumniveau en premie rond 5,4% van de winst met een maximum rond €170 per maand (prijspeil destijds).

Wat nog níet vastligt — en voor veel zzp’ers juist het belangrijkst is — is de peildatum en de precieze invulling van overgangsrecht en vrijstellingen. Zodra daar meer duidelijkheid over komt, kan dat voor zelfstandigen het moment zijn om keuzes te heroverwegen.


Lees ook andere artikelen m.b.t. dit onderwerp op ZZP Nieuws:

Verdere achtergrond over de verplichte AOV (BAZ)

Verplichte AOV voor zzp’ers: max €171 p/m en 2 jaar wachttijd — geeft concrete detail over premie, wachttijd en de status van het wetsvoorstel bij de Raad van State.

Waarom zzp’ers zich in de praktijk moeten verzekeren

AOV: Waarom zzp’ers zich moeten verzekeren (en risico lopen zonder) — achtergrond over het grote aandeel niet-verzekerden en waarom dit maatschappelijk en persoonlijk risico’s met zich meebrengt.


Bronnen

Deel dit bericht via:

Tweede Kamer fluit kabinet terug over schijnzelfstandigheid: handhaving per 1 januari stopt niet – wat betekent dat voor zzp’ers?

Laatst bijgewerkt: 23 december 2025, 07:03

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2025

🔔 Update: kabinet verduidelijkt handhaving in 2026

Na publicatie van dit artikel heeft het kabinet verduidelijkt dat de zogenoemde zachte landing bij de handhaving van schijnzelfstandigheid niet volledig wordt verlengd, maar gedeeltelijk. Dit betekent dat in 2026 geen verzuimboetes worden opgelegd, maar dat de Belastingdienst wel naheffingen en vergrijpboetes kan opleggen in gevallen van opzet of grove schuld.

De handhaving wordt daarmee minder streng dan aanvankelijk aangekondigd, maar is ook niet volledig opgeschort.


Gisteren voerde de Tweede Kamer een intens debat over de aanpak van schijnzelfstandigheid en de handhaving van bestaande arbeidsrelaties voor zzp’ers. In zowel een ochtendsessie (10.00–13.00 uur) als een avondvergadering stond één vraag centraal: moet het kabinet per 1 januari 2026 streng gaan handhaven, zoals het zelf wil, of moet er eerst meer ruimte komen voor zzp’ers en opdrachtgevers?

De Kamer trok aan het eind van de avond aan het langste eind: strenge handhaving op 1 januari 2026 gaat voorlopig niet door zoals het kabinet wilde. In dit artikel leggen we uit wat er precies besloten is, waarom dit belangrijk is voor zzp’ers, en wat de volgende stappen zijn in de politieke strijd rond schijnzelfstandigheid.


Kabinet wilde einde zachte landing – Kamer zegt ‘stop’

Demissionair staatssecretaris Eugène Heijnen (Financiën) kondigde eerder aan dat de zogenoemde zachte landing bij de handhaving van regels tegen schijnzelfstandigheid per 1 januari 2026 zou eindigen. Onder die zachte landing bedoelt het kabinet dat de Belastingdienst eerst vooral voorlichting, waarschuwingen en risicogerichte controles inzet en voorlopig geen boetes of zware sancties geeft bij mogelijke schijnzelfstandigheid.

Heijnen beargumenteerde richting de Kamer dat verdere versoepeling leidt tot stagnatie in de aanpak van schijnzelfstandigheid en dat bedrijven en zzp’ers al lang genoeg de tijd hebben gehad om zich aan te passen. Bovendien zou het kabinet risico’s zien bij de Europese Commissie als de zachte landing wordt verlengd, omdat de aanpak van schijnzelfstandigheid onderdeel uitmaakt van de mijlpalen in het Herstel- en Veerkrachtplan waar Nederland miljarden euro’s uit wil ontvangen.

Maar een meerderheid van de Kamerleden vond dat het kabinet te ver gaat en te weinig rekening houdt met de onrust onder zzp’ers en opdrachtgevers. Zij willen een verlenging van de zachte landing, zodat er meer duidelijkheid komt over de definitieve wetgeving alvorens er strenge boetes en handhavingspraktijken worden ingevoerd.


Wat heeft de Tweede Kamer besloten?

In de debatten hebben Kamerleden breed steun gekregen om de verlenging van het handhavingsmoratorium te eisen tot minstens eind 2026. Dit betekent:

  • De Belastingdienst blijft ook in 2026 eerst risicogericht controleren, met nadruk op voorlichting en communicatie.
  • Zware boetes worden voorlopig nog niet geïntroduceerd zolang de zogeheten zachte landing van kracht blijft.
  • De Kamer wil dat het kabinet met een duidelijk plan komt waarin de handhaving gericht is op structureel misbruik, en niet op zzp’ers die oprecht zelfstandig zijn.

Sinds het debat heeft het kabinet in een Kamerbrief verduidelijkt hoe de verlenging van de zachte landing er in de praktijk uitziet. De zachte landing wordt in 2026 gedeeltelijk voortgezet: er worden geen verzuimboetes opgelegd, maar de Belastingdienst behoudt wel de mogelijkheid om bij duidelijke misstanden naheffingen en vergrijpboetes op te leggen, bijvoorbeeld bij opzet of grove schuld.

Volgens tegenstanders van vroegtijdige strenge handhaving leidt dat beleid nu al tot paniek en onrust bij opdrachtgevers en zelfstandigen, waardoor sommige zzp’ers opdrachtgevers zien wegtrekken of opdrachten zien verdwijnen.


Kabinet blijft bij strakke aanpak – en waarom het bezwaar heeft

Het kabinet houdt vast aan de gedachte dat:

  • De langdurige zachte landing de aanpak van schijnzelfstandigheid te veel vertraagt.
  • Strenge handhaving nodig is om misbruik en oneerlijke concurrentie te bestrijden.
  • Nederland moet voldoen aan Europese afspraken waarin een aanpak van schijnzelfstandigheid als mijlpaal in het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) staat – anders kan een deel van de miljarden aan EU-steun in gevaar komen.

Uit kabinetsbrieven blijkt dat de regering vindt dat een verlenging van de zachte landing door de Europese Commissie gezien kan worden als niet voldoen aan een reeds behaalde mijlpaal, wat mogelijk kan leiden tot kortingen op HVP-uitbetalingen.

Toch wees de Kamer deze redenering grotendeels van de hand: internationale financiële belangen mogen geen excuus zijn voor gebrek aan duidelijkheid en bescherming van zelfstandigen.


Wat betekent dit voor zzp’ers praktisch?

1. Boetes voorlopig nog niet vanaf 1 januari 2026

Veel zzp’ers en opdrachtgevers waren bang dat vanaf 1 januari elke onduidelijke zzp-constructie snel zou worden beboet. Door de Kamerbesluiten blijft in 2026 eerst de zachte landing gelden. Dat betekent geen verzuimboetes, maar wel dat de Belastingdienst bij ernstige gevallen kan optreden met naheffingen en vergrijpboetes.

2. Handhavingsdruk blijft wel bestaan

Dat betekent niet dat er geen controles zijn. De Belastingdienst blijft actief risicogericht controleren, waarbij wordt gekeken of zzp’ers daadwerkelijk zelfstandig zijn. In situaties van duidelijk misbruik of bewuste constructies kan de Belastingdienst zwaarder optreden.

3. Politieke onzekerheid over de definitieve wet

De Kamer wil dat het kabinet eerst komt met een duidelijk en afgewogen uitvoeringskader over hoe en wanneer boetes wél worden ingevoerd en hoe echte zelfstandigen worden beschermd tegen onterecht optreden. Dat haalt de druk van zzp’ers én opdrachtgevers.


Waarom deze discussie nu zo relevant is

De aanpak van schijnzelfstandigheid ligt al jaren onder een vergrootglas. De oorspronkelijke Wet DBA uit 2016 moest al duidelijkheid bieden over wanneer iemand écht zelfstandig is en wanneer er een verborgen arbeidsovereenkomst is. Omdat die wet vanaf het begin voor veel onduidelijkheid zorgde, werd er jarenlang een handhavingsmoratoriumtoegepast.

Dat moratorium eindigde formeel op 1 januari 2025, maar is feitelijk verlengd doordat de Kamer en het kabinet overleggen over de precieze invulling en timing van sancties.

Het debat van gisteren en gisteravond laat zien dat de politiek nog steeds worstelt met de balans tussen:

  • bescherming van zelfstandigen en flexibiliteit,
  • tegengaan van misbruik en oneerlijke concurrentie,
  • en internationale verplichtingen zoals het HVP en Europese steun

Wat kun je nu als zzp’er doen?

Check je opdrachten en contracten

Zorg dat je eigen afspraken aantoonbaar laten zien dat je echt zelfstandig bent:

  • eigen werktijden,
  • eigen middelen,
  • meerdere opdrachtgevers,
  • duidelijke zakelijke overeenkomsten.

Dit helpt bij risicovrije controles.

Volg de politieke ontwikkelingen

De Kamer wil meer duidelijkheid over uitvoering en sancties. Een wijziging in de wet of een nieuw uitvoeringskader kan dit dossier weer veranderen.

Houd communicatie en transparantie hoog

Als je twijfelt, overleg dan actief met opdrachtgevers over hoe jullie de relatie invullen. Een goed gedocumenteerd opdrachtgeverschap kan veel onzekerheid wegnemen.


Blik vooruit

De discussie is nog niet voorbij. De Kamer heeft duidelijk gemaakt dat het kabinet niet zomaar het handhavingsmoratorium kan beëindigen zonder duidelijke kaders en garanties voor zzp’ers. De komende maanden zullen cruciaal zijn voor de vormgeving van de uiteindelijke regels voor schijnzelfstandigheid — en of deze vanaf 2027 of later werkelijk tot boetes en sancties leiden.

Voor zelfstandigen zonder personeel is dit een veilige adempauze — maar geen vrijbrief om risico’s te negeren. De wet en de uitvoering blijven onverminderd actueel en kunnen substantieel invloed hebben op het ondernemerschap in Nederland.


FAQ – veelgestelde vragen

Is er nu helemaal geen handhaving vanaf 1 januari 2026?
Nee. De Kamer wil eerst dat er duidelijkheid komt over wat wél en niet wordt bestraft, zodat echte zzp’ers niet onterecht worden geraakt. De zachte landing wordt dus verlengd.

Wat is de zachte landing precies?
Het betekent dat de Belastingdienst in eerste instantie vooral voorlichting en waarschuwingen geeft, en geen directe boetes, zodat bedrijven en zzp’ers kunnen wennen aan de regels zonder direct financieel risico.

Waarom wil het kabinet dit niet?
Het kabinet vreest dat de aanpak van schijnzelfstandigheid zonder strakke handhaving te lang zal vertragen en mogelijk gevolgen heeft voor internationale afspraken zoals de HVP-mijlpalen. 


Bronnen: ZiPconomy · BNR Nieuws · VillaMedia · FlexNieuws · Tweede Kamer

Deel dit bericht via:

Herstel- en Veerkrachtplan: hoeveel Europees geld staat er écht op het spel door de zzp-wetgeving?

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2025

In het debat over nieuwe zzp-wetgeving valt steeds vaker hetzelfde bedrag: € 600 miljoen. Als Nederland de nieuwe regels rond schijnzelfstandigheid niet op tijd rond heeft, zou ons land honderden miljoenen aan Europese steun mislopen. Maar hoe zit dat precies? Hoeveel geld hangt er werkelijk aan de hervormingen voor zzp’ers – en is dit “dwang uit Brussel”, of vooral een gevolg van afspraken die Nederland zelf met de EU heeft gemaakt?

In dit artikel zetten we de feiten op een rij.


Wat is het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) ook alweer?

Na de coronapandemie heeft de Europese Unie het Herstel- en Veerkrachtfonds opgezet: een grote pot met geld om economieën te helpen herstellen en te investeren in vergroening, digitalisering en een sterkere arbeidsmarkt. Ieder land mocht een eigen Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) indienen, met daarin hervormingen en investeringen.

Voor Nederland betekent dat concreet:

  • Het HVP geeft Nederland recht op maximaal € 5,4 miljard aan Europese steun.
  • Dat geld wordt niet in één keer uitgekeerd, maar in vijf tranches, telkens als Nederland een set afgesproken mijlpalen en doelstellingen aantoonbaar heeft gehaald.
  • Het Nederlandse HVP bestaat uit 21 hervormingen en 28 investeringen, verdeeld over zes prioriteiten (o.a. groene transitie, digitalisering, woningmarkt, gezondheidszorg en arbeidsmarkt).

Veel maatregelen in het HVP zijn bestaand beleid dat Nederland toch al wilde doorvoeren. Het HVP is dus niet een lijst met “Brusselse eisen”, maar vooral een manier om Europees geld te koppelen aan nationale plannen.


Waar komt die € 600 miljoen vandaan?

De discussie over zzp’ers draait om één van de zes prioriteiten in het HVP: het versterken van de arbeidsmarkt. Binnen die prioriteit hangt ongeveer € 600 miljoen Europees geld aan een pakket arbeidsmarkthervormingen.

Specifiek gaat het om drie elementen die Nederland zelf in het HVP heeft opgenomen:

  1. Verlaging van de zelfstandigenaftrek
  2. Invoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen
  3. Aanpak van schijnzelfstandigheid

Die drie punten samen vormen het arbeidsmarktpakket waarvoor Nederland die € 600 miljoen kan krijgen, als de afgesproken mijlpalen worden gehaald.

  • De afbouw van de zelfstandigenaftrek is al in gang gezet.
  • Voor de verplichte AOV voor zzp’ers ligt een wetsvoorstel klaar, al is de uitvoering daarvan omstreden.
  • Blijft over: de aanpak van schijnzelfstandigheid – het meest gevoelige onderdeel van het pakket.

HVP-mijlpalen: wat is er precies afgesproken over schijnzelfstandigheid?

In het HVP staan drie concrete mijlpalen voor de aanpak van schijnzelfstandigheid:

  1. Een plan voor versterking van de handhaving delen met de Tweede Kamer
  2. Het beëindigen van het handhavingsmoratorium uiterlijk medio 2026
  3. Wetgeving over de beoordeling van arbeidsrelaties, die uiterlijk 31 augustus 2026 in werking moet zijn

Belangrijk: in het HVP staat niet dat dit per se de huidige “Wet VBAR” moet zijn. Er moet wél een wet zijn die schijnzelfstandigheid tegengaat en de beoordeling van arbeidsrelaties verduidelijkt.


Verliest Nederland écht € 600 miljoen als de zzp-wetgeving te laat is?

Hier ontstaat vaak verwarring. De stelling “Nederland loopt € 600 miljoen mis als de VBAR niet rond komt” is te simplistisch.

Feitelijk ligt het zo:

  • De € 600 miljoen hangt aan een breder pakket arbeidsmarkthervormingen, niet aan één wet.
  • Een deel daarvan is al gehaald, zoals de afbouw van de zelfstandigenaftrek.
  • Als Nederland de deadline voor de arbeidsrelatiewetgeving niet haalt, worden niet alle mijlpalen gehaald.
  • Gevolg: Nederland loopt dan niet automatisch het volledige bedrag mis, maar krijgt mogelijk een fors lagere uitbetaling voor dat onderdeel van het HVP.

Andere onderdelen van het HVP – zoals klimaatmaatregelen, digitalisering, woningmarkt en zorg – blijven gewoon doorlopen en kunnen nog steeds miljarden opleveren. Het is dus geen “alles of niets”, maar wel een reëel risico op een aanzienlijke korting.

Kort gezegd:

Nederland kan een aanzienlijk deel van die € 600 miljoen mislopen als de arbeidsmarkt-hervormingen niet op tijd zijn afgerond, maar verliest niet het hele HVP-budget.


Is dit “dwang uit Brussel” of een keuze van Den Haag?

Sommige zzp’ers ervaren het alsof “Brussel ons dwingt zzp-wetgeving door te voeren in ruil voor geld dat we zelf aan de EU hebben gegeven”. Dat gevoel is begrijpelijk, maar de werkelijkheid ligt genuanceerder.

1. Het HVP is grotendeels door Nederland zelf geschreven

De maatregelen voor zzp’ers zijn door de Nederlandse regering zelf in het HVP gezet. De EU heeft het plan beoordeeld, maar niet de inhoud opgelegd.

2. Brussel koppelt geld aan het naleven van afspraken

De EU betaalt pas uit wanneer landen hun zelf opgegeven mijlpalen behalen. Dat geldt voor elk EU-land en is geen uitzonderingspositie voor Nederland.

3. Gaat het om “ons eigen geld”?

Nederland is nettobetaler in de EU, dus indirect gaat er meer geld naar de EU dan terugkomt. Maar het HVP-geld is formeel een EU-subsidie. En subsidies – ook in Nederland – komen altijd met voorwaarden.

Het is dus geen Brusselse dictatenlijst, maar: Den Haag heeft hervormingen toegezegd en de EU betaalt pas uit als die toezeggingen worden waargemaakt.


Wat betekent dit concreet voor zzp’ers?

Voor de praktijk van zzp’ers is dit relevant om drie redenen:

  1. De deadline staat vast. Er moet vóór 31 augustus 2026 werkende wetgeving zijn die schijnzelfstandigheid tegengaat.
  2. Het kabinet kan zich niet permitteren om stil te vallen. Een financiële consequentie maakt uitstel politiek veel lastiger.
  3. De vorm van de wetgeving ligt niet vast. Het kan de VBAR zijn, een aangepaste variant, of een andere regeling die hetzelfde doel bereikt.

Daarnaast blijft de Arbeidsinspectie het toezicht uitbreiden en is het einde van het handhavingsmoratorium al afgesproken in het HVP. Dat betekent dat de druk op opdrachtgevers én zzp’ers in de komende jaren verder toeneemt.


Hoe kun je dit als zzp’er duiden?

Voor veel zelfstandigen blijft dit een ongemakkelijk dossier. Er komt druk van twee kanten:

  • Nationaal: politiek wil schijnzelfstandigheid aanpakken en werkt aan verplichtingen zoals een AOV.
  • Europees: het HVP koppelt deadlines en financiële consequenties aan het afronden van zzp-beleid.

Het is belangrijk om te realiseren dat dit niet eenzijdig uit Brussel komt, maar voortkomt uit keuzes die Nederlandse kabinetten zelf hebben gemaakt. De financiële prikkel maakt het echter wél minder waarschijnlijk dat zzp-wetgeving nog jaren vooruit wordt geschoven.


FAQ

1. Moet Nederland € 600 miljoen teruggeven als de zzp-wetgeving niet op tijd is?
Nee. Het bedrag is gekoppeld aan een pakket maatregelen. Nederland loopt mogelijk een deel van de tranche mis als niet alle mijlpalen worden gehaald.

2. Moet de VBAR verplicht worden ingevoerd?
Nee. Brussel schrijft geen specifieke wet voor. Maar er moet op tijd wél een wet zijn die arbeidsrelaties verduidelijkt en schijnzelfstandigheid tegengaat.

3. Heeft Nederland nog speelruimte?
Beperkt. Er kan nog worden gesleuteld aan de vorm van de wetgeving, zolang het doel maar aantoonbaar wordt gehaald vóór Q3 2026.


Bronnen

Deel dit bericht via:

Raad van State kraakt verplichte AOV voor zzp’ers: wat betekent dit nu echt voor zelfstandigen?

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2025

De verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers – de Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ) – ligt zwaar onder vuur. De Raad van State concludeert in een nieuw advies dat het wetsvoorstel in de huidige vorm “niet of nauwelijks uitvoerbaar” is en adviseert het kabinet om het zo níet bij de Tweede Kamer in te dienen. Eerst moeten de bestaande knelpunten in de WIA-regeling voor werknemers worden aangepakt.

Voor zzp’ers betekent het advies: de verplichte AOV is ineens allesbehalve zeker. Tegelijk blijft het risico bij ziekte voorlopig wél volledig op de schouders van zelfstandigen liggen.


Wat heeft de Raad van State precies gezegd?

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 10 december 2025 haar definitieve advies vastgesteld, en dit is op 15 december 2025 openbaar gemaakt. De kern van het oordeel:

  • Het wetsvoorstel voor de BAZ is niet of nauwelijks uitvoerbaar voor UWV en Belastingdienst.
  • De regeling bouwt een aparte verzekering voor zzp’ers naast het bestaande WIA-stelsel, wat volgens de Raad leidt tot extra complexiteit, foutenrisico en administratieve druk.
  • UWV kampt nu al met lange wachttijden, tekorten aan verzekeringsartsen en structurele achterstanden. De Belastingdienst heeft eveneens beperkte capaciteit en kampt met bestaande verplichtingen.
  • De gekozen vormgeving (lange wachttijd, lage maximale uitkering, opt-out, samenloop met de WIA) bereikt de beleidsdoelen slechts gedeeltelijk.
  • Daarom adviseert de Raad van State het kabinet om het voorstel niet in te dienen zonder ingrijpende herziening.

Belangrijk is dat de Raad wél erkent dat bescherming van zelfstandigen noodzakelijk is: ongeveer driekwart van de zzp’ers is niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, en een kwart heeft zelfs geen enkele voorziening.


Wat stond er ook alweer in het BAZ-voorstel?

Het voorstel dat het kabinet in september 2025 naar de Raad van State stuurde, bevatte de volgende hoofdlijnen:

Premie
– Premiepercentage van 5,4% van de winst, met een maximale premie van ongeveer € 171 per maand (afhankelijk van het geldende minimumloon).

Wachttijd
– Een wachttijd van 104 weken (2 jaar): de zzp’er moet de eerste twee jaren ziekte zelf financieel opvangen.

Uitkering
– Een maximale uitkering van 70% van de uitkeringsgrondslag, uitkomend op ongeveer het niveau van het wettelijk minimumloon, tot aan de AOW-leeftijd.

Opt-out
– Zzp’ers met een gelijkwaardige private AOV zouden kunnen kiezen voor een opt-out, met een jaarlijks overstapmoment.

Combinatie loondienst + zzp
– Wie als werknemer al een WIA-uitkering op minimumloonniveau ontvangt, zou geen dubbele premie hoeven te betalen.

Doel van de BAZ was het versterken van inkomenszekerheid én het creëren van een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen.


Waarom is de Raad van State zo kritisch?

1. Uitvoering staat nu al onder zware druk

Het UWV heeft te maken met:

  • oplopende achterstanden bij WIA-keuringen;
  • tekorten aan verzekeringsartsen;
  • organisatie- en capaciteitsdruk waardoor nieuwe taken moeilijk kunnen worden ingevoerd.

De Belastingdienst kampt eveneens met beperkte uitvoeringscapaciteit en een overvolle agenda. Het onderbrengen van de premie-inning voor honderdduizenden zzp’ers is daarom een groot risico.

2. De BAZ creëert een nieuw stelsel bovenop een al complex systeem

De Raad vindt het problematisch dat er een afzonderlijk arbeidsongeschiktheidsstelsel voor zzp’ers ontstaat naast de WIA. Hierdoor:

  • wordt het stelsel ingewikkelder;
  • is de kans op fouten groter;
  • komt de doelmatigheid van het beleid in gevaar.

De Raad adviseert daarom eerst de WIA te vereenvoudigen, en pas daarna te bepalen hoe zelfstandigen daarin kunnen worden betrokken.

3. De voorgestelde aanpassingen lossen de kernproblemen niet op

Ondanks eerdere aanpassingen (lagere premie, langere wachttijd, opt-out) ziet de Raad:

  • dat de uitvoeringslast hoog blijft;
  • dat de regeling steunt op systemen die nu al overbelast zijn;
  • en dat de doelen van inkomensbescherming en gelijk speelveld slechts gedeeltelijk worden gehaald.

Het probleem zit dus in de fundamenten van de BAZ, niet in de details.


Wat betekent dit voor de planning richting 2030?

Er werd al rekening gehouden met een invoering niet eerder dan 2030, vanwege de tijd die UWV en Belastingdienst nodig zouden hebben om de uitvoering op te bouwen.

Door het advies van de Raad van State zijn nu drie scenario’s denkbaar:

  1. Een sterk herzien BAZ-voorstel
    Het kabinet herschrijft de wet ingrijpend, wat tijd kost.
  2. Integratie in een bredere WIA-hervorming
    De Raad dringt aan op een eerstelijns herziening van het totale arbeidsongeschiktheidsstelsel. In dat scenario kan de verplichtstelling van zzp’ers pas daarna worden ingevuld.
  3. Tijdelijke pas op de plaats
    De nieuwe Tweede Kamer en een volgend kabinet kunnen besluiten het voorstel uit te stellen of een ander model te kiezen.

In alle gevallen geldt: een snelle invoering is onwaarschijnlijk.


Wat betekent dit voor jou als zzp’er?

Er is op dit moment geen verplichte AOV.
Zolang de wet niet is aangenomen, blijf je als zelfstandige zelf volledig verantwoordelijk voor je inkomensbescherming bij ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Tegelijk blijft de realiteit:

  • Ongeveer 75% van de zzp’ers heeft géén AOV.
  • Ruim 25% heeft helemaal geen voorziening of buffer.
  • De periode waarin de overheid een verplicht stelsel invoert, wordt nu langer en onzekerder.

Veel zzp’ers hebben steeds gewacht “tot de verplichte AOV er komt”. Dit advies maakt duidelijk dat wachten risico’s met zich meebrengt, omdat invoering mogelijk nog jaren op zich laat wachten — en de uiteindelijke vorm totaal kan verschillen.


Wat kun je nu doen?

Onderstaande stappen helpen om zelf een doordachte keuze te maken:

1. Maak een eigen risico-analyse

  • Hoeveel maanden kun je zonder inkomen?
  • Hoe risicovol is je werk?
  • Zijn er mensen financieel van je afhankelijk?

2. Bekijk wat je nu al geregeld hebt

  • Een buffer of noodpot?
  • Een broodfonds of schenkkring?
  • Een lopende AOV die misschien herzien moet worden?

3. Kies een strategie die past bij jouw situatie

  • Private AOV: duurder dan de BAZ zou zijn, maar flexibel en met keuze in dekking en wachttijd.
  • Broodfonds/schenkkringen: relatief toegankelijk, maar beperkt in duur en hoogte van uitkering.
  • Lange wachttijd + buffer: soms een betaalbare tussenweg.
  • Vrijwillige UWV-verzekering: alleen mogelijk direct na loondienst.

4. Volg de politiek, maar leun er niet op

Het BAZ-voorstel kan sterk veranderen. De wet kan worden herschreven, vertraagd of vervangen. Maak daarom keuzes op basis van je eigen risico, niet op basis van verwachtingen over Den Haag.


FAQ: veelgestelde vragen

Gaat de verplichte AOV nu niet door?
Op dit moment niet. De Raad adviseert het kabinet om het voorstel niet in te dienen zonder grote aanpassingen.

Blijft de premie 5,4% met een maximum van circa € 171 per maand?
Dat waren de plannen in september 2025. Na het advies is het goed mogelijk dat premie, wachttijd en dekking opnieuw worden herzien.

Komt er een nieuwe invoeringsdatum?
Nee. De eerdere inschatting “richting 2030” wordt nu nog onzekerder.

Moet ik nu een private AOV afsluiten?
Dat hangt af van jouw persoonlijke situatie. Het belangrijkste inzicht na het RvS-advies is dat een collectieve verplichte oplossing nog lang op zich kan laten wachten.


Bronnenlijst

– Raad van State – Advies W12.25.00273/III over de Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (vastgesteld 10 december 2025, openbaar 15 december 2025).
– Rijksoverheid – Bekendmaking wetsvoorstel BAZ (september 2025).
– Zipconomy – Berichtgeving over het RvS-oordeel en uitvoerbaarheid (december 2025).
– Financieele Dagblad – Samenvatting kritiek Raad van State op de verplichte AOV (december 2025; inhoud gereconstrueerd op basis van openbare berichtgeving).
– Knab/Bieb – Analyse van het RvS-advies en de uitvoeringsproblemen.
– UWV en Belastingdienst – Publieke rapportages over uitvoeringscapaciteit en wachttijden.
– Diverse peilingen en onderzoeken over percentage onverzekerde zzp’ers (cijfers consistent met RvS-advies en sectorrapportages).

Deel dit bericht via:

Nieuw Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026: wat betekent dit voor zzp’ers en opdrachtgevers?

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2025

De Belastingdienst heeft het nieuwe Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 gepubliceerd. In dit plan staat hoe de fiscus vanaf 1 januari 2026 omgaat met arbeidsrelaties tussen opdrachtgevers en zzp’ers – nu zonder de coulance van de “zachte landing” die in 2025 gold. Boetes bij schijnzelfstandigheid komen weer nadrukkelijk in beeld en de beoordeling van arbeidsrelaties wordt opnieuw een normaal onderdeel van het toezicht op de loonheffingen.

Wat staat er precies in het plan, wat is er nieuw en wat betekent dit concreet voor zzp’ers en opdrachtgevers? ZZP Nieuws zet de belangrijkste punten op een rij.


Van zachte landing in 2025 naar normale handhaving in 2026

In 2025 gold een overgangsjaar: fouten in de kwalificatie van zzp-relaties konden leiden tot correcties en naheffingen, maar nog niet tot boetes, zolang organisaties konden laten zien dat zij serieus werkten aan verbetering.

Per 1 januari 2026 vervalt deze zachte landing. De Belastingdienst kan vanaf dan:

  • naheffingsaanslagen opleggen bij een onjuiste kwalificatie van een arbeidsrelatie,
  • boetes opleggen volgens de normale boeteregels,
  • bij opzet en een groot fiscaal nadeel zelfs strafrechtelijke vervolging in beeld laten komen.

Daarmee wordt de handhaving op schijnzelfstandigheid vanaf 2026 merkbaar strenger dan in 2025.


Wat is nieuw in het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026?

Hoewel de basis van de Wet DBA niet wijzigt, bevat het nieuwe plan een aantal belangrijke accenten die voor de zzp-praktijk relevant zijn.

1. Boetes zijn terug als handhavingsmiddel

In 2025 werden geen boetes opgelegd voor een onjuiste kwalificatie van zzp-relaties. Vanaf 2026 gelden de normale boeteregels weer. De hoogte en toepassing zijn afhankelijk van verwijtbaarheid, omstandigheden en de mate van nalatigheid of opzet.

2. Ingroeimodel tot 2030

Normaal kan de Belastingdienst tot vijf jaar terug naheffen. Voor arbeidsrelaties geldt tot 2030 een ingroeimodel: de fiscus gaat in de praktijk niet verder terug dan 1 januari 2025, tenzij er sprake is van kwaadwillendheid of een eerdere aanwijzing die niet is opgevolgd. Vanaf 2030 kan weer volledig vijf jaar worden teruggegrepen.

3. Arbeidsrelaties als vast onderdeel van loonheffingentoezicht

Arbeidsrelaties worden in 2026 weer gezien als regulier onderdeel van het normale toezicht op loonheffingen. Dat betekent dat controles op zzp-relaties kunnen plaatsvinden binnen reguliere boekenonderzoeken of themacontroles, naast onderwerpen als de werkkostenregeling of gebruikelijk loon.
Hoewel arbeidsrelaties inhoudelijk al in het toezicht zijn opgenomen, werkt de Belastingdienst in 2026 nog met een apart handhavingsplan; de volledige integratie in het reguliere handhavingsplan is beoogd voor 2027.

4. Detectiemodule en risicoselectie

De Belastingdienst gebruikt een landelijke detectiemodule om inhuur van derden te signaleren en mogelijke risico’s te selecteren. Een signaal uit deze module leidt vervolgens tot handmatige beoordeling, waarna een vragenbrief, telefoongesprek, bedrijfsbezoek of boekenonderzoek kan volgen. Er wordt dus nadrukkelijk risicogericht gewerkt.

5. Ketens en tussenpersonen nadrukkelijk in beeld

Zzp’ers worden steeds vaker via brokers, detacheerders of andere tussenpersonen ingehuurd. De Belastingdienst benoemt daarom specifiek dat zij onderzoek doet naar de hele keten of driehoek (opdrachtgever – intermediair – zzp’er).
Doel ervan is te beoordelen wie feitelijk werkgever is, wie aanwijzingen geeft en wie economisch voordeel heeft bij de constructie.

6. Extra aandacht voor overheidsorganisaties

In vakmedia wordt inmiddels gemeld dat de Belastingdienst in 2026 extra aandacht geeft aan overheidsorganisaties. Dat sluit aan bij het handhavingsplan, waarin overheidsinstellingen worden genoemd als partijen die het “goede voorbeeld” moeten geven in hun inhuur van zelfstandigen.


Wat betekent dit voor zzp’ers?

Het handhavingsplan verandert de wet niet, maar maakt de praktijk wel scherper. Voor zzp’ers is vooral van belang dat hun zelfstandige positie aantoonbaar is.

Belangrijke aandachtspunten:

  • Meerdere opdrachtgevers waar mogelijk (maar niet verplicht).
  • Eigen ondernemingsrisico: zelf je werktijden en werkwijze bepalen, eigen materialen, eigen tarief, geen doorbetaling bij ziekte.
  • Contract en praktijk moeten met elkaar overeenkomen.
  • Bewijs van ondernemerschap bewaren: offertes, investeringen, administratie, marketing, eigen website, verschillende klanten.

Zzp’ers die daadwerkelijk als ondernemer werken binnen de geldende kaders, kunnen blijven doen wat zij doen. Wel wordt het belangrijker om dat goed vast te leggen.


Wat betekent dit voor opdrachtgevers?

Voor opdrachtgevers nemen de risico’s in 2026 toe:

  • boetes zijn weer mogelijk;
  • de Belastingdienst kan terug tot 1 januari 2025 (en vanaf 2030 mogelijk tot vijf jaar);
  • risicogerichte controles worden intensiever;
  • ketenconstructies en tussenpersonen worden nadrukkelijker onderzocht.

De Belastingdienst benadrukt dat handhaving niet is bedoeld om het aantal zzp’ers terug te dringen. Het doel is correcte toepassing van de loonheffingen en juiste kwalificatie van arbeidsrelaties.


Breder beeld: wat zien we in de media?

Uit recente berichtgeving blijkt dat:

  • strengere handhaving invloed heeft op de arbeidsmarkt;
  • sommige opdrachtgevers voorzichtiger worden met het inhuren van zzp’ers;
  • in sectoren met veel zelfstandigen (zoals zorg, bouw, ICT) de discussie over kwalificatie toeneemt;
  • overheidsorganisaties nadrukkelijk onder het vergrootglas liggen.

Conclusie: 2026 wordt een sleuteljaar voor zzp-arbeidsrelaties

Met het nieuwe handhavingsplan zet de Belastingdienst een duidelijke stap richting normalisering van toezicht op arbeidsrelaties. De periode van extra coulance is voorbij. Voor zzp’ers betekent dit dat hun ondernemerschap sterker onderbouwd moet zijn; voor opdrachtgevers dat zij bewuster moeten omgaan met inhuur en kwalificatie.

ZZP Nieuws blijft de ontwikkelingen volgen en duiden.


Overzicht relevante berichtgeving

– Belastingdienst – informatiepagina handhaving arbeidsrelaties

– Officiële publicatie: Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 (PDF)

– NU.nl – berichtgeving over strengere controles en boetes bij schijnzelfstandigheid

– ZiPconomy – analyse over handhaving, bedrijfsbezoeken en effecten op de arbeidsmarkt

– Taxence / Fiscaal Van Morgen – duiding handhaving en impact voor overheidsorganisaties

– Gemeente.nu – artikel over gevolgen van het handhavingsplan voor gemeenten

– LinkedIn-analyse door payrollspecialist Marco Zimmerman

Deel dit bericht via:

Handhaving ≠ anti-zzp: waarom de kop van NU.nl de werkelijkheid tekortdoet

Laatst bijgewerkt: 8 december 2025, 13:59

“Zzp’er aan het werk met doorslijper waarbij vonken wegspatten, symbool voor discussie over strengere handhaving op zelfstandigen.”
Beeld: Anamul Rezwan via Pexels — bewerking: redactie ZZP Nieuws

NU.nl meldde dat “zzp’ers massaal opdrachten blijven uitvoeren ondanks strengere controles”. Die formulering suggereert dat het logisch of wenselijk zou zijn geweest dat zelfstandigen in groten getale zouden verdwijnen door het aangescherpte beleid. Maar dat is een aanname die niet klopt met de werkelijkheid én niet met het officiële doel van het beleid. Handhaving is bedoeld om misstanden tegen te gaan, niet om het aantal zzp’ers terug te dringen.

Strengere handhaving, maar het beleid richt zich niet tegen zelfstandigen

De Belastingdienst handhaaft sinds dit jaar actiever op schijnzelfstandigheid. Wanneer bij een samenwerking feitelijk sprake is van loondienst—omdat er een gezagsverhouding bestaat of vrijwel geen ondernemersrisico—kan een opdrachtgever een naheffing of correctie verwachten. Vanaf 2026 komen daar boetes bij.

Dat strengere optreden is echter niet ingevoerd om zzp’ers als beroepsgroep te verkleinen. De overheid benadrukt al jaren dat zelfstandigen volstrekt legaal en gewenst zijn, zolang ze daadwerkelijk als ondernemer werken. Het beleid is ontwikkeld om misbruik en oneerlijke concurrentie te voorkomen én om te voldoen aan Europese verplichtingen rond arbeidsrelaties.

Dat NU.nl de stijgende of stabiele aantallen zzp’ers gebruikt als contrast tegen de controles, doet voorkomen alsof die controles bedoeld zijn om uitstroom te veroorzaken. Dat is een vorm van framing die voorbijgaat aan het daadwerkelijke doel.

Aantallen zzp’ers blijven stabiel — en dat is logisch

Volgens cijfers van de Kamer van Koophandel stonden eind oktober 1.792.959 zzp’ers ingeschreven, een lichte stijging van 0,2 procent. Dat is geen verrassing: veel zelfstandigen voldoen gewoon aan de criteria voor ondernemerschap. Ze hebben meerdere opdrachtgevers, bepalen hun eigen werkwijze en lopen daadwerkelijk risico. Voor hen verandert er door strengere handhaving niets.

Tilburgse hoogleraar Joris Knoben spreekt van een “trendbreuk” omdat het aantal zzp’ers niet verder stijgt. Een stabilisatie is inderdaad zichtbaar in sectoren waar onzekerheid bestaat over toekomstige regels. Maar een massale uitstroom blijft uit, simpelweg omdat het merendeel van de zelfstandigen legitiem werkt.

Bovendien: een daling in KVK-registraties zou ook een vertekend beeld geven. Veel zzp’ers schrijven zich bij minder opdrachten niet onmiddellijk uit. Ze blijven zichtbaar in de statistieken totdat ze definitief stoppen.

Sectorverschillen: bouw stabiel, zorg krimpt licht

In de bouw, waar zo’n 230.000 zzp’ers actief zijn, leiden controles tot waarschuwingen bij een aantal bedrijven. Bedrijven moeten hun werkwijze aanpassen als de Belastingdienst aanwijzingen geeft. Toch blijft het totale aantal zelfstandigen in de sector stabiel. Grote bouwbedrijven geven aan dat eventuele schommelingen meer te maken hebben met de afronding van projecten dan met de nieuwe regels.

In de zorgsector zijn de aantallen zzp’ers wel licht gedaald. Vooral in de thuiszorg, kinderopvang en paramedische beroepen verdwijnen enkele duizenden zelfstandigen. Brancheorganisatie ActiZ ziet dat sommige zzp’ers in loondienst gaan vanwege onzekerheid over controles. Tegelijkertijd benadrukt de sector dat er juist grote behoefte blijft aan flexibiliteit, onder meer door avond- en nachtdiensten.

Het zijn sectorale verschuivingen, geen breed signaal dat de zzp-constructie onder druk staat.

Het echte probleem: verwarring door framing

Door de opsomming in het NU.nl-artikel — strengere controles, mogelijke boetes, en vervolgens “maar het aantal zzp’ers blijft gelijk” — kan bij lezers de indruk ontstaan dat het doel van de overheid is om het aantal zelfstandigen te verlagen. Maar in officiële communicatie staat dat handhaving bedoeld is om schijnzelfstandigheid te voorkomen, en ondernemerschap juist mogelijk te houden.

Dat onderscheid is essentieel voor de beeldvorming.
Wie alle zelfstandigen in één adem koppelt aan schijnconstructies, doet ondernemers tekort en schept een verkeerd maatschappelijk beeld van de zzp-sector.

Wat betekent dit voor zelfstandigen en opdrachtgevers?

Voor zelfstandigen verandert er in de basis weinig: wie als echte ondernemer werkt, hoeft zich door de controles geen zorgen te maken. Het is wel verstandig om de werkrelatie en contracten helder te documenteren, zeker bij langdurige opdrachten.

Opdrachtgevers moeten transparanter werken en duidelijke afspraken vastleggen. De behoefte aan flexibele inzet blijft in veel sectoren groot, maar de manier waarop die samenwerking wordt ingericht moet passen binnen de regels. Zo ontstaat er een eerlijk speelveld voor iedereen.

Conclusie

De stijgende of stabiele aantallen zzp’ers zijn geen afwijking, maar een logisch gevolg van het feit dat het overgrote deel van de zelfstandigen wérkelijk als ondernemer opereert. Strengere handhaving is niet gericht tegen zzp’ers zelf, maar tegen constructies die hen onterecht als ondernemer positioneren. De kop en toon van NU.nl passen in een breder patroon waarin het onderscheid tussen echte ondernemers en schijnzelfstandigheid vervaagt. Precies daarom is nuance zo belangrijk.


Addendum: Volkskrant-artikel toont vergelijkbare framing

Naar aanleiding van de publicatie van het NU.nl-artikel verscheen op 8 december ook een uitgebreide analyse in de Volkskrant over handhaving op schijnzelfstandigheid. Hoewel de insteek en diepgang anders zijn, valt op dat ook in dit stuk een vergelijkbare ondertoon terugkomt: de neiging om het succes of falen van handhaving te koppelen aan het aantal zzp’ers dat stopt of doorgaat. Dat staat op gespannen voet met het officiële doel van het beleid, dat zich richt op misstanden en niet op het verminderen van het aantal zelfstandigen.

In het Volkskrant-artikel zijn vier duidelijke vormen van framing te herkennen:

1. Het frame van “zzp’ers als maatschappelijk probleem”

Er wordt gesuggereerd dat de huidige situatie met zelfstandigen leidt tot maatschappelijke risico’s zoals “zorginfarcten”, “lege klassen” en “scheefgroei” in organisaties. Daarmee verschuift de aandacht van schijnconstructies naar zelfstandigen als groep, wat een vertekend beeld kan geven.

2. Het solidariteitsframe

De krant laat deskundigen uitgebreid aan het woord die stellen dat zzp’ers zich zouden “onttrekken” aan het sociale stelsel en minder bijdragen aan collectieve voorzieningen. Dat is een normatieve visie, geen centraal beleidsuitgangspunt, maar wordt wel als brede constatering gepresenteerd.

3. Het financiële-motivatieframe

Er wordt sterk benadrukt dat zelfstandigheid populair zou zijn door belastingvoordelen of aftrekposten. Hoewel dit voor sommige werkenden klopt, toont CBS-onderzoek dat de grootste groep zzp’ers vooral kiest voor autonomie, flexibiliteit en regie over het eigen werk. Die nuance raakt ondergesneeuwd.

4. Het aantallen-frame (daling = effectiviteit)

De Volkskrant stelt dat de daling van het aantal zzp’ers een teken zou zijn dat handhaving werkt. Dat is een logische gevolgtrekking wanneer je naar cijfers kijkt, maar het is geen bewijs dat de uitstroom vooral bestaat uit schijnzelfstandigen. Het kan ook onzekerheid, foutieve interpretaties of terughoudendheid bij opdrachtgevers weerspiegelen.


Door Marco Weeber, oprichter & redacteur ZZP Nieuws

Deel dit bericht via:

Zelfstandigenwet terug op formatietafel: D66 en CDA willen snel duidelijkheid voor zzp’ers

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2025

De positie van zzp’ers staat opnieuw prominent op de Haagse agenda. In het tussenverslag van informateur Sybrand Buma, opgesteld met D66-leider Rob Jetten en CDA-leider Henri Bontenbal, wordt expliciet aandacht gevraagd voor de onduidelijkheid rondom zzp-wetgeving. De partijen willen snel stappen zetten richting een nieuw wettelijk kader.

Een belangrijk voorstel dat zij naar voren schuiven, is de Zelfstandigenwet — een initiatief van D66, CDA, VVD en SGP. Volgens beide partijen ligt er met dit wetsvoorstel een uitgewerkte basis om echte zelfstandig ondernemers beter te beschermen en schijnzelfstandigheid effectiever aan te pakken.


Arbeidsmarktagenda van D66 en CDA: modernisering en vereenvoudiging

In hun gezamenlijke arbeidsmarktagenda beschrijven D66 en CDA een breed pakket aan voorstellen voor een toekomstbestendige arbeidsmarkt. De focus ligt op:

  • modernisering van het ontslagrecht en ziekte­verzuimregelingen;
  • activering van werknemers en werkzoekenden;
  • het vereenvoudigen van sociale zekerheid én de uitvoering daarvan;
  • automatische toekenning van rechten om fouten en regeldruk terug te dringen.

Onderdeel van deze agenda is een stevige herziening van de positie van zelfstandigen. De Zelfstandigenwet krijgt daarin een centrale rol.


Wat houdt de Zelfstandigenwet in?

De Zelfstandigenwet introduceert twee belangrijke toetsen:

1. De Zelfstandigentoets

Deze toets geeft vooraf duidelijkheid over de ondernemersstatus van een werkende. Daarbij wordt gekeken naar aspecten zoals verzekeringen, ondernemersrisico, commerciële zelfstandigheid en pensioenopbouw.

2. De Uitvoeringstoets

Hierbij wordt beoordeeld hóé het werk in de praktijk wordt uitgevoerd. Denk aan inbedding in de organisatie, zelfstandige beslisruimte, duur van de opdracht en de mate van gezag.

Het doel: voorkomen dat zelfstandigen achteraf worden aangemerkt als werknemer, zoals vaak gebeurde onder de Wet DBA. Tegelijk zorgen deze toetsen voor meer zekerheid bij opdrachtgevers.


VBAR versus Zelfstandigenwet: twee lijnen in de politiek

De Zelfstandigenwet staat niet op zichzelf. Tegelijkertijd ligt de Wet VBAR nog op tafel — het kabinetsvoorstel dat inzet op een bredere uitleg van het werkgeversgezag.

Dat leidt tot twee overlappende, soms botsende, beleidsrichtingen:

  • De Zelfstandigenwet probeert zelfstandigen meer zekerheid vooraf te geven.
  • VBAR draait vooral om toezicht, handhaving en een ruimere beoordeling van gezag.

Sectororganisaties, zoals in de mondzorg, geven aan dat de Zelfstandigenwet in de praktijk beter aansluit bij hoe zzp-relaties werken. Maar zolang beide sporen naast elkaar lopen, blijft het voor zelfstandigen en opdrachtgevers lastig navigeren.


Mondzorg als voorbeeld: kleine verschillen, grote gevolgen

In de mondzorgsector is de spanning rond zzp-constructies duidelijk zichtbaar. De Belastingdienst beoordeelde onlangs vier veelvoorkomende casussen:

  • In drie gevallen werd de opdracht als zelfstandige arbeid geaccepteerd.
  • In één geval leidde inbedding en gezag tot een oordeel loondienst.

Die uitkomsten tonen aan dat kleine verschillen in de werkvloerpraktijk grote gevolgen kunnen hebben. Brancheorganisatie KNMT benadrukt dat absolute zekerheid vooraf nu nog vrijwel onmogelijk is — en hoopt dat de Zelfstandigenwet daarin verbeteringen brengt.


Wat betekenen deze ontwikkelingen voor zzp’ers?

Voor alle zelfstandigen — niet alleen in de zorg — zijn drie lijnen duidelijk zichtbaar:

1. Ondernemerschap moet aantoonbaar zijn

Meerdere opdrachtgevers, commercieel risico, eigen tarieven en zelfstandige profilering worden doorslaggevender.

2. Sociaal vangnet gaat zwaarder meewegen

Verplichtingen rond pensioen en arbeidsongeschiktheidsverzekering worden waarschijnlijk onderdeel van het nieuwe zzp-kader.

3. Opdrachtgevers worden voorzichtiger

Door strengere wetgeving en grotere risico’s bij schijnzelfstandigheid zullen organisaties kritischer kijken naar inhuur.


Hoe nu verder in de kabinetsformatie?

D66 en CDA gaan de komende weken actief op zoek naar steun bij andere partijen. Informateur Buma presenteert uiterlijk 9 december zijn eindverslag, waarin duidelijk moet worden of de Zelfstandigenwet een plek krijgt in de verdere formatiegesprekken.

Pas dan wordt duidelijk of het wetsvoorstel ook werkelijk richting de Kamer gaat — en in welke vorm.


Wat kun je als zzp’er nu al doen?

  • Breng je opdrachten, opdrachtgevers en inbedding in kaart.
  • Zorg voor duidelijke opdrachtovereenkomsten.
  • Maak je ondernemerschap zichtbaar en aantoonbaar.
  • Volg updates via brancheorganisaties en onafhankelijke platforms.

Wie zijn ondernemerschap nu al stevig neerzet, staat in elke toekomstige regelgeving sterker.


Bronnen:
Deel dit bericht via:

Zzp’ers laten jaarlijks duizenden euro’s liggen door onbenutte jaarruimte

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2025

Veel zzp’ers blijken hun fiscale pensioenruimte niet te benutten, terwijl daar juist in 2025 opvallend veel voordeel valt te behalen. Uit een onderzoek van Knab onder ruim 1.000 zelfstandigen blijkt dat de ondervraagde zzp’ers gemiddeld ongeveer € 4.800 per jaar aan belastingvoordeel mislopen doordat zij hun jaarruimte niet gebruiken. Het gaat hier om een gemiddelde uit het onderzoek — de daadwerkelijke bedragen verschillen per ondernemer.

Opvallend is dat dit niet om kleine bedragen gaat. Wie de cijfers uit het onderzoek zou doortrekken naar de hele zzp-populatie, komt uit op potentieel miljarden euro’s aan onbenutte fiscale voordelen. Dat is niet exact te berekenen, omdat de pensioenruimte per ondernemer verschilt, maar de trend is duidelijk: veel zelfstandigen laten geld liggen dat zij nu én later kunnen gebruiken.


Onbekendheid blijft de grootste drempel

De belangrijkste reden dat jaarruimte niet wordt benut, blijkt simpel: veel zzp’ers weten niet precies wat het is of hoe het werkt. In het Knab-onderzoek geeft een aanzienlijk deel van de respondenten aan nooit bewust met hun pensioenruimte te hebben gerekend. Daardoor gaat een fiscaal voordeel verloren dat relatief eenvoudig te benutten is.

Daarnaast heeft pensioenopbouw voor veel zelfstandigen geen hoge prioriteit. Eerst komen de buffer, investeringen in het bedrijf en lopende verplichtingen; pas later is er ruimte om na te denken over pensioen. Het gevolg: aan het eind van het jaar wordt niet of nauwelijks ingelegd, waardoor pensioenruimte ongebruikt blijft.


Afbouw van aftrekposten maakt jaarruimte aantrekkelijker

Juist in 2025 is jaarruimte relevanter dan in eerdere jaren. De zelfstandigenaftrek is opnieuw verlaagd en de mkb-winstvrijstelling blijft op een lager niveau dan ondernemers gewend waren. Daarmee wordt de ruimte om fiscaal te optimaliseren kleiner.

Voor zzp’ers zonder pensioenopbouw via een werkgever is jaarruimte een van de weinige manieren om belasting te besparen én tegelijkertijd vermogen op te bouwen voor later. Inleg in een pensioenproduct verlaagt direct het belastbare inkomen. Bij uitkering wordt belasting betaald — vaak tegen een lager tarief dan tijdens de werkzame jaren. Dat maakt de constructie voor veel ondernemers aantrekkelijk.


Hoe werkt jaarruimte precies?

Jaarruimte is het bedrag dat je jaarlijks fiscaal vriendelijk mag inleggen voor pensioenopbouw. De hoogte hangt af van je winst, eventuele pensioenopbouw in loondienst en je pensioentekort. Wie weinig pensioen opbouwt, heeft doorgaans meer ruimte.

Belangrijke voordelen:

  • Direct belastingvoordeel: de inleg verlaagt je belastbare inkomen.
  • Flexibiliteit: je bepaalt zelf hoeveel en wanneer je inlegt.
  • Mogelijk lager belastingtarief bij uitkering: gunstig voor de netto-opbouw.
  • Inhaalmogelijkheid via reserveringsruimte: ongebruikte jaren kun je in bepaalde gevallen alsnog benutten.

Toch blijkt uit het onderzoek dat slechts een kleine groep zzp’ers deze mogelijkheden volledig benut.


Wat kunnen zzp’ers nu doen?

Voor ondernemers die dit jaar wél optimaal gebruik willen maken van hun fiscale mogelijkheden, zijn een paar stappen belangrijk:

  • Bereken je jaarruimte via een rekentool of adviseur.
  • Check ook je reserveringsruimte, zodat gemiste jaren alsnog kunnen worden ingehaald.
  • Combineer fiscaal voordeel met andere aftrekposten en vrijstellingen.
  • Documenteer je keuzes voor een soepele belastingaangifte.
  • Plan jaarlijks een vast moment om je pensioenopbouw te beoordelen.

Veel ondernemers merken dat een relatief kleine inleg al voor direct belastingvoordeel zorgt — en tegelijk bijdraagt aan een stevig pensioen voor later.


Conclusie

Het onderzoek maakt duidelijk dat veel zzp’ers nog kansen laten liggen, soms zonder het zelf te weten. Terwijl de fiscale ruimte voor ondernemers de afgelopen jaren is versoberd, biedt pensioenopbouw via jaarruimte juist een van de weinige nog beschikbare financiële voordelen. Zelfstandigen die hun jaarruimte benutten, verlagen niet alleen hun belastingdruk maar creëren ook rust en zekerheid richting de toekomst.


Bron: analyse op basis van onderzoek van Knab, zoals eerder gemeld door vakmedium Accountancy Vanmorgen.

Deel dit bericht via:

D66 en VVD: ‘VBAR én Zelfstandigenwet schieten tekort voor brede zzp-groep’

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2025

Tijdens de recente editie van ArbeidsmarktPoort werd opnieuw zichtbaar hoe complex de zzp-problematiek is. Zowel D66-Kamerlid Nathalie van Berkel als VVD’er Ingrid Michon-Derkzen gaf aan dat geen van de huidige of voorgestelde wetten — noch de VBAR, noch de Zelfstandigenwet — geschikt is om alle zelfstandigen onder één juridisch kader te vatten. Dat meldt ZiPconomy in een verslag van de bijeenkomst.

Volgens beide Kamerleden ligt het probleem in de enorme diversiteit binnen de zzp-groep. Sommige zelfstandigen opereren duidelijk als ondernemers met meerdere opdrachtgevers en een sterke onderhandelingspositie, terwijl anderen in een werksituatie zitten die dichter tegen werknemerschap aanleunt. Eén uniforme set regels voor zulke uiteenlopende praktijken zorgt volgens hen onvermijdelijk voor frictie.

De voorgestelde Zelfstandigenwet, geïntroduceerd door VVD, D66, CDA en SGP, moet vooraf duidelijkheid bieden over de vraag wanneer iemand als ondernemer geldt. Maar in de praktijk blijven veel situaties grijs. Ook de VBAR ondervindt dat probleem al: casuïstiek laat zich moeilijk vangen in strikte definities.

Van Berkel pleitte daarom voor eenvoudiger en beter uitvoerbare regels, in plaats van een allesomvattende wet die voor iedereen moet gelden. Michon-Derkzen benadrukte dat wetgeving pas werkt als zij aansluit bij de realiteit van zowel ondernemers als opdrachtgevers.

Voor de zelfstandigenmarkt betekent dit dat de politieke discussie nog niet uitgekristalliseerd is. Het debat bij ArbeidsmarktPoort laat zien dat zelfs binnen de coalitie de overtuiging groeit dat een uniforme zzp-wet geen haalbare route is.

Bron: gebaseerd op berichtgeving van ZiPconomy.
(Zie: https://www.zipconomy.nl/2025/11/van-berkel-d66-vbar-en-zelfstandigenwet-voldoen-beide-niet-voor-alle-zzpers/)

Deel dit bericht via:

Zzp’ers in pedagogische beroepen kiezen opvallend vaak voor loondienst

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2025

Een opvallende ontwikkeling in de zelfstandigenmarkt: bijna één op de vier zzp’ers in pedagogische beroepen zou liever in loondienst werken. Dat blijkt uit de nieuwste cijfers van het CBS en TNO. Het aandeel ligt daarmee ruim boven het gemiddelde, waar ongeveer één op de tien zzp’ers een voorkeur heeft voor een vast dienstverband. De cijfers roepen vragen op over werkdruk, onzekerheid en de aantrekkelijkheid van ondernemerschap binnen kinderopvang en onderwijs.


Bijna kwart van pedagogische zelfstandigen kiest liever loondienst

Volgens de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA) geeft 11 procent van alle zzp’ers aan liever een vaste baan te hebben. In pedagogische beroepen loopt dit aandeel op tot bijna 23 procent. Daarmee wijkt deze beroepsgroep duidelijk af van andere sectoren. In technische beroepen ligt het aandeel rond de 9 procent en in commerciële functies zelfs lager.


Waarom zoeken pedagogische zzp’ers meer zekerheid?

Uit de onderzoeksgegevens komt een duidelijk patroon naar voren.

Tevredenheid speelt grote rol

Veel zzp’ers die ontevreden zijn over hun werk of omstandigheden prefereren een vaste baan. Onder deze groep gaat het om ongeveer 30 procent. Bij tevreden zelfstandigen daalt dit naar 7 procent.

Onzekerheid over toekomst doet voorkeur verschuiven

Voor zelfstandigen die zich zorgen maken over de continuïteit van hun werk, ligt de voorkeur voor loondienst hoger. Ongeveer 14 procent van deze groep zou liever werknemer zijn, tegenover 8,5 procent bij zzp’ers zonder zorgen.

Regeldruk blijft een belangrijke factor

Bij zelfstandigen die wet- en regelgeving als zwaar ervaren, komt de wens voor loondienst eveneens vaker voor. In sectoren zoals kinderopvang en onderwijs, waar regels en kwaliteitsnormen vaak strenger zijn, kan dit extra zwaar wegen.


Impact op sector en arbeidsmarkt

De trend heeft gevolgen voor zowel werkgevers als beleidsmakers.

  • Minder flexibiliteit voor organisaties
    Kinderopvang en scholen werken regelmatig met zelfstandigen om roosters op te vangen. Wanneer meer zzp’ers de overstap naar loondienst overwegen, kan dat de flexibiliteit onder druk zetten.
  • Arbeidsvoorwaarden wegen zwaar
    Het ontbreken van pensioenopbouw, doorbetaalde vakanties en sociale zekerheid speelt een grote rol. Deze secundaire voorwaarden blijven redenen waarom zelfstandigen soms terugverlangen naar loondienst.
  • Discussie over zelfstandigenpositie
    De cijfers sluiten aan bij bredere debatten over schijnzelfstandigheid, tariefdruk en de rol van zzp’ers in cruciale sectoren.

Wat betekent dit voor zelfstandigen in pedagogische beroepen?

Het kan zinvol zijn om regelmatig stil te staan bij je eigen positie op de arbeidsmarkt.

  • Voor veel zzp’ers biedt ondernemerschap vrijheid, maar brengt het ook onzekerheden mee.
  • Voor zelfstandigen die behoefte hebben aan meer zekerheid, minder ondernemingsrisico’s of betere arbeidsvoorwaarden, kan een overstap naar loondienst een passende keuze zijn.
  • Onder zzp’ers die in deze sector actief blijven, is het verstandig om scherp te onderhandelen over tarieven en contractvoorwaarden.
  • Steeds meer professionals combineren loondienst en zelfstandig werk. Deze hybride vorm kan zekerheid en flexibiliteit combineren.

Conclusie

De stijgende wens voor loondienst onder pedagogische zzp’ers laat zien dat de balans tussen vrijheid en zekerheid voor veel professionals aan het verschuiven is. Voor zowel zelfstandigen als opdrachtgevers is het belangrijk om deze trend goed in de gaten te houden. De aantrekkelijkheid van ondernemerschap binnen kinderopvang en onderwijs staat onder druk — en dat heeft gevolgen voor de hele sector.

Deel dit bericht via:

Zelfstandige ondernemers cruciaal voor realisatie ‘tien nieuwe steden’-plan

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2025

Bouwsector roept op tot soepelere inzet van zzp’ers om grootschalige woningbouwambitie haalbaar te maken

Flexibele bouwcapaciteit onmisbaar bij grote woningbouwopgave

De kabinetsambitie om tien nieuwe steden te bouwen legt een zware druk op de toch al krappe bouwsector. Volgens bouwbedrijven is het plan alleen uitvoerbaar als zelfstandigen breed kunnen worden ingezet. De aanhoudende onzekerheid rond de regels voor schijnzelfstandigheid zorgt er echter voor dat opdrachtgevers steeds voorzichtig­er worden, wat de voortgang van de woningbouw direct kan remmen.

Zzp’ers vormen de ruggengraat van de bouwcapaciteit

De sector werkt traditioneel met een mix van vaste medewerkers en zelfstandigen. Vooral bouw-zzp’ers zijn essentieel vanwege hun:

  • Flexibiliteit tijdens piekperiodes
  • Specialistische vakkennis voor complexe of niche-werkzaamheden
  • Snel opschalen bij grote projecten
  • Kostenbeheersing doordat inzet tijdelijk en projectmatig is

Volgens experts komt de woningbouwambitie serieus in gevaar als deze flexibele schil wegvalt.

Wat zzp’ers kunnen doen om hun positie te versterken

Zelfstandigen kunnen hun professionele positie én juridische zekerheid vergroten door:

  • Te werken voor meerdere opdrachtgevers
  • Eigen tarieven en voorwaarden actief te voeren
  • Eigen gereedschap en materialen te gebruiken waar passend
  • Heldere opdrachtovereenkomsten op te stellen en te bewaren
  • Hun ondernemerschap zichtbaar te maken via een professioneel profiel en goede administratie

Met deze aanpak blijven zij niet alleen aantrekkelijk voor opdrachtgevers, maar verkleinen zij ook de kans op discussies over schijnzelfstandigheid.

Opdrachtgevers moeten inzet zzp’ers zorgvuldig organiseren

Bouwbedrijven dragen eveneens verantwoordelijkheid. Door duidelijke overeenkomsten te gebruiken, rollen scherp af te bakenen en zelfstandigheid aantoonbaar te respecteren, kunnen zij zzp’ers juridisch verantwoord blijven inzetten. Dat is noodzakelijk om de bouwcapaciteit op peil te houden en het ambitieuze woningbouwplan op schema te houden.

Conclusie

De bouw van tien nieuwe steden is onmogelijk zonder de inzet van zelfstandige vakmensen. ZZP’ers vormen een cruciale schakel in de capaciteit van de bouwsector. Een soepele, juridisch goed georganiseerde samenwerking tussen bouwbedrijven en zelfstandigen is daarom essentieel om de woningbouwambitie werkelijkheid te laten worden.


Meer achtergrond bij dit onderwerp
Voor lezers die zich verder willen verdiepen in de discussie rond de bouw van tien nieuwe steden: Annemarie van Gaal deelt in een recente video op Nieuwsvandedag.nl haar visie op de rol van zelfstandigen binnen grootschalige bouwprojecten. Haar analyse raakt aan dezelfde uitdagingen die ook in de sector breed worden besproken. Link naar video en context: https://www.nieuwsvandedag.nl/nieuws/wonen/artikelen/die-tien-nieuwe-steden-zijn-onmogelijk-zonder-zzpers

Deel dit bericht via: