Laatst bijgewerkt: 17 april 2026, 10:07

Voorafgaand aan het commissiedebat arbeidsmarktbeleid van 15 april heeft de Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) een position paper gestuurd naar de Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De boodschap is helder: het huidige beleid rondom zzp’ers kent onvoldoende samenhang, werkt in de praktijk marktverstorend en moet worden omgebouwd tot beleid dat uitgaat van ondernemerschap. Tegelijk reageert VZN constructief op de Kamerbrief van minister Aartsen van vorige week: de richting klopt, maar duidelijkheid op papier is één ding — het durven toepassen in de praktijk is waar het de komende tijd om draait.
VZN: verschillende wetten werken elkaar tegen
De kern van de VZN-kritiek is niet gericht op één wet of maatregel, maar op het gebrek aan samenhang tussen verschillende wetgevingstrajecten. De Zelfstandigenwet, de Wet Toelating Terbeschikkingstelling van Arbeidskrachten (WTTA), de platformregelgeving en de mededingingsregels lopen naast elkaar zonder onderlinge afstemming. In de praktijk grijpen deze regelingen op elkaar in met onbedoelde en soms tegenstrijdige effecten.
VZN illustreert dat met een concreet voorbeeld. Een zelfstandig fotograaf die via een platform werkt valt gelijktijdig onder de EU-richtlijn platformwerk, de Wet DBA, de WTTA en de mededingingsregels. Elke regeling hanteert een eigen definitie van ‘zelfstandige’. Zijn juridisch adviseur kan hem niet eenduidig adviseren over zijn rechtspositie omdat de regelingen elkaar op onderdelen tegenspreken. Het CPB en de Raad van State hebben in eerdere analyses al gewaarschuwd voor precies deze samenloop van arbeidsrechtelijke, fiscale en mededingingsrechtelijke definities. Zonder expliciete harmonisatie leidt dit tot rechtsonzekerheid voor zowel ondernemers als opdrachtgevers.
Onvoorspelbaar beleid drijft opdrachtgevers weg
Een tweede knelpunt dat VZN aankaart is het gebrek aan consistent en voorspelbaar beleid. Ondernemers krijgen te maken met regels die regelmatig veranderen of onduidelijk zijn — bij tariefdiscussies, handhaving en subsidieregelingen. In de praktijk leidt dat ertoe dat opdrachtgevers afhaken en zelfstandig ondernemers investeringen uitstellen of niet meer durven te doen.
Een IT-consultant uit Utrecht werkt met tussenpozen vijf jaar voor dezelfde opdrachtgever via een goedgekeurde modelovereenkomst. Na de aankondiging van de hervatting van handhaving besluit de opdrachtgever de samenwerking per direct te beëindigen — niet omdat er sprake is van schijnzelfstandigheid, maar louter uit voorzorg. De ondernemer verliest daarmee ruim 60 procent van zijn jaaromzet. Dit patroon — opdrachtgevers die bij voorbaat afhaken voor zzp’ers — is al langer zichtbaar in meerdere sectoren. Werkgeversvereniging AWVN peilde dit jaar bij 162 bedrijven de stand van zaken: bijna de helft huurt minder zelfstandigen in en doet een groter beroep op uitzendkrachten. Woordvoerder Jannes van Velde: “Het wordt steeds moeilijker voor bedrijven om een flexibele schil in te zetten. Afschalen en opschalen, dat is duurder en begint echt een economisch probleem te worden.”
Regelgeving onvoldoende getoetst op uitvoerbaarheid
VZN signaleert ook dat regelgeving onvoldoende wordt getoetst op uitvoerbaarheid voordat die wordt ingevoerd. Een zelfstandig loodgieter in Amsterdam kan zijn werk niet meer uitvoeren in een aangewezen zero-emissiezone. Zijn dieselbus voldoet niet aan de ZE-norm, maar een elektrische vervanger kost €65.000 terwijl zijn gemiddelde jaaromzet €80.000 bedraagt. De investering verdient zich pas na acht jaar terug, terwijl de economische levensduur van het voertuig zeven jaar bedraagt.
Een bouwondernemer schakelt over op een elektrische bestelbus die door het zwaardere accupakket boven de 3.500 kg-grens uitkomt. Hierdoor is plotseling een rijbewijs C vereist, terwijl hij vijftien jaar lang probleemloos met rijbewijs B reed.
Tussenpersonen groeien ten koste van zelfstandigen
Een zorgelijke ontwikkeling die VZN expliciet benoemt is de groeiende rol van tussenpersonen en intermediairs. Zelfstandigen worden steeds vaker verplicht om via deze partijen te werken, ook bij bestaande directe relaties. Daarbij is niet altijd sprake van toegevoegde waarde, terwijl deze partijen wel een marge nemen die ten koste gaat van het tarief van de zelfstandige.
Een zelfstandig software-architect werkte drie jaar rechtstreeks voor een gemeente. Na invoering van de WTTA werd hij verplicht via een erkend detacheringsbureau te werken. Dat bureau hanteert een marge van 18 procent. Zijn effectieve uurtarief daalt van €110 naar circa €90 netto, terwijl zijn taken, verantwoordelijkheden en werkwijze volledig ongewijzigd blijven. In sectoren als de overheid, zorg en bouw rapporteren intermediairs een sterke groei van het volume na de invoering van de WTTA. Marges van 15 tot 25 procent zijn gangbaar, zonder dat er in alle gevallen sprake is van aantoonbare toegevoegde waarde voor opdrachtgever of opdrachtnemer.
Minimumtarieven werken als plafond
VZN signaleert ook een uitholling van het ondernemerschap via cao-achtige afspraken en tariefrichtlijnen. In de praktijk betekent dit dat minimumtarieven als maximum gaan werken en dat zelfstandig ondernemers minder ruimte hebben om zelf afspraken te maken. Dit beperkt het ondernemerschap en vervaagt het onderscheid tussen zelfstandig ondernemer en werknemer.
In de taxibranche publiceren brancheorganisaties richtlijnprijzen als minimumtarief voor zelfstandigen. In de praktijk gebruiken opdrachtgevers deze prijzen als maximumtarief: een zelfstandige ondernemer die hogere tarieven vraagt voor ritten buiten kantoortijden wordt systematisch gepasseerd. Een vergelijkbaar mechanisme doet zich voor in de schoonmaakbranche, waar richtlijnuurtarieven in cao-achtige afspraken zijn opgenomen. Ondernemers die kwalitatief hoogwaardiger dienstverlening aanbieden en daarvoor een premiumtarief vragen, worden in aanbestedingen systematisch benadeeld.
VZN positief over richting Aartsen, maar houdt slag om arm
Ondanks de stevige kritiek reageert VZN constructief op de Kamerbrief die minister Aartsen vorige week stuurde. In een LinkedIn-reactie noemt VZN de verschuiving van “wat mag niet” naar “wat kan wél” sterk. De beweging die Aartsen inzet — erkenning voor zelfstandigen, ruimte om te ondernemen, aanpak van schijnzelfstandigheid — sluit aan bij waar de praktijk al jaren om vraagt.
Tegelijk plaatst VZN een nadrukkelijke kanttekening: duidelijkheid op papier is één ding. Het durven toepassen in de praktijk — door opdrachtgevers, door uitvoeringsorganisaties en door de overheid zelf — is waar het de komende tijd om draait. Zoals wij vrijdag al schreven in onze analyse van de Kamerbrief van Aartsen, is ook advocaat Boris Emmerig nuchter: hij zou vandaag geen ander advies geven dan gisteren. De regels zijn niet veranderd, alleen de toon.
VNO-NCW en AWVN: steun voor rechtsvermoeden, maar risicogerichte handhaving
VZN is niet de enige organisatie die inbreng stuurt voor het debat van 15 april aanstaande. VNO-NCW en MKB-Nederland steunen in hun inbreng de snelle invoering van het rechtsvermoeden en de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (Baz). Tegelijk roepen zij op tot risicogerichte handhaving en het schrappen van Vbar-criteria die meer complexiteit en onzekerheid veroorzaken.
Achter de haast van het kabinet zit ook een financiële drijfveer die weinig aandacht krijgt. Tijdige invoering van het rechtsvermoeden en de Baz is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor geld uit het Europese coronaherstelfonds — per mijlpaal gaat het om €600 miljoen. De deadline voor de eerste mijlpaal is 31 augustus 2026, wat de haast achter het rechtsvermoeden direct verklaart. Wij schreven eerder al over de koppeling tussen Europees geld en zzp-wetgeving en over het risico dat de Kamer de coronasubsidie misloopt door uitstel.
Waar VZN de nadruk legt op samenhang en uitvoerbaarheid vanuit het perspectief van de zelfstandige, kijkt VNO-NCW vooral naar voorspelbaarheid voor werkgevers en opdrachtgevers. Beide organisaties zijn het eens over één ding: de huidige onzekerheid in de markt moet worden doorbroken.
Fiscalisten: rechtsvermoeden heeft bredere consequenties dan gedacht
Fiscaal jurist Jasper Commandeur wijst op een juridische consequentie van het rechtsvermoeden die in de discussie onderbelicht blijft. Het rechtsvermoeden heeft officieel alleen civielrechtelijke werking — het regelt de relatie tussen burger en opdrachtgever. Maar een logisch gevolg van het aanpassen van een definitie is dat alle andere wetten die daarnaar verwijzen ook worden aangepast, inclusief de wetten waar de Belastingdienst over gaat. De verwachting van het kabinet dat de Belastingdienst zich niet op het rechtsvermoeden zal beroepen is volgens Commandeur opmerkelijk — en mogelijk naïef.
Hij plaatst ook een scherpe noot bij de zorgsector: de positieve toonzetting over werken met zzp’ers in de Kamerbrief lijkt niet per se ook voor huisartsen te gelden. Voor waarnemende huisartsen op zzp-basis gold al eerder dat de inzet in bepaalde situaties niet in de rede lag — en dat standpunt lijkt niet te zijn herzien.
Oproep aan de Kamer: beleid moet uitgaan van ondernemerschap
VZN sluit haar position paper af met een duidelijke oproep aan de Kamercommissie. Zelfstandig ondernemerschap is een essentiële pijler van de Nederlandse economie en vraagt om duidelijke regels én ruimte om te ondernemen. Beleid voor zzp’ers moet uitgaan van ondernemerschap en niet van verkapt werknemerschap. Wie ondernemer is moet ook als zodanig worden behandeld — zowel in wetgeving als in uitvoering.
Het debat van 15 april brengt ministers Aartsen en Vijlbrief en staatssecretaris Eerenberg samen met de Kamercommissie. Met de position papers van VZN en VNO-NCW op tafel, de kritische analyse van fiscalisten en de recente Kamerbrief over de nieuwe zzp-koers als vertrekpunt, belooft het een stevig debat te worden.
Update 17 april 2026: debat heeft plaatsgevonden
Het commissiedebat van 15 april heeft de verwachtingen waargemaakt. Ministers Aartsen en Vijlbrief en staatssecretaris Eerenberg stonden een dag lang onder druk van een kritische Kamer. De belangrijkste uitkomst betreft niet het commissiedebat zelf, maar het plenaire debat dat er direct op volgde: de Tweede Kamer debatteerde gisteren ook over het wetsvoorstel rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief.
De uitkomst is duidelijk: een brede Kamermeerderheid steunt het voorstel. Zzp’ers met een uurtarief onder de 38 euro kunnen straks bij de rechter werknemersstatus opeisen. De bewijslast wordt omgedraaid — niet de werkende moet bewijzen dat hij werknemer is, maar de opdrachtgever moet aantonen dat er sprake is van zelfstandig ondernemerschap. De stemming over het wetsvoorstel en de ingediende moties vindt plaats op dinsdag 21 april. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2027.
Achter die datum zit ook een financiële drijfveer. Het rechtsvermoeden moet vóór 31 augustus 2026 in het Staatsblad zijn gepubliceerd om te voldoen aan een mijlpaal uit het Europese coronaherstelfonds — per mijlpaal gaat het om 600 miljoen euro. Dat verklaart de ongewone snelheid waarmee Aartsen dit wetsvoorstel door de Kamer loodst.
In de Kamer klonken wel zorgen. Over de bewijslast bij stuksprijzen en totaalcontracten, waarbij geen uurtarief is afgesproken. Over de impact op jongeren die bewust voor een lager tarief als zzp’er werken via platforms. En over de vraag of de Arbeidsinspectie ook handhavend zou moeten kunnen optreden — iets dat Aartsen nader wil onderzoeken.
Over de Zelfstandigenwet, het grotere wettelijke kader waar VZN en andere organisaties op wachten, is meer geduld vereist. Aartsen schat dat hij de wet eind 2026 naar de Raad van State kan sturen, waarna behandeling in de Tweede en Eerste Kamer volgt. Beoogde inwerkingtreding: 1 januari 2028. De zorgen van VZN over samenhang en uitvoerbaarheid blijven daarmee voorlopig onverminderd actueel.
Bron: Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) · VNO-NCW/MKB-Nederland · EW Magazine · LinkedIn/Jasper Commandeur · Rijksoverheid
Redactie ZZP Nieuws publiceert dagelijks nieuws, duiding en updates voor zelfstandig ondernemers in Nederland. Lees meer over onze redactie.
