De BV als wondermiddel tegen schijnzelfstandigheid? Twee rechters laten zien dat het zo niet werkt

Geplaatst op
Magazijnmedewerker draagt een doos in een loods — kwalificatie arbeidsrelatie zzp via BV
Beeld: Tiger Lily (Pexels), redactie ZZP Nieuws © 2026

Een eigen BV als oplossing voor schijnzelfstandigheid — het wordt zzp’ers met enige regelmaat aangeraden door adviseurs en tussenpersonen die er een dienst of constructie bij verkopen. Twee verse rechtszaken laten zien dat die belofte niet houdbaar is. In 2025 daalde het aantal zzp’ers bovendien voor het eerst in jaren, met 62.000 volgens het CBS, deels doordat zelfstandigen verdergingen als werknemer nadat de Belastingdienst de handhaving op schijnzelfstandigheid per januari 2025 aanscherpte. Juist in dat klimaat is de vraag wat een BV-constructie werkelijk waard is, voor veel zelfstandigen actueel.

Voor veel zelfstandigen voelt die BV als een buffer: een juridische laag tussen henzelf en de opdrachtgever. Twee rechters bogen zich kort na elkaar over de vraag wat die laag waard is. De Rechtbank Limburg oordeelde op 2 december 2025 dat een opdracht via een BV een echte opdracht was; het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zag op 18 mei 2026 juist een verkapt dienstverband. Wie daar tegenstrijdigheid in leest, kijkt naar de verkeerde laag. Beide rechters passen exact hetzelfde kader toe — de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad. Het verschil zit niet in het recht, maar in de feiten.

Magazijnwerk in bedrijfskleding, en toch geen werknemer

In de Limburgse zaak had een man vanaf januari 2023 werk verricht voor logistiek dienstverlener Humby, op basis van een managementovereenkomst tussen Humby en zijn eigen BV. De afspraak was commercieel werk, maar in de praktijk stond hij vooral in de loods — in bedrijfskleding met het Humby-logo en met een visitekaartje van Humby. Op papier de klassieke kenmerken van een dienstverband.

Toch oordeelde de kantonrechter: geen arbeidsovereenkomst. De doorslag gaf het ondernemerschap. De man bezat 25 procent van de aandelen in Humby, gekocht voor 230.000 euro. Hij was daarnaast bestuurder en aandeelhouder bij een tweede vennootschap, Indexica, waarvoor hij ook daadwerkelijk werkte. Hij bracht via zijn BV btw in rekening en droeg die af. En hij had jarenlang een onderneming in Azië gedreven. Dat hij in feite maar één opdrachtgever had, woog daar niet tegenop. De kantonrechter hechtte er bovendien gewicht aan dat de contractspartij de BV was en niet de man zelf — en dat arbeid nu eenmaal alleen door een natuurlijk persoon kan worden verricht. Wie zich naar buiten toe, en richting de Belastingdienst, als ondernemer gedraagt, bouwt daarmee een verdedigingslinie op.

Een accountant via zijn BV: wél werknemer

De zaak bij het hof in Leeuwarden liep precies omgekeerd af. Een registeraccountant ging per januari 2025 aan de slag bij een accountantskantoor, via een opdrachtovereenkomst met zijn persoonlijke BV. Hij werkte er vrijwel voltijds — drie dagen op kantoor, twee dagen elders of thuis — aan kernwerk van het kantoor, kon niet zonder toestemming voor anderen werken, kreeg een vaste maandvergoeding ongeacht het aantal uren, en trad naar binnen en buiten op onder de vlag van het kantoor. Geen tweede opdrachtgever, geen eigen bedrijfsmiddelen, geen ondernemersrisico.

Het hof keek dwars door de constructie heen. Waar de Limburgse rechter het BV-argument liet meewegen in het voordeel van de opdracht, veegde het hof het hier juist van tafel: de BV-tussenlaag was, in de woorden van de rechter, “enkel vanuit fiscaal aantrekkelijk oogpunt” opgezet en stond herkwalificatie naar een arbeidsovereenkomst niet in de weg. Dat partijen op papier hadden afgesproken géén arbeidsovereenkomst te willen, en dat de accountant zich daar later niet op zou beroepen, maakte niets uit. Artikel 7:610 BW is dwingend recht: de feiten bepalen de kwalificatie, niet de wens van partijen.

Je hoge tarief telt na herkwalificatie niet zomaar als loon

Dan komt een tweede vraag, en die raakt de portemonnee. Blijkt een opdracht achteraf een dienstverband, welk loon geldt dan? Het hof noemde het gedrag van de accountant “weinig sympathiek en opportunistisch”: hij koos welbewust voor de fee-constructie vanwege het fiscale voordeel, en riep pas de arbeidsbescherming in toen het kantoor de samenwerking eerder beëindigde dan hem uitkwam. Toch kreeg hij die bescherming, want dwingend recht laat de rechter geen keuze. Dat de rechter hard oordeelt over zijn draai, laat tegelijk zien hoe een systeem dat zelfstandigen in zulke constructies duwt zich uiteindelijk tegen henzelf kan keren.

Maar bij het loon trok het hof een streep. De maandfee van 13.445 euro werd níét één-op-één vertaald naar arbeidsloon. Een zzp-tarief is een all-in beloning, waarin de zelfstandige het ontbreken van ontslagbescherming, doorbetaling bij ziekte en verzekeringen meeprijst. Dat tarief klakkeloos als brutoloon overnemen en er vervolgens nog vakantiegeld en toeslagen bovenop stapelen, hoeft niet redelijk te zijn. Artikel 7:618 BW bepaalt dat bij gebrek aan een afgesproken loon het gebruikelijke, en anders een billijk loon geldt. In die fee van 13.445 euro zat volgens het hof ook een vergoeding voor diezelfde zaken die bij een dienstverband wegvallen. Die waarde schatte het hof op 2.500 euro per maand en haalde het van de fee af. Zo resteerde een all-in arbeidsloon van 10.945 euro per maand — de basis voor de transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Rechters kiezen hierin niet steeds dezelfde route. Het Hof Amsterdam, naar wiens rechtspraak de Leeuwarder uitspraak verwijst, verwierp eveneens het zzp-tarief als loonmaatstaf, maar greep terug op het laatst verdiende uurloon uit een eerder dienstverband, gecorrigeerd met cao-verhogingen. De rode draad is identiek: het verschil tussen fee en loon — de premie voor het zelf dragen van risico’s, voor arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioen — verdampt bij herkwalificatie. De zzp’er krijgt de werknemersbescherming, maar niet het bijbehorende hogere bedrag. Het tarief beschermt dus niet tegen herkwalificatie; het wordt er juist deels door teruggerekend.

Waarom dit telt in het handhavingstijdperk

De twee uitspraken samen tekenen een patroon dat al jaren door de rechtspraak loopt en met de actuele handhaving alleen scherper wordt. Sinds januari 2025 handhaaft de Belastingdienst schijnzelfstandigheid weer actief, en het wettelijk kader is volop in beweging. In dat klimaat is de management-BV of persoonlijke holding geen schild. Rechters kijken naar de feitelijke verhouding, niet naar de juridische verpakking.

Daarbij past één nuance die zzp’ers scherp moeten houden: een civiele uitspraak over de vraag of er een arbeidsovereenkomst is, bindt de Belastingdienst niet automatisch. Civiele kwalificatie en fiscale behandeling zijn aparte sporen. Dat een rechter een relatie civielrechtelijk als opdracht ziet, sluit een andere fiscale beoordeling niet op voorhand uit — en omgekeerd. De Humby-uitkomst betekent dus niet dat daarmee elke fiscale vraag is beslecht.

Het verschil tussen de twee zaken zat niet in de slimheid van het contract, maar in de werkelijkheid erachter. Dat is precies wat het Uber-arrest van februari 2025 als gezichtspunt versterkte. Voor de zzp’er die zich afvraagt hoe stevig hij staat, ligt daar ook de enige echte houvast: niet de rechtsvorm, maar het ondernemerschap erachter. Wie meerdere opdrachtgevers heeft, eigen risico draagt, zelf investeert en zich naar buiten en richting Belastingdienst zichtbaar als ondernemer gedraagt, bouwt een verdediging op die een contract of een BV nooit alleen kan bieden. Wie alleen op de structuur leunt en verder als werknemer functioneert, staat zwak. De accountant verloor zijn zelfstandigheid ondanks de constructie, niet dankzij. De ondernemer bij Humby behield die dankzij echt ondernemerschap, niet dankzij de BV. Voor wie een kant-en-klare oplossing zoekt is dat geen prettige boodschap, maar het is wel waar de rechtspraak op uitkomt.

Bron: Rechtbank Limburg · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Hof Amsterdam · CBS

Redactie ZZP Nieuws
Over de auteur:
Redactie ZZP Nieuws – Redactie ZZP Nieuws publiceert sinds 2014 dagelijks nieuws, duiding en achtergronden voor zelfstandig ondernemers in Nederland. De redactie werkt vanuit primaire bronnen — Rijksoverheid, rechtspraak, Kamerstukken en CBS — en plaatst ontwikkelingen waar mogelijk in de context van eerdere wetgeving en beleid. Onafhankelijkheid van overheid, vakbonden en commerciële partijen staat voorop. Lees meer over deze auteur.
Deel dit bericht via:

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in