
Vanuit zzp’ers in het onderwijs klinkt steeds vaker dezelfde vraag: waarom mag iemand wel lesgeven, maar alleen in loondienst? Het onderwijs kampt met een hardnekkig lerarentekort, terwijl bevoegde leerkrachten zich als zelfstandige beschikbaar stellen — vaak parttime, vanuit expertise, naast ander werk. Toch wordt hun positie steeds smaller. De aangescherpte handhaving op schijnzelfstandigheid raakt de hele sector, ook zzp’ers die overduidelijk ondernemer zijn. In zorg en onderwijs raken zo precies de mensen buiten beeld waar die sectoren het hardst om zitten te springen.
De verklaring die in dit debat het meest klinkt is een korte: de overheid wil meer belastinggeld binnenkrijgen. Bij loondienst gaan werkgeverslasten automatisch via vaste systemen — premies voor WW, WIA, Zvw en sectorale pensioenfondsen zoals het ABP. Bij zzp komt daar niets van automatisch binnen. Vanuit dat frame is de handhaving op schijnzelfstandigheid een poging om de fiscale derving te beperken.
Dat klopt deels. Maar het mist de helft van het verhaal — en het is precies die andere helft die verklaart waarom de patstelling in het onderwijs en de zorg zo moeilijk te doorbreken is.
Miljarden derving via fiscale ondernemersregelingen — maar afbouw is al jaren gaande
De fiscale kant is concreet. Het CPB raamde in eerder onderzoek dat de aftrekposten voor ondernemers — waaronder zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling en kleinschaligheidsinvesteringsaftrek — de schatkist samen miljarden euro’s per jaar kosten. Specifiek de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling betekenen dat een gemiddelde zzp’er minder belasting betaalt over hetzelfde inkomen dan een werknemer in loondienst.
Het kabinet bouwt die voordelen al jaren versneld af. De zelfstandigenaftrek is sinds 2022 teruggebracht van €6.310 naar €1.200 in 2026, en gaat in 2027 verder naar €900. De Nederlandsche Bank pleitte op 7 mei 2026 voor verdere beperking van fiscale voordelen voor zzp’ers zonder personeel. Maar de fiscale derving is in dit dossier niet het hardste argument. Want dat is in theorie nog op te lossen door tarieven aan te passen — bij zzp’ers of bij werknemers. Het tweede probleem zit dieper.
Het stelsel-argument: sociale zekerheid is gebouwd op één arbeidsvorm
Het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid — WW, WIA, AOW, collectieve pensioenopbouw — is in de jaren vijftig en zestig ontworpen op basis van één uitgangspunt: dat de meerderheid van de werkende bevolking in loondienst zou werken. Werkgevers en werknemers dragen samen premies af, fondsen vullen zich automatisch, en het collectieve risico van ziekte, ouderdom en werkloosheid wordt gespreid.
Zzp’ers passen daar niet in. Niet omdat ze niets afdragen — ze betalen inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw — maar omdat ze niet meedoen aan de premies voor werknemersverzekeringen en niet automatisch pensioen opbouwen. Volgens de CBS-cijfers van januari 2026 zijn er ruim 1,5 miljoen mensen met een hoofdbaan als zelfstandige. Hoe meer zzp’ers, hoe meer mensen buiten de premiekring vallen. En hoe brozer het collectieve stelsel wordt — niet alleen voor de overheid, ook voor de zzp’er zelf bij arbeidsongeschiktheid of ouderdom.
Hoogleraar arbeidsrecht Evert Verhulp formuleerde het in NU.nl scherp: de overheid probeert het belasting- en sociale zekerheidsstelsel te beschermen. Dat is een bredere claim dan alleen “meer belasting willen”, en hij verklaart waarom het kabinet zo vasthoudt aan de huidige koers — ook in sectoren waar het pijn doet.
Onderwijs als testcase: ABP heeft geen vakje voor de zzp-leraar
In het onderwijs zit deze spanning extra strak. Het ABP — het sectorpensioenfonds voor overheid en onderwijs — is historisch gebouwd op het uitgangspunt dat iedereen die voor de klas staat in loondienst werkt. Een zzp-leerkracht die een paar uur per week op een school werkt valt buiten die opbouw. Niet omdat hij niets reserveert voor zijn oude dag — veel zzp’ers doen dat wel, maar via lijfrente, banksparen, een eigen pensioenproduct, beleggingen op de beurs of via aankoop en verhuur van vastgoed — maar omdat het collectieve systeem die afdrachten niet kan verwerken.
Tegelijk worden die alternatieve routes minder vanzelfsprekend. De Wet werkelijk rendement box 3 — op 12 februari 2026 aangenomen door de Tweede Kamer en deze maand bij de Eerste Kamer in behandeling — gaat per 2028 ook ongerealiseerde koerswinsten op aandelen jaarlijks belasten tegen 36%. Voor vastgoed geldt een mildere regeling: pas afrekenen bij verkoop. Maar voor zzp’ers die hun oudedagsvoorziening opbouwen via een beleggingsportefeuille buiten een sectorpensioen om, worden de alternatieven smaller. Uit eerder Knab-onderzoek bleek al dat veel zelfstandigen hun fiscale pensioenruimte onbenut laten — en juist wie nu via beleggingen opbouwt, krijgt straks een ingewikkelder verhaal.
Voor het kabinet is dit precies waar de spanning zit. Een groeiende groep onderwijsprofessionals die buiten het ABP opereert, betekent minder premie-instroom voor het fonds — en dat is wat de overheid wil voorkomen. Niet omdat de zzp’er iets verkeerd doet, maar omdat het collectieve systeem niet is ingericht op andere arbeidsvormen. De keuze om je oudedagsvoorziening zelf in te richten is een kerneigenschap van het ondernemerschap — dat het stelsel daar geen plek voor heeft, is een probleem van het stelsel.
Toch is die vrijheid niet voor elke zzp’er even aantrekkelijk. De Zelfstandigen Enquête Arbeid 2025 liet zien dat 23% van de zzp’ers in pedagogische beroepen liever in loondienst zou werken — ruim twee keer zo hoog als het gemiddelde van 11%. Dat zegt iets over de positie waarin onderwijs- en zorgzelfstandigen zich bevinden: vaak werkend voor één opdrachtgever, met beperkte tariefonderhandeling, in sectoren waar de collectieve arbeidsvoorwaarden historisch sterk verankerd zijn. Voor sommigen is zzp-schap een bewuste keuze, voor anderen een afgedwongen oplossing in een sector waar vaste banen schaars zijn — of juist een tijdelijke route waar ze liever weer uit zouden willen.
De cijfers laten ook de andere kant zien. In het vierde kwartaal van 2025 daalde het aantal zzp’ers in het onderwijs (inclusief particulier en privaat) met 8,8% op jaarbasis. Opdrachtgevers worden voorzichtiger, ook waar dat juridisch niet hoeft. De handhaving werkt — alleen wel breder dan de bedoeling was.
De keuze die het kabinet ontwijkt
De echte vraag in dit dossier is fundamenteel: past het stelsel zich aan aan moderne werkvormen, of past de werkende zich aan aan het stelsel? Tot nu toe kiest het kabinet voor het tweede. De aangescherpte handhaving, de voorbereiding van de Zelfstandigenwet en het rechtsvermoeden van werknemerschap onder 38 euro per uur sturen feitelijk dezelfde kant op: maak zzp moeilijker, krijg meer mensen in loondienst, herstel de premie-instroom.
Een derde optie wordt zelden hardop besproken: zzp’ers een eigen, verplicht afdrachtenstelsel geven dat aansluit op het bestaande sociale zekerheidsstelsel. Een variant daarvan ligt al op tafel met de kabinetsplannen voor een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Daarnaast werkt het kabinet aan een verplichting voor zelfstandigen om ‘adequaat’ pensioen op te bouwen. Maar zolang er geen serieuze hervorming komt van het bredere belasting- en sociale zekerheidsstelsel rond zelfstandigen, blijft het systeem grotendeels op loondienst gericht.
Het gevolg daarvan: in sectoren als onderwijs en zorg blijven opdrachtgevers uit voorzorg afhaken, blijven zzp’ers die overduidelijk ondernemer zijn zich onterecht buitengesloten voelen, en blijft het lerarentekort groter dan nodig. Niet omdat er per se geen leraren beschikbaar zijn — die zijn er ook — maar omdat het stelsel een groot deel van hen niet kan plaatsen. Zolang het kabinet die keuze niet maakt, blijft de patstelling waar Nederland nu in zit. Met of zonder Zelfstandigenwet.
Door Marco Weeber, uitgever en eindredacteur ZZP Nieuws — volgt het zzp-dossier sinds 2014.
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek · De Nederlandsche Bank · Rijksoverheid · NU.nl
Redactie ZZP Nieuws publiceert dagelijks nieuws, duiding en updates voor zelfstandig ondernemers in Nederland. Lees meer over onze redactie.
