
Op 20 november vorig jaar reed een taxichauffeur op Schiphol een paar uur lang met een afgeplakte dashcam. Een stuk kauwgom, opzettelijk over de lens. Diezelfde middag werd zijn samenwerkingsovereenkomst met Schiphol Taxi Network per direct opgezegd.
De zaak die daaruit volgde, leverde een beschikking op die voor zzp’ers in heel andere sectoren relevant kan zijn. De rechtbank Amsterdam loopt de negen Deliveroo-gezichtspunten één voor één langs, komt tot een gemengd beeld, en laat de balans uiteindelijk doorslaan op iets wat in dat lijstje niet voorkomt: het feit dat taxichauffeurs van oudsher binnen een zelfstandigenmarkt opereren.
Negen punten, geen winnaar
De chauffeur in kwestie is geen toevallige zzp’er. Hij heeft sinds 2009 een eigen taxibedrijf onder de naam Taxi Mijdrecht, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, sinds 2020 ook in het KIWA-register voor taxivergunninghouders. Eigen wagen, eigen website, luchthavenvervoer naar Nederland, België en Duitsland, daarnaast een tweede handelsnaam voor trouwvervoer. Voor STN reed hij eerder al voor een andere Schiphol-concessiehouder.
Eind oktober 2025 sloot hij met STN een samenwerkingsovereenkomst voor de duur van een jaar. Hij kon zich inschrijven op tijdslots van minimaal negen uur, hij mocht zich laten vervangen, en hij betaalde STN een gebruiksvergoeding van 135 euro per tijdslot plus commissie op de ritprijs. Drie weken later was de samenwerking voorbij.
De kantonrechter loopt vervolgens het inmiddels bekende rijtje af dat de Hoge Raad in 2023 in het Deliveroo-arrest formuleerde. Een aantal punten wijst richting werknemerschap. Het taxivervoer is de kern van wat STN doet, dus de chauffeur is duidelijk ingebed in de organisatie. De samenwerkingsovereenkomst is door STN voorgelegd zonder ruimte om te onderhandelen — een gegeven dat volgens de rechter “meer past bij een arbeidsovereenkomst dan bij een overeenkomst van opdracht”.
Andere punten wijzen de andere kant op. Het vervangingsrecht noemt de rechter een “sterke aanwijzing” tegen werknemerschap. De chauffeur bepaalde zelf of en wanneer hij werkte. En hij gedraagt zich, gezien de hele constructie van zijn bedrijf, onmiskenbaar als ondernemer. Bij weer andere punten — de aard van de werkzaamheden, de manier waarop de beloning tot stand komt — kan het volgens de rechter alle kanten op.
De zin die de zaak kantelt
Wie de overwegingen optelt, ziet geen heldere uitkomst. Dat is ook de ruimte die het Deliveroo-arrest laat: alle omstandigheden in onderling verband bezien, geen rangorde tussen de gezichtspunten. Die regel heeft de Hoge Raad in het Uber-arrest van 21 februari 2025 nog eens bevestigd. De rechtbank haalt het zelf ook expliciet aan.
Toch hakt de kantonrechter een knoop door. In de slotoverweging staat hoe. De gezichtspunten zijn in onderling verband gewogen, schrijft de rechter, “mede bezien tegen de achtergrond dat taxichauffeurs opereren binnen een (van oudsher) zelfstandigenmarkt”. Geen onderdeel van de Deliveroo-lijst, geen tiende criterium dat de Hoge Raad heeft erkend, maar wel het zinnetje dat de balans laat doorslaan.
Advocaat-belastingadviseur Boris Emmerig wees daar op LinkedIn op. Volgens hem laat deze beschikking zien dat de Deliveroo-lijst in de praktijk minder uitputtend en minder rangorde-loos is dan op papier het geval lijkt. Voor andere sectoren met een lange ondernemerstraditie — Emmerig noemt zelf de mediasector — zou eenzelfde redenering kunnen opgaan.
Voor wie geldt dit signaal
Voor deze chauffeur, die zijn eigen onderneming al ruim zestien jaar runt en voor meerdere partijen heeft gereden, pakt de uitkomst gunstig uit. Voor een chauffeur die vorige maand zijn KvK-inschrijving regelde om bij STN aan de slag te kunnen, ligt het anders. De rechter doet geen uitspraak over de sector als geheel, alleen over deze ene samenwerking met deze ene chauffeur.
Wat het signaal wel is: zichtbaar en aantoonbaar ondernemerschap telt. Niet alleen op papier in de overeenkomst, maar in alles wat de werkende daarbuiten doet. Een eigen klantenkring, een eigen wagen, meerdere opdrachtgevers, een tweede handelsnaam — het zijn de feiten die in deze beschikking de doorslag geven. Sinds 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst weer op schijnzelfstandigheid, met naheffingen die teruggaan tot die datum. Per 1 januari 2026 zijn daar vergrijpboetes bijgekomen voor gevallen van opzet of grove schuld; verzuimboetes blijven tot 1 januari 2027 achterwege. Hoe rechters dat kader invullen wanneer de gezichtspunten geen winnaar opleveren, is na deze beschikking iets minder voorspelbaar geworden.
Correctie 5 mei 2026: in een eerdere versie van dit artikel werd geschreven dat boetes “voorlopig nog niet” worden opgelegd. Dat is niet helemaal juist. Sinds 1 januari 2026 kan de Belastingdienst bij opzet of grove schuld vergrijpboetes opleggen; verzuimboetes blijven tot 1 januari 2027 achterwege. Met dank aan Boris Emmerig voor de correctie.
Bron: Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2026:3639) · Hoge Raad (Deliveroo, ECLI:NL:HR:2023:443) · Hoge Raad (Uber, ECLI:NL:HR:2025:319) · LinkedIn-analyse Boris Emmerig
Redactie ZZP Nieuws publiceert dagelijks nieuws, duiding en updates voor zelfstandig ondernemers in Nederland. Lees meer over onze redactie.
