Opinie | Gastbijdrage door Wilmar Dik, fotograaf, cameraman en pleitbezorger voor de positie van zelfstandigen. Deze bijdrage is op uitnodiging van de redactie geschreven. De opvattingen in dit stuk zijn die van de auteur.
Veel zzp’ers weten ongeveer wat anderen in hun vak vragen. Veel minder zelfstandigen weten welk tarief zij zelf minimaal nodig hebben om duurzaam te kunnen ondernemen. Een tarief van €65 of €80 per uur kan hoog genoeg zijn, maar als zelfstandige betaal je daarvan veel zaken die een werknemer niet zelf hoeft te betalen. Bovendien krijg je lang niet ieder gewerkt uur betaald. Daarom zou iedere zzp’er één bedrag moeten kennen: zijn eigen economische ondergrens.
De €38 van het rechtsvermoeden is geen minimumtarief
Op 31 december 2026 treedt het wettelijke rechtsvermoeden op basis van uurtarief in werking. De grens is €38 (peildatum 1 januari 2026); het bedrag dat bij de invoering geldt, wordt nog vastgesteld via de jaarlijkse indexatie. Dat bedrag is geen wettelijk minimumtarief.
Wie onder de grens werkt en meent eigenlijk werknemer te zijn, krijgt een sterkere bewijspositie: de opdrachtgever moet dan aantonen dat er géén arbeidsovereenkomst bestaat. Voor wie echt zelfstandig is en wil blijven, verandert er weinig. De regeling pakt de economische bron niet aan: het blijft mogelijk om als zelfstandige te werken voor bedragen waarvan je niet duurzaam kunt bestaan. En andersom betekent meer dan €38 verdienen niet automatisch dat je juridisch zelfstandig bent. Voor je eigen tariefberekening heb je dus weinig aan de gedachte: zolang ik maar boven de €38 zit, is het goed.
Begin niet bij het tarief, maar bij het inkomen
Je kunt kijken wat opdrachtgevers bieden of wat concurrenten vragen, en daar in de buurt gaan zitten. Maar dan weet je nog steeds niet of je van dat tarief kunt leven. Begin daarom bij de vraag: welk inkomen moet mijn beroepspraktijk mij minimaal per jaar opleveren?
Stel dat je minimaal €2.500 netto per maand nodig hebt. Dat is €30.000 per jaar dat privé beschikbaar moet zijn, nadat je belastingen en premies hebt betaald. Daarbovenop komen je bedrijfskosten: verzekeringen, administratie, software, vervoer, apparatuur, lidmaatschappen, opleidingen, een werkruimte. En er moet geld opzij voor pensioen, arbeidsongeschiktheid, ziekte en tegenvallers. Al die kosten betaal je uit je tarief. De rekensom is uiteindelijk simpel: benodigde jaaromzet gedeeld door realistische declarabele uren per jaar is jouw minimale uurtarief.
De belangrijkste vraag: hoeveel uren kun je werkelijk factureren?
Hier gaat het bij tariefberekeningen vaak mis. Fulltime werken als zelfstandige betekent niet dat je 36 of 38 uur per week kunt factureren. Declarabele uren zijn de uren die je daadwerkelijk bij een opdrachtgever in rekening brengt; daarnaast besteed je tijd aan acquisitie, offertes, administratie, scholing en periodes tussen projecten. Hoeveel uren je echt kunt factureren, hangt bovendien sterk af van je sector: het aantal zzp’ers en het aantal opdrachten in een markt bepalen samen wat daar gemiddeld haalbaar is. Dat heeft niets met jouw ondernemerskwaliteiten te maken.
De verschillen zijn groot. Het tarievenboekje van Knab noteert bijvoorbeeld gemiddeld 19 declarabele uren per week voor een coach of trainer en 39 voor een chauffeur. En uit de NVJ Arbeidsmarktmonitor 2025 blijkt dat freelance journalisten gemiddeld 34,3 uur per week werken, waarvan zo’n tien uur opgaat aan niet-declarabele zaken als administratie en acquisitie: een derde van hun tijd is onbetaald.

Reken vervolgens met werkbare weken. Iemand in loondienst heeft ongeveer vijf vakantieweken en valt gemiddeld enkele weken per jaar uit; ga voor jezelf dus uit van zo’n 43 werkweken. Wie €2.500 netto per maand wil overhouden en in een sector werkt waar 28 declarabele uren per werkbare week haalbaar zijn, maakt 1.204 declarabele uren per jaar en komt (gerekend met 32 procent belasting en premies; je werkelijke druk hangt af van je situatie) uit op een kale ondergrens van ongeveer €45 per uur. In een sector waar 20 uur per week realistisch is, wordt diezelfde ondergrens ongeveer €63. Twee zelfstandigen met hetzelfde gewenste inkomen, en toch bijna €20 verschil. Een gezond tarief, met buffer voor stille maanden, ligt in beide gevallen nog hoger.

Zelf rekenen kan met een uurtariefcalculator; een uitgebreide uitleg staat in de kennisbank van ZZP Nieuws over je uurtarief bepalen.
Check je aannames daarna met je eigen cijfers, en maak geen optimistische begroting: zzp’ers waren in 2024 met 4,4 procent ruim twee keer zo vaak arm als werknemers, becijferde het CBS. Had je vorig jaar €40.000 omzet tegen gemiddeld €70 per uur? Dan factureerde je feitelijk 571 uur. Dat getal is eerlijker dan wat je hoopt te draaien.
Ook een projectprijs heeft een uurtarief
Werk je met projectprijzen, dan geldt precies hetzelfde. Een opdracht van €2.000 klinkt prima. Besteed je er 35 uur aan, dan is het effectieve tarief ruim €57. Blijkt er met voorbereiding, overleg, reizen, wijzigingen en oplevering 55 uur in te zitten, dan resteert ongeveer €36: onder de grens van het rechtsvermoeden. Schat daarom vooraf in hoeveel tijd de hele opdracht werkelijk kost, en stuur bij als het project groeit. Een projectprijs beschermt je niet tegen een te laag uurtarief als de uren blijven oplopen.
Wat als jouw markt jouw ondergrens niet betaalt?
Stel dat uit je berekening blijkt dat je €60 per uur nodig hebt, terwijl opdrachtgevers structureel €50 bieden. De eerste conclusie hoeft niet te zijn dat de markt fout zit: misschien zijn je kosten te hoog of loopt je acquisitie niet. Dat hoort bij ondernemen. Maar er is een verschil tussen een individueel probleem en een structureel marktprobleem. Als een hele beroepsgroep veel werkt, weinig kan factureren én tarieven ontvangt waarvan normale kosten, pensioen en verzekeringen nauwelijks te dragen zijn, dan is er iets anders aan de hand: overaanbod, sterke inkoopmacht, of een markt waarin zelfstandigen vooral op prijs concurreren. Een marktprijs is niet automatisch een gezonde prijs.
Een ondergrens garandeert geen opdrachten; dat blijft ondernemersrisico. Maar wie zijn eigen bodem kent, weet wanneer een opdracht economisch niet meer kan, en ziet een tegenvallend jaar niet ten onrechte als persoonlijk falen.
Van jouw rekensom naar een sectorale ondergrens
Je persoonlijke ondergrens bereken je met je eigen cijfers. Maar je werkt wel in een markt waarop je als individu weinig invloed hebt. Daarom vind ik dat de overheid per sector een economische ondergrens zou moeten berekenen, gebaseerd op gemiddelde declarabele uren, normale bedrijfskosten en redelijke voorzieningen voor pensioen, arbeidsongeschiktheid en ziekte.
De huidige aanpak doet dat niet. Bij de berekening van het bedrag van het rechtsvermoeden gaat de wetgever ervan uit dat een zzp’er gemiddeld zo’n 67 procent (twee derde) van de werktijd kan declareren, op basis van cijfers uit het zzp-panel van Panteia uit december 2012 (Kamerstukken II, 36 783, nr. 3, p. 98). Het kabinet ziet zelf geen aanleiding om aan te nemen dat die verhouding inmiddels anders ligt, maar onderbouwt dat niet met nieuwer onderzoek. En voor de sectoren waar het knelt zegt een landelijk gemiddelde sowieso weinig: één aanname van veertien jaar oud is oneerlijk richting zelfstandigen die lang niet twee derde van hun tijd kunnen factureren; het geeft te weinig bescherming en houdt te lage tarieven in stand.
Maar je hoeft niet op politiek Den Haag te wachten om zelf te rekenen. Maak de som, ken je bodem, en werk er niet onder. Hoe meer zzp’ers hun werkelijke declarabele uren kennen, hoe zichtbaarder wordt waar een individueel probleem zit en waar een hele markt structureel te weinig betaalt. Met een arbeidsmarkt die mede door AI flink in beweging is, wordt dat de komende jaren alleen maar belangrijker.
Opiniebijdragen weerspiegelen de opvatting van de auteur, niet noodzakelijk die van de redactie van ZZP Nieuws.
Bron: Kamerstukken II 2024/25, 36 783, nr. 3 (memorie van toelichting, 4 juli 2025) · Staatsblad 2026, 207 (inwerkingtredingsbesluit, 15 juli 2026) · CBS, Armoede onder werkenden (april 2026) · NVJ Arbeidsmarktmonitor 2025
Wilmar Dik – Zet zich als belangenbehartiger in voor de economische positie van zzp'ers en schrijft over ondernemerschap, marktwerking en tariefvorming voor zelfstandigen. Hij werkt sinds 2008 als zelfstandig fotograaf en cameraman. Bij de NVJ vertegenwoordigt hij de ledengroep NVF/Beeldmakers in het beleidsteam Werkvoorwaarden. Ook is hij betrokken bij de Ketentafel Fotografie van fairPACCT. Volg Wilmar op LinkedIn. Bekijk alle artikelen van Wilmar Dik.
